07/01/2020

Rechtsmacht en bevoegdheid van de gemeenrechtelijke kortgedingrechter in administratieve aangelegenheden

In een beschikking van 3 januari 2020 zet de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel de puntjes op de i:

Rechtsmacht.

De voorzitter van de burgerlijke rechtbank beschikt over een rechtsmacht om in kortgeding dringende voorlopige maatregelen te bevelen zo de vordering werkelijk en rechtstreeks de subjectieve rechten van eiseres tot voorwerp heeft, met name zo diens vordering er werkelijk en rechtstreeks toe strekt het bestaan van de subjectief (burgerlijk of politiek) recht te doen vastleggen of de eerbiediging van dergelijk recht te doen naleven (vlg. Cass. 26 januari 1995, Arr. Cass. 195, 78.

In tegenstelling tot wat [verweerster] voorhoudt, beroept [eiseres] zich wel degelijk op een eigen subjectief recht, én omschrijft zij dit: ‘namelijk het recht om geen schade te lijden door (een interpretatie van) een overheidsbeslissing die zij onrechtmatig acht en die er zou toe leiden dat haar vergunning zou ophouden te bestaan op 5 januari e.k. zodat zij haar inrichting zou moeten sluiten’.

Dergelijke macht is eveneens bevoegd om de door de overheid bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid begane onrechtmatig geachte aantasting van het subjectief recht te voorkomen als te vergoeden.

Deze bevoegdheid komt eveneens toe aan de kortgedingrechter, binnen de door de wet gestelde grenzen.

Daarbij mag de rechter evenwel niet aan het bestuur zijn beleidsvrijheid opnemen of zich in de plaats stellen van het bestuur.

In de mate eiseres haar vordering steunt op een beweerde onrechtmatige aantasting van subjectieve rechten door de overheid, heeft de burgerlijke rechter rechtsmacht.

Het komt hier bij de rechter in kortgeding toe om in geval van hoogdringendheid voorlopige maatregelen te bevelen ter voorkoming van schade, wanneer deze het gevolg is van een ogenschijnlijke schending van een subjectief recht van één van de partijen, waaraan een rechtsplicht in hoofde van de andere partij beantwoordt.

De kortgedingrechter beschikt in die zin wel degelijk over rechtsmacht om te onderzoeken of dit recht daadwerkelijk bestaat en of het door de overheidsbeslissing daadwerkelijk op onrechtmatige wijze aangetast is.

Bevoegdheid.

Bij het onderzoek naar de vraag of de kortgedingrechter bevoegd is, dient hij na te gaan of de hoogdringendheid uit de gedinginleidende akte blijkt, expliciet of zelfs impliciet.

In de dagvaarding wordt vermeld dat de zaak spoedeisend is. De kortgedingrechter is bijgevolg bevoegd om de grond van de zaak te onderzoeken (Cass. 11 mei 1990, Pas. 1990, I, 1045).

Het is duidelijk dat de gemeenrechtelijke kortgedingrechter zijn rechtsmacht en bevoegdheid ruimer interpreteert dan de administratieve kortgedingrechter.

Referentie: Vz. Rb. Brussel, 3 januari 2020, AR 20/2/C (Pub508398).

Stel hier je vraag bij dit blogbericht


Dirk Van Heuven Gerechtelijk recht
Meer tags?