02/02/2021

#coronavirus (56) Sluiting van vakantieparken en kampeerterreinen moet volgens RvS worden heroverwogen

Bij arrest nr. 249.685 van 2 februari 2021 doet de Raad van State uitspraak over een vordering tot schorsing, ingesteld door enkele uitbaters van vakantieparken en campings. Zij klagen het verschil in behandeling aan tussen hun logiesvorm, die als gevolg van een coronamaatregel moet sluiten en alle andere logiesvormen, die open mogen blijven.

De Raad erkent dat door de sluiting het aantal sociale contacten gereduceerd kan worden en dit bijdraagt tot de beheersing van de epdidemie, maar overweegt:

'31. Het gevaar dat sanitaire voorzieningen, speelpleinen voor kinderen of wassalons gemeenschappelijk gebruikt kunnen worden, overtuigt prima facie niet: artikel 6, § 1, tweede lid, van het covidbesluit verbiedt immers hoe dan ook de opening van de “gemeenschappelijke faciliteiten”.

Bovendien gelden voor de logies die verzoeksters aanbieden niet minder de regels inzake verbod op samenscholingen of nauw contact als bedoeld in artikel 15 van het covidbesluit.

32. De doelstelling om sociale contacten terug te dringen laat prima facie begrijpen waarom in een uitzondering wordt voorzien voor verblijfplaatshouders. Een huishouden dat in de besproken logies zijn “gewoonlijke verblijfplaats heeft”, vormt immers niet hetzelfde risico op niet-essentiële mobiliteit en contacten als anderen.

33. De conclusie van wat voorafgaat is, dat de verwerende partij in de huidige stand van de procedure vooralsnog niet erin slaagt, aan te tonen dat zij op het ogenblik van het aannemen van de aangevochten regeling beschikte over hetzij wetenschappelijke adviezen die specifiek ingaan op de thans voorliggende problematiek, hetzij andere, voor haar meer overtuigende of doorwegende redenen, desnoods tegen wetenschappelijke adviezen in, om de door haar gemaakte keuzes te verantwoorden. Aldus kan de Raad niet ertoe komen om – al ware het zeer terughoudend en met respect voor de beleidsruimte van de verwerende partij – de motieven voor het gemaakte onderscheid te beoordelen.

34. Het middel is in de aangegeven mate ernstig.'

De Raad van State stelt dat op het eerste gezicht geen afdoende verantwoording wordt gegeven door de minister. 

De minister is met andere woorden terug aan zet.

Stel hier je vraag bij dit blogbericht


Meindert Gees Corona Raad van State
Meer tags?