06/02/2020

Raad voor Vergunningsbetwistingen .... weigert vergunningsaanvraag!

In een opmerkelijk arrest nr. RvVb-A-1920-0465 van 21 januari 2020 spreekt de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich decisief uit over een herhaaldelijk gestelde vergunningsaanvraag voor de oprichting van een halfopen eengezinswoning op grond van de zgn. afwerkingsregel. De Raad vernietigt niet enkel de vergunning, maar weigert eveneens de vergunningsaanvraag op grond van deze redenering:

'1. Het toepasselijke artikel 37 DBRC-decreet luidt onder meer als volgt:

“… § 1. Na gehele of gedeeltelijke vernietiging kan een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), de verwerende partij bevelen om met inachtneming van de overwegingen die opgenomen zijn in zijn uitspraak een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen. Het kan daarbij de volgende voorwaarden opleggen: (…) § 2. Het Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, b), kan, als de nieuw te nemen beslissing, bevolen conform paragraaf 1, eerste lid, het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, het arrest in de plaats stellen van die beslissing. …”

De parlementaire voorbereiding bij dit, door het decreet van 9 december 2016 houdende wijziging van diverse decreten, wat de optimalisatie van de organisatie en de rechtspleging van de Vlaamse bestuursrechtcolleges betreft, in de bovenvermelde zin gewijzigd artikel 37 DBRC-decreet luidt onder meer (Parl.St. Vl.Parl. 2015-16, 777, nr. 1, p. 11):

“… Substitutiebevoegdheid Naast de hierboven aangehaalde aanpassingen, wordt in artikel 37, §2, voorzien in een (beperkte) bevoegdheid tot indeplaatsstelling van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, dit naar analogie met artikel 36, §1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan, wanneer de nieuw te nemen beslissing, bevolen overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, het gevolg is van een zuiver gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, het arrest in de plaats stellen van die beslissing. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het geval waarbij de bestreden beslissing een vergunning verleend heeft voor stedenbouwkundige handelingen, die naar het oordeel van de Raad voor Vergunningsbetwistingen geenszins kunnen worden vergund wegens een onoverkomelijke legaliteitsbelemmering. Omwille van de louter gebonden bevoegdheid, kan het vergunningverlenende bestuursorgaan in dat geval de vergunning enkel weigeren, zodat het overbodig is de zaak terug te verwijzen naar dit bestuursorgaan. Omwille van de efficiëntie is het in dat geval beter dat de Raad zich in de plaats stelt van het betrokken vergunningverlenende bestuursorgaan en op die manier een definitief einde stelt aan het betrokken rechtsgeschil. Deze substitutiebevoegdheid van de Raad moet aldus bijdragen tot een (meer) definitieve geschilbeslechting binnen het vergunningscontentieux.

Het dient evenwel opgemerkt dat deze bevoegdheid enkel kan worden aangewend ingeval er sprake is van een zuiver gebonden bevoegdheid, in die zin dat het vergunningverlenende bestuursorgaan over geen enkele beleidsvrijheid of appreciatiemarge (meer) beschikt bij het nemen van de beslissing. Anders oordelen, zou afbreuk doen aan het beginsel van de scheiding der machten. …”

2. Uit voormeld artikel, zoals toegelicht in de parlementaire voorbereiding, blijkt dat de Raad over een beperkte substitutiebevoegdheid beschikt om, met respect voor de scheiding der machten en met het oog op een efficiënte geschillenbeslechting, zijn arrest in de plaats te stellen van de bestreden beslissing.

3. Uit de beoordeling van het eerste middel blijkt dat de rechtsgrond voor de afwijking van de gewestplanbestemming, de zogenaamde afwerkingsregel, niet kan worden toegepast omdat niet aan de voorwaarden is voldaan nu er geen wachtgevel aanwezig is. Bijgevolg bestaat in hoofde van de verwerende partij een volstrekt gebonden bevoegdheid om de vergunning te weigeren, in navolging van de door de Raad vastgestelde onoverkomelijke legaliteitsbelemmering. De Raad gaat over tot de in artikel 37, §2 DBRC-decreet vermelde indeplaatsstelling’.

Daarmee is het rechtsgeschil in principe definitief van de baan.

Meer tags?