02/12/2020

Over het begrip 'verblijfplaats' in de zin van artikel 52 § 1 Vreemdelingenbesluit

De Raad voor Vreemdelingenbewtyistingen heeft zich in een arrest nr.  244.986 van 27 november 2020 als volgt uitgesproken over het beroep tegen een beslissing tot weigering van een verblijf met meer dan 3 maanden:

'Verzoeker betoogt in eerste instantie dat het gaat om een pro forma-weigering zonder dat een in concreto-onderzoek en beoordeling hebben plaatsgevonden.

ln de bestreden beslissing wordt gesteld dat een controle van de verblijfplaats heeft plaatsgevonden. Dit blijkt ook uit de stukken van het administratief dossier. Daarin bevindt zich het verslag van de
woonstcontrole van 12 december 2019 om 09u31. Hierin wordt vastgesteld dat verzoeker niet kan worden aangetroffen op het aangegeven adres in M., dat er geen spullen van hem zijn aan te treffen en dat verzoeker momenteel in de gevangenis verblijft.

Verzoeker kan dus niet worden gevolgd waar hij stelt dat het om een pro forma-weigering gaat en er geen concreet onderzoek heeft plaatsgevonden.

Waar hij betoogt dat hij aan de hand van de bestreden beslissing niet kan nagaan op welke data en uren de wijkagent hem is komen opzoeken op het opgegeven adres, valt niet in te zien op welke wijze hij hiermee in zijn belangen werd geschaad. lmmers, in zijn verzoekschrift stelt verzoeker zelf dat hij op í4 december 2016 onder aanhoudingsmandaat werd geplaatst en hij sindsdien in de gevangenis verblijft, zodat het motief in de bestreden beslissing dat uit een controle van de verblíjÍplaats blijkt dat hij er niet verblijft in casu afdoende en draagkrachtig is.

Waar verzoeker de venverende partij verwijt de term verblijfplaats te hebben gebruikt, moet worden vastgesteld dat volgens artikel 52, $1 van het Vreemdelingenbesluit de aanvraag moet worden ingediend bij het gemeentebestuur van de plaats waar hij verblijft.

ln de bijlage í9ter die namens verzoeker op 15 oktober 2019 bij de stad M. werd ingediend, wordt het volgende gesteld: "verklaart op het volgende adres te verblijven" waarna het adres volgt waarop de woonstcontrole werd gedaan.

Met zijn argumentatie over het verschil tussen de "wettelijke woonplaats", als plaats waar iemand zíjn hoofdverblijf heeft gevestigd, en een "verblijfplaats", die alleen een feitelijk en geen wettelijk karakter heeft, toont verzoeker niet aan dat in casu niet deugdelijk en conform artikel 52,§3 zou zijn geoordeeld dat hij niet verblijft op het grondgebied van de gemeente waar hij zijn aanvraag heeÍt ingediend. Hij maakt immers niet met concrete argumenten aannemelijk dat het adres dat hij had opgegeven in het kader van ziij aanvraag kan worden beschouwd als zijn "wettelijke woonplaats": verzoekers regelmatig verblijf werd beëindigd met de hiervoor vermelde beslissing van 12 december 2018, die inmiddels definitief in het rechtsverkeer is, en uit artikel 52 van het Vreemdelingenbesluit blijkt dat de aanvrager pas na de controle van de verblijfplaats ingeschreven in het vreemdelingenregister en in het bezit wordt gesteld van een attest van immatriculatie. Verder moet worden vastgesteld dat niet wordt betwist dat hij reeds sedert 2016 in de gevangenis verblijft in Leuven en dat er in het kader van de woonstcontrole werd vastgesteld dat op het adres in M. geen spullen van hem zijn aan te treffen.

Verzoeker toont niet aan dat de verwerende partij onwettig, onzorgvuldig of kennelijk onredelijk heeft gehandeld bij de totstandkoming van de bestreden beslissing. Het eerste middel ís niet gegrond'.

Referentie: PUB508944

Stel hier je vraag bij dit blogbericht


Dirk Van Heuven Vreemdelingenrecht
Meer tags?