16/07/2020

Tijdelijke oplossing voor windturbines?

Als het van het Vlaams Parlement afhangt alvast wel. Het Vlaams Parlement keurde gisteren het voorstel van decreet tot validering van de sectorale milieuvoorwaarden voor windturbines goed. Hiermee poogt het Vlaams Parlement een einde te stellen aan de onzekerheid die er heerst voor windturbines en windturbineparken naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie van 25 juni 2020.

Zoals uiteengezet in onze eerdere blog oordeelde het Hof van Justitie op 25 juni 2020 dat zowel de VLAREM II-bepalingen inzake windturbines (slagschaduw, geluid en veiligheid), als de omzendbrief RO/2014/02 onder de plan-MER-richtlijn vallen en aldus dienden onderworpen te worden aan de plan-MER-plicht.

Het voorstel van decreet voorziet in de decretale validering van de VLAREM II-normen voor windturbines en dit voor een termijn van 3 jaar. Op die manier kan rechtzekerheid gegeven worden voor de projecten die thans reeds worden geëxploiteerd, alsook voor projecten die thans reeds in de pijplijn zitten. 

In de memorie van toelichting licht het Vlaams Parlement de impact van het arrest van 25 juni 2020 en de keuze voor een decretale validatie als volgt toe:

'De simpele en zuivere uitvoering van het arrest van 25 juni 2020 brengt bijgevolg een fundamentele rechtsonzekerheid met zich mee voor zowel bestaande als toekomstige windturbineparken, en dreigt een aanzienlijk negatievere impact op mens en milieu teweeg te brengen. Elk windturbineproject waarbij de VLAREM-normen werden of worden toegepast en waarbij in het verleden de omzendbrief van 2006 werd toegepast, zou immers mogelijk onwettig zijn. Concreet doen zich daarbij een aantal hypothesen voor. De belangrijkste zijn hieronder opgesomd:
– hypothese A: een windturbineparkproject waarvan de vergunningen definitief zijn en dat inmiddels volledig is afgerond en in exploitatie is: mogelijkheid dat een rechter de exploitatie stillegt in het kader van een (milieu)stakingsvordering;
– hypothese B: een windturbineparkproject waarvan de vergunningen definitief zijn, maar waarbij nog niet met de bouw en exploitatie is begonnen: mogelijkheid dat een rechter de exploitatie stillegt in het kader van een (milieu)stakingsvordering als de vergunningen eenmaal worden uitgevoerd, of preventief optreedt om te beletten dat vergunning wordt uitgevoerd, bijvoorbeeld in het kader van een milieustakingsvordering;
– hypothese C: een windturbineparkproject waarvan de vergunningen voor de administratieve of burgerlijke rechtbanken betwist worden, maar waarbij nog niet met de uitvoering is begonnen: risico op vernietiging, respectievelijk onwettigverklaring van de vergunning;
– hypothese D: een windturbineparkproject waarvan de vergunningen voor de administratieve of burgerlijke rechtbanken betwist worden en waarbij al met de uitvoering is begonnen: risico op vernietiging, respectievelijk onwettigverklaring van de vergunning;
– hypothese E: een windturbineparkproject waarvan de administratieve vergunningsprocedure nog niet werd afgerond: risico op weigering van de vergunning wegens de onwettigheid van de VLAREM-normen of van de vergunning;
– hypothese F: toekomstige windturbineparkprojecten: risico dat ze niet vergund kunnen worden wegens de onwettigheid van de VLAREM-normen of van de vergunning.

De bovenstaande hypothesen maken duidelijk dat een simpele en zuivere uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van 25 juni 2020 voor grote rechtsonzekerheid zou zorgen, niet alleen voor het verleden, maar ook voor de toekomst. Een ontwikkelaar die zijn project al heeft gerealiseerd, riskeert de stillegging van zijn windturbinepark. Hangende dossiers dreigen geweigerd te worden of te worden vergund met het risico op een onwettige vergunning en het bestuur zit daarbij geklemd tussen hamer en aambeeld.

De rechtspraak van het Hof van Justitie laat echter toe om in dergelijke uitzonderlijke omstandigheden een nationale maatregel die naar Unierecht onregelmatig is, te regulariseren of de gevolgen ervan (voor een beperkte tijd) in stand te houden.

Op basis van de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie mag een nationale rechterlijke instantie, als het nationale recht dat toestaat, bij uitzondering en per geval, bepaalde gevolgen van een verklaring dat een bepaling van nationaal recht die in strijd met de verplichtingen van de Plan-MER-richtlijn is vastgesteld, in de tijd beperken. Daarbij geldt als voorwaarde dat een dergelijke beperking is vereist door een dwingende overweging in verband met de bescherming van het milieu. Bovendien zou de nietigverklaring van die handeling een rechtsvacuüm dreigen te creëren dat in strijd is met de verplichting voor de betrokken lidstaat om uitvoeringsmaatregelen vast te stellen voor een andere Unierechtshandeling die gericht is op milieubescherming. Die bijzondere mogelijkheid tot instandhouding van de gevolgen van handelingen die naar Unierecht onregelmatig zijn, kan uitsluitend worden uitgeoefend als alle voorwaarden die volgen uit het arrest van 28 februari 2012, Inter-Environnement Wallonie en Terre wallonne (C41/11), zijn vervuld. Er moet dus tegelijk aan de volgende vier voorwaarden zijn voldaan:
1° met de bestreden nationale bepaling wordt naar behoren uitvoering gegeven aan het Unierecht op het gebied van de bescherming van het milieu;
2° de vaststelling en de inwerkingtreding van een nieuwe bepaling van nationaal recht kunnen de nadelige gevolgen voor het milieu die uit de nietigverklaring van de bestreden bepaling van nationaal recht voortvloeien, niet voorkomen;
3° de nietigverklaring van de bestreden bepaling zou tot gevolg hebben dat er met betrekking tot de uitvoering van het Unierecht op het gebied van de bescherming van het milieu een voor het milieu nadeliger rechtsvacuüm ontstaat, waardoor de nietigverklaring zou resulteren in een lager niveau van bescherming en op die manier zou indruisen tegen de wezenlijke doelstelling van het Unierecht;
4° een uitzonderlijke handhaving van de gevolgen van de bestreden bepaling van nationaal recht heeft alleen betrekking op de periode die absoluut noodzakelijk is om de maatregelen vast te stellen waarmee de vastgestelde onregelmatigheid kan worden verholpen.

​​​​​​​(...)

Er is geen reden om aan te nemen dat de decreetgever niet kan wat de Raad van State wél zou kunnen, te weten: de gevolgen van handelingen van de uitvoerende macht die naar Unierecht onregelmatig zijn, voor een beperkte periode in stand​​​​​​​ houden. De Raad van State ontleent de mogelijkheid tot instandhouding van de gevolgen van onwettige bestuurshandelingen immers aan de wetgever, zodat de wetgever (en de decreetgever, als het om gewestmateries gaat) die bevoegdheid ook zelf kan uitoefenen. De hierboven uiteengezette voorwaarden waaronder de handhaving van de gevolgen van handelingen die in het licht van de Plan-MERrichtlijn onwettig zijn, mogelijk is, verbinden aan die handelingen echter bepaalde kwalitatieve voorwaarden, zodat de decreetgever die beoordeling zelf moet maken als hij de gevolgen van die handelingen in stand wil houden. Er bestaat ook rechtspraak van het Hof van Justitie die regularisaties door de wetgever van onwettige handelingen van de uitvoerende macht toestaat, weliswaar in de context van de Project-MER-richtlijn. In zijn arrest van 17 november 2016 in de zaak C-348/15 deed het Hof van Justitie uitspraak over een prejudiciële vraag van het Oostenrijkse Verwaltungsgerichtshof (administratieve rechtbank) over de verenigbaarheid van een legislatieve validatie met het Unierecht in het algemeen en de Project-MER-richtlijn in het bijzonder. Het Hof bracht in voormeld arrest het volgende in herinnering: “Het Unierecht zich [er] niet tegen verzet dat verrichtingen of handelingen die naar Unierecht onregelmatig zijn, volgens nationale regels in bepaalde gevallen kunnen worden geregulariseerd. Een dergelijke mogelijkheid is evenwel onderworpen aan de voorwaarde dat zij de belanghebbenden niet in de gelegenheid stelt de Unieregels te omzeilen of buiten toepassing te laten, en dus uitzondering blijft” (HvJ 17 november 2016, C-348/15, Stad Wiener Neustadt, punt 36).'

Uit dat arrest van het Hof kan worden opgemaakt dat vergunningen die door een schending van de Project-MER-richtlijn tot stand zijn gekomen, wettelijk gevalideerd kunnen worden, op voorwaarde dat de validatie:
1° gepaard gaat met buitengewone omstandigheden;
2° niet tot gevolg heeft dat aan een onwettige vergunning dezelfde rechtsgevolgen worden toegekend als aan een wettige vergunning, bijvoorbeeld in het kader van een vergunningswijziging of een hervergunning;
3° gepaard gaat met een milieubeoordeling achteraf;
4° het recht op herstel of vergoeding van derden wegens de onwettige handeling niet in het gedrang brengt.

Die voorwaarden stemmen inhoudelijk grotendeels overeen met de voorwaarden waaronder een rechterlijke instantie de gevolgen van een handeling die naar Unierecht onregelmatig is, in stand mag houden. Weliswaar komen daarbij ook de voorwaarden die beantwoorden aan de evenredigheidstoets als het om de validatie van vergunningen gaat.​​​​​​​

Ook de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof staat validatie door de wetgever (in formele zin) van onwettige handelingen van de uitvoerende macht onder bepaalde voorwaarden toe, in het bijzonder in het licht van de internationale en Europese verplichtingen inzake milieueffectrapportage. Een wetgevende validatie is in die context mogelijk, op voorwaarde dat er sprake is van “uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang” en het, voor zover het niet om loutere vormgebreken gaat, een “uiterste redmiddel” betreft, dat beperkt is tot “hetgeen strikt noodzakelijk is” om de doelstellingen van de validatie bereiken (GwH 31 juli 2013, nr. 114/2013; GwH 17 september 2015, nr. 119/2015). Een legislatieve validatie op het vlak van ruimtelijke ordening en milieurecht mag, als uiterste redmiddel, bijgevolg niet op onevenredige wijze afbreuk doen aan de rechten die derden ontlenen aan voormelde internationale en Europeesrechtelijke verplichtingen inzake milieueffectrapportage, zoals die naar analogie in, onder meer, artikel 23 van de Grondwet zijn opgenomen.​​​​​​​

De decreetgever is van oordeel dat er door het uitzonderlijke karakter van de gegeven omstandigheden dwingende motieven van algemeen belang voorliggen, waaronder ook milieubescherming, die een decretaal ingrijpen rechtvaardigen om de vastgestelde strijdigheid van afdeling 5.20.6 van titel II van het VLAREM en de omzendbrief van 2006 met de Plan-MER-richtlijn te regulariseren​​​​​​​.'

Lees de integrale tekst van het voorstel van decreet hier

Bij vragen kunt u bij ons terecht!

Meer tags?