17/03/2020

Vlarem-afstandsregels en substitutiebevoegdheid van de RvVb

Een West-Vlaamse pluimveeslachterij heeft een exponentiële groei van haar bedrijvigheden op de bestaande site op het oog, waardoor ze van een klasse 2-inrichting naar een klasse 1-inrichting zou evolueren. De firma is echter gelegen tegenover een woongebied met landelijk karakter. Conform artikel 5.45.1.2 van titel II van het VLAREM is dergelijke inrichting verboden op minder dan 100 m van woongebied. Op 5 december 2016 had de exploitant hiertoe een afwijking van artikel 5.45.1.2 van titel II van het VLAREM verkregen onder voorwaarden.

De afwijkingsbeslissing werd evenwel aangevochten voor de Raad van State. Met een arrest van 28 november 2019 met nummer 246.203 vernietigt de Raad van State deze ministeriële beslissing, gezien de individuele afwijkingsbeslissing geen technische redenen bleek te omvatten om deze afwijking te verantwoorden (zoals opgelegd door artikel 1.2.2.2. §1 Vlarem II).

Ondertussen werd door de omwonenden evenzeer de omgevingsvergunning tot uitbreiding van de slachterij in jurisdictioneel beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen aangeklaagd. Het bovenvermeld vernietigingsarrest van de Raad van State zorgt voor een beslechting van het vraagstuk in het nadeel van de aanvrager bij de RvVb in het arrest van 18 februari 2020 met nummer RvVb-A-1920-0578.

In dit arrest herhaalt de Raad voor Vergunningsbetwistingen haar beperkte substitutiebevoegdheid in toepassing van artikel 37 DBRC-decreet, met navolgend niettemin de directe toepassing van de indeplaatsstelling:

Uit bovenvermeld artikel, zoals toegelicht in de parlementaire voorbereiding, blijkt dat de Raad over een beperkte substitutiebevoegdheid beschikt om, met respect voor de scheiding der machten en met het oog op een efficiënte geschillenbeslechting, zijn arrest in de plaats te stellen van de bestreden beslissing en om desgevallend de vergunning zelf te weigeren. Met het oog op het respecteren van de scheiding der machten blijft deze bevoegdheid noodzakelijkerwijze beperkt tot die gevallen waarin de verwerende partij als vergunningverlenende overheid slechts beschikt over een gebonden bevoegdheid.

Zoals hierboven bij de beoordeling van het eerste middel werd vastgesteld, kan de aanvraag niet worden ingewilligd omwille van het niet voldoen aan de afstandsregels opgenomen in artikel 5.45.1.2 van Vlarem II, zonder dat daarvoor op het moment van de aanvraag een geldige afwijkingsbeslissing voorligt. Gelet op deze vaststelling bestaat er in hoofde van de verwerende partij een gebonden bevoegdheid om de aanvraag te weigeren en gaat de Raad overeenkomstig artikel 37, §2 DBRCdecreet over tot indeplaatsstelling.

De RvVb geeft de aanvrager niet de mogelijkheid om een nieuwe afwijkingsbeslissing in de lopende procedure (desgevallend na een ‘eenvoudige’ vernietiging) te brengen – deze moest van bij aanvang aanwezig zijn. Veel gekakel, maar geen eieren voor de aanvrager dus.

Stel hier je vraag bij dit blogbericht


Isabelle Verhelle
Meer tags?