26/11/2019

Medegebruik inzake natuurschoon en afwijkingsmogelijkheden stedenbouwkundige voorschriften

In een recent arrest van de Raad van State van 21 november 2019 heeft de Raad nogmaals het uitzonderingskarakter van artikel 4.4.5. VCRO (medegebruik inzake natuurschoon) bevestigd. Zeef- en breekactiviteiten van inerte afvalstoffen kunnen niet onder deze bepaling geschoven worden. De Raad overweegt terzake:

'Zelfs indien aangenomen zou worden dat de geweigerde activiteiten bijdragen tot de realisatie van een duurzame materialenkringloop, zoals door de verzoekende partijen wordt aangevoerd, zijn deze handelingen uit hun aard niet gericht op de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur en het natuurlijk milieu en van landschapswaarden van het betrokken ontginningsgebied. Dit brengt mee dat deze handelingen niet op grond van deze decretale uitzonderingsbepaling kunnen worden vergund, zelfs als aan de gestelde impactvoorwaarde zou zijn voldaan.'

In hetzelfde arrest werd ook artikel 5.6.7. VCRO – dat een afwijkingsmogelijkheid van stedenbouwkundige voorschriften inhoudt – onder de loep genomen. Daarbij werd benadrukt dat de vergunbaarheid op grond van artikel 5.6.7, § 1, VCRO slaat op de inrichting als geheel en niet op de samenstellende milieuvergunningsplichtige onderdelen ervan. Bij de stedenbouwkundige toetsing van een milieuvergunningsaanvraag dient in principe uitgegaan te worden van de volledige inrichting die in de regel bestaat uit onlosmakelijke onderdelen.

Stel hier je vraag bij dit blogbericht


Isabelle Verhelle
Meer tags?