18/01/2022

Overheidsopdrachten – de nationale beperkingen in de beroepsprocedures zijn niet per definitie in strijd met het Unierecht én herbevestiging van de Lombardi-rechtspraak in het Randstad Italia- arrest van 21 december 2021 (nr. C-497/20)

USL schreef een overheidsopdracht uit voor de aanstelling van een arbeidsbureau aan wie de tijdelijke terbeschikkingstelling van personeel zou worden toevertrouwd.

Randstad diende een offerte in, maar behaalde niet de in het bestek vastgestelde minimumscore voor verdere deelname. Zij betwistte vervolgens niet alleen haar eigen uitsluiting, maar ook de wettigheid van het bestek (geen percelen, te vage beoordelingscriteria en onrechtmatige benoeming van de aanbestedingscommissie).

Haar beroep bij de eerste administratieve rechter Tribunale amministrativo werd ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. De rechter verwierp weliswaar de exceptie van niet-ontvankelijkheid van USL, en oordeelde aldus dat Randstad gerechtigd was om ondanks haar uitsluiting ook de gunning zelf in al haar aspecten te betwisten, maar verklaarde deze middelen uiteindelijk zelf ongegrond.

In tweede graad van beroep vernietigde de Consiglio di Stato het vonnis van de Eerste Rechter, stellende dat de exceptie van USL tóch aanvaard had moeten worden, desondanks dat Randstad terecht reeds was uitgesloten en bijgevolg slechts een ‘feitelijk belang’ had.

Randstad stelde tot slot cassatieberoep in bij de Italiaanse Corte suprema di cassazione, betogend dat haar doeltreffende voorziening in rechte werd geschonden. De Italiaanse grondwet voorziet echter enkel in de mogelijkheid tot cassatieberoep tegen de Consiglio di Stato in zoverre het beroep berust op gronden in verband met rechterlijke bevoegdheid, wat in casu niet het geval was.

Daarop stelde de Corte suprema di cassazione een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie, meer bepaald inzake de verenigbaarheid van dergelijke nationale bepaling met het recht op doeltreffende voorziening in rechte in de zin van het Unierecht.

Het Hof bevestigt vooreerst dat het, bij het ontbreken van Unievoorschriften ter zake, krachtens het beginsel van procedurele autonomie een zaak van de interne rechtsorde van de lidstaten is om de regels voor het voeren van een gerechtelijke procedure vast te stellen. Het Unierecht verzet zich er dus in beginsel niet tegen dat de lidstaten de middelen die in de cassatieprocedures kunnen worden aangevoerd, beperken of aan voorwaarden onderwerpen, mits zij de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid naleven.

Van zodra er een beroepsprocedure bestaat die toegankelijk is voor eenieder die belang heeft bij de gunning van een opdracht, is aan het doeltreffendheidsbeginsel voldaan en kan een nationale bepaling die verhindert dat de inhoudelijke beoordeling door de hoogste bestuursrechter nog door de hoogste rechterlijke instantie kan worden onderzocht, niet worden beschouwd als een schending van het Unierecht.

Het Hof herhaalt tot slot in navolging van de arresten Archus en Gama van 11 mei 2017, C-131/16 en Lombardi van 5 september 2019 dat alleen definitieve uitsluiting ertoe kan leiden dat een inschrijver niet meer bevoegd is om tegen de gunningsbeslissing op te komen. In casu lag er geen ‘definitieve uitsluiting’ in de zin van het wettig bevonden zijn door een onafhankelijke beroepsinstantie van de beslissing tot uitsluiting door de aanbestedende overheid voor. Anders dan de Consiglio di Stato had bepaald, had de eerste administratieve rechter dus wel terecht het beroep ten gronde onderzocht.

Meer tags?