09/03/2016

Ontslag contractueel ambtenaar NIET onderworpen aan formele motiveringsplicht, noch aan hoorplicht

Zo oordeelt het Hof van Cassatie in het arrest nr. S.13.0026 van 12 oktober 2015:

'Eerste middel.

1. Krachtens artikel 2 Wet Motivering Bestuurshandelingen moeten de bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 uitdrukkelijk worden gemotiveerd.

Artikel 1 van die wet definieert een bestuurshandeling als de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur en de besturen als de administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

2. Zoals de wetsgeschiedenis aangeeft, volgt uit deze bepalingen niet dat een administratieve overheid die een werknemer ervan in kennis stelt dat zij de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst beëindigt, verplicht is dit ontslag uitdrukkelijk te motiveren.

3. Het arrest dat oordeelt dat de ontslagbrief waarmee de eiseres aan de verweerder ter kennis bracht dat zij besloten had de arbeidsovereenkomst te beëindigen, niet voldoet aan de door de Wet Motivering Bestuurshandelingen opgelegde motiveringsplicht en op die grond beslist tot het bestaan van een fout in hoofde van de eiseres, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond. 

Tweede middel
4. Artikel 32, 3°, Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat behoudens de algemene wijzen waarop de verbintenissen teniet gaan, de verbintenissen voortspruitende uit de door deze wet geregelde overeenkomsten een einde nemen door de wil van een der partijen, wanneer de overeenkomst voor onbepaalde tijd werd gesloten.

Krachtens artikel 37, § 1, eerste lid, Arbeidsovereenkomstenwet heeft ieder der partijen het recht om de arbeidsovereenkomst te beëindigen door opzegging aan de andere wanneer de overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten is.

Artikel 39, § 1, eerste lid, Arbeidsovereenkomstenwet, zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd is gesloten, de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de opzeggingstermijn vastgesteld in de artikelen 59, 82, 83, 84 en 115, gehouden is de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het
resterende gedeelte van die termijn.

5. De regeling inzake de beëindiging van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde duur waarin de voormelde wetsbepalingen voorzien, verplicht een werkgever niet om een werknemer te horen alvorens over te gaan tot diens ontslag. Aan die regeling die overeenkomstig artikel 1, tweede lid, Arbeidsovereenkomstenwet ook de overeenkomsten beheerst van de werknemers tewerkgesteld door de gemeenten en wier toestand niet statutair geregeld is, kan geen afbreuk worden gedaan op grond van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

6. Het arrest oordeelt dat “de beginselen van behoorlijk bestuur, met inbegrip van de hoorplicht,(…) ook van toepassing [zijn] op het ontslag van contractanten” en stelt vast dat de eiseres die met de verweerder een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur had gesloten, heeft nagelaten om de verweerder te horen vooraleer hem te ontslaan.

Het arrest dat op die grond beslist tot het bestaan van een fout in hoofde van de eiseres,  verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.


Het middel is gegrond'. 


Meer tags?