11/02/2021

Procedure voor Raad van State werkt niet enkel stuitend in het voordeel van verzoeker

In een arrest van vandaag, 11 februari 2021, heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat bij het indienen van een beroep voor de Raad van State de stuiting van de verjaring van de burgerlijke vordering tot schadevergoeding ook moet gelden voor personen die benadeeld zijn door de nietigverklaring van de bestreden handeling.

Wanneer een beroep tot nietigverklaring tegen een administratieve rechtshandeling voor de Raad van State tot nu toe werd ingediend, was de verjaring van de burgerlijke rechtsvordering waarmee men een schadevergoeding wenste te bekomen, enkel gestuit ten voordele van de verzoekende partij(en) die dat beroep tot nietigverklaring had(den) ingesteld. Ongeacht de duur van de procedure voor de Raad van State kon de burgerlijke vordering tot schadevergoeding dan ook niet verjaren. 

Personen die evenwel een nadeel ondervinden van de eigenlijke nietigverklaring door de Raad van State (maar die geen beroep indienden bij deze Raad) konden tot vandaag evenwel die stuiting van de verjaring niet genieten. Zij dienden, in afwachting van de uitspraak van de Raad en zonder enige zekerheid omtrent de uitkomst van het beroep tot nietigverklaring, nog steeds een bewarende vordering bij de burgerlijke rechtbank in te dienen om hun recht op schadevergoeding veilig te stellen.

Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat dit verschil in behandeling discriminerend is. De vernietigingsarresten van de Raad van State gelden namelijk erga omnes. Het verschil in behandeling is dan ook volgens het Hof niet pertinent, gelet op het doel dat de wetgever voor ogen had bij het voorzien van de stuitende werking, met name het vermijden dat de burgerlijke rechtbanken overstelpt zouden worden met een veelvoud aan bewarende procedures die er in se louter toe strekken de verjaring tegen te gaan.

Het Hof stelde het finaal dan ook als volgt:

"B.11.1. Gelet op zijn zorg om te vermijden dat bewarende procedures voor de burgerlijke rechter worden ingesteld ter voorkoming van de verjaring, had de wetgever redelijkerwijs moeten ervan uitgaan dat rekening diende te worden gehouden met de erga omnes gevolgen van de vernietigingsarresten van de Raad van State en dat de door een onwettige administratieve handeling veroorzaakte schade kan leiden tot het instellen van een vordering voor de burgerlijke rechter door andere personen dan de verzoekende partij."

Dit arrest biedt dus (bijkomende) rechtszekerheid voor de door een vernietigingsarrest benadeelde derde.