15/06/2022

Over verplaatsingskosten van (federale) ambtenaren

In een arrest nr. 253.979 van 13 juni 2022 verwerpt de Raad van State de vordering ingesteld door een ambtenaar van een federale instelling aangaande de wijze waarop de verplaatsingskosten worden berekend:

‘Verzoeker lijkt te betreuren dat hij niet integraal wordt vergoed voor zijn werkelijke verplaatsingskosten. Dat is evenwel kritiek op artikel 60 van het personeelsstatuut, dat nu eenmaal niet voorziet in een dergelijke integrale terugbetaling maar enkel in een vergoeding voor een bedrag dat gelijkwaardig is aan de tussenkomst die de werknemer krijgt voor het gebruik van het openbaar vervoer. Laatstgenoemde werknemer wordt wel een “integrale terugbetaling” toegezegd voor die reiskosten en de werknemer die met de eigen wagen komt krijgt een hiermee “gelijkwaardig bedrag”. Het moge duidelijk zijn dat het statuut het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer wil aanmoedigen. 

Het valt aan de verwerende partij toe om te bepalen wat een gelijkwaardig bedrag is. De berekening van de kosten als gevolg van het gebruik van het persoonlijk voertuig voor het woon-werkverkeer is niet op eenvoudige manier vast te leggen zoals dit wel bij een abonnementskost van het openbaar vervoer geldt. Dit leidt er op noodzakelijke wijze toe dat de verwerende partij over een bepaalde beleidsvrijheid beschikt, om het gelijkwaardig bedrag vast te leggen. 

Het komt niet onredelijk voor om te werken met een forfaitair bedrag, vertrekkende van de kostprijs van een jaarabonnement voor het openbaar vervoer en pro rata het werkelijk aantal verplaatsingen'.

Stel hier je vraag bij dit blogbericht


Dirk Van Heuven Ambtenarenrecht
Meer tags?