04/02/2021

MAP 6 blijft overeind

Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest van 4 februari 2021 (nr. 19/2021) uitspraak gedaan over het vernietigingsberoep tegen het zesde Mestactieplan (MAP 6).

Concreet werden twee middelen aangevoerd tegen een aantal specifieke bepalingen uit het MAP 6.

In een eerste deel van het eerste middel werd de verplichting tot het inzaaien en aanhouden van vanggewassen uit artikel 14 in vraag gesteld. Deze verplichting werd o.m. in strijd geacht met het beginsel van niet-retroactiviteit van wetten.

Het Grondwettelijk Hof besloot echter tot de ongegrondheid van dit onderdeel op volgende gronden: 

"Gezien de verplichtingen die voortvloeien uit het MAP6 in beginsel betrekking hebben op een volledig kalenderjaar, gebeurt de beoordeling van het al dan niet nakomen van de vanggewasverplichting in beginsel in het jaar volgend op het jaar waarin aan die verplichting diende te worden voldaan. Een vanggewas is een gewas dat na het hoofdgewas wordt geteeld. Het inzaaien van vanggewassen gebeurt aldus in beginsel na de oogst van het hoofdgewas. 
(...)
"Daar het decreet van 24 mei 2019 werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 juli 2019, en daar het inzaaien van vanggewassen na het oogsten van de hoofdteelt kan gebeuren tot uiterlijk 15 september, dan wel 15 oktober, van een bepaald kalenderjaar, kan de bij de bestreden bepalingen ingevoerde vanggewasverplichting, in zoverre zij geldt voor het kalenderjaar 2019, niet worden gekwalificeerd als een regel die van toepassing is op feiten, handelingen en toestanden die definitief waren voltrokken op het ogenblik dat zij in werking is getreden. In zoverre zij betrekking hebben op de verplichting tot het inzaaien en het aanhouden van vanggewassen, hebben de bestreden bepalingen aldus geen retroactieve werking en doen zij bijgevolg niet op een discriminerende wijze afbreuk aan het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten".


Ook de schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel werd niet aanvaard door het Grondwettelijk Hof:

"Rekening houdend met de richtlijn 91/676/EEG, die voorziet in een voor de lidstaten van de Europese Unie geldende verplichting tot het opstellen van actieprogramma’s die moeten worden geëvalueerd en, in voorkomend geval, moeten worden aangepast, konden de landbouwers niet wettig erop vertrouwen dat de geldende maatregelen betreffende het tegengaan van verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen ongewijzigd zouden blijven. 
De omstandigheid dat de teeltplannen voor een bepaald jaar doorgaans worden opgemaakt in het najaar voorafgaand aan dat teeltjaar, belet de landbouwers in beginsel niet om die plannen in de loop van het teeltjaar aan te passen.
(...)

Gelet op het feit dat de doelstellingen van het voorheen bestaande mestactieprogramma niet werden behaald, is het bovendien niet zonder redelijke verantwoording dat de decreetgever met betrekking tot de vanggewasverplichting niet heeft voorzien in overgangsbepalingen".


Het tweede onderdeel van het eerste middel had betrekking op de invoering van een administratieve geldboete met terugwerkende kracht. Het niet-naleven van de vanggewasverplichting kan worden bestraft met een administratieve geldboete van € 250 / hectare (eventueel te verhogen indien in de 5 voorgaande jaren al een administratieve boete is opgelegd wegens het niet of onvoldoende inzaaien of aanhouden van een vanggewas).

Gezien het Grondwettelijk Hof van mening was dat de vanggewasverplichting niet met terugwerkende kracht werd ingevoerd, werd dezelfde visie aangehouden over de corresponderende administratieve geldboete bij niet-naleving van de vanggewasverplichting.

In een derde middelonderdeel werd een schending ingeroepen van de artikelen 10, 11 en 16 Grondwet (al dan niet in samenhang met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM). De exploitatievrijheid van landbouwers zou zonder enige vergoeding beperkt worden.

De vanggewasverplichting heeft tot doel de uitspoeling van nutriënten tegen te gaan in de winterperiode. Meer algemeen tracht de decreetgever de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater te bevorderen, hetgeen een doelstelling van algemeen belang is.

Gezien er aan de vanggewasverplichting bepaalde modaliteiten zijn gekoppeld (afhankelijk van het concrete gebiedstype) vertoont de inmenging in het eigendomsrecht door die verplichting een billijk evenwicht tussen de vereisten van algemeen belang en die van de bescherming van het recht op ongestoord genot van eigendom.

Het gegeven dat de vanggewasverplichting niet gepaard gaat met een vergoeding voor de landbouwers, houdt geen schending in van het beginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten. De vanggewasverplichting is geen maatregel waarvan de gevolgen de last te boven gaan die in het algemeen belang aan een particulier kan worden opgelegd. 

Het eerste middel werd aldus integraal verworpen.

In het tweede middel werd de retroactieve invoering van nitraatresidudrempelwaarden in vraag gesteld. De drempelwaarden variëren naargelang de betrokken teelt- en bodemtypes en naargelang het gebiedstype waarin de landbouwpercelen gelegen zijn. Bij overschrijding van de nitraatresidudrempelwaarden verschillen de gevolgen naargelang de ligging in gebiedstype 0 of een ander gebiedstype (bedrijfsevaluatie, bemestingsplan, teeltfiches, geen derogatie, begeleiding door adviesinstantie). Dit zijn aldus maatregelen die de overheid in staat stellen de evolutie van de nitraatresiduconcentraties op perceels- en bedrijfsniveau te evalueren en op te volgen en de betrokken landbouwers aan te sporen actie te ondernemen teneinde te voorkomen dat de drempelwaarden in de toekomst opnieuw worden overschreden.

Ook over dit middel is het Grondwettelijk Hof van oordeel dat geen schending voorligt van o.a. het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten:

"Gelet op het feit dat de bemonsteringen van de nitraatresidubepalingen dienen te gebeuren in de periode van 1 oktober tot en met 15 november, en ermee rekening houdend dat de maatregelen die van toepassing worden wanneer wordt vastgesteld dat de drempelwaarden zijn overschreden, niet kunnen worden gekwalificeerd als sancties en bovendien pas worden toegepast vanaf het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de te hoge nitraatconcentratie wordt gemeten, kunnen de bepalingen van artikel 15 van het decreet van 22 december 2006, zoals vervangen bij artikel 9 van het decreet van 24 mei 2019, niet worden gekwalificeerd als regels die van toepassing zijn op feiten, handelingen en toestanden die definitief waren voltrokken op het ogenblik dat zij in werking zijn getreden".

De intregale tekst van het arrest kan u hier terugvinden.

Inmiddels werd door de Vlaamse Regering ook overgegaan tot een hertekening van de gebiedstypes (vastgelegd op basis van nitraatmetingen in het grond- en oppervlaktewater).

Doordat de toestand en de trend van de waterkwaliteit blijkbaar verslechterd waren ten opzichte van begin 2019, zijn er meer gebieden bijgekomen waar (strengere) gebiedsgerichte maatregelen uit MAP 6 van toepassing zullen worden.

Heel wat landbouwers zullen zich dan ook geconfronteerd zien met een verhoging van het areaal vanggewassen; verplichting dewelke aldus overeind is gebleven na het arrest van het Grondwettelijk Hof.

Stel hier je vraag bij dit blogbericht


Celine Van De Velde Milieurecht
Meer tags?