25/01/2015

De Raad voor Vergunningsbetwistingen is gebonden door de eerdere feitenbeoordeling van de Raad van State

De Raad van State heeft zich in zijn hoedanigheid als cassatierechter ten aanzien van de Raad voor Vergunningsbetwistingen uitgesproken over de doorwerking van een feitenbeoordeling in een eerder arrest van de Raad van State.

Meer bepaald besliste de Raad van State dat het gezag van gewijsde zich uitstrekt tot de onverbrekelijk met het dictum verbonden motieven waarover betwistingen bestonden en waarover de partijen tegenspraak hebben gevoerd. In casu sloeg het gewijsde op het oordeel van de Raad van State over de vraag of er al dan niet sprake was van herbouw.

In het cassatiearrest van de Raad van State van 2 december 2014 met nummer 229.436 wordt het volgende overwogen:

‘7. Het arrest nr. 212.238 van 25 maart 2011 van de toen nog bevoegde Raad van State dat het beroep van verweerders tegen het besluit van 23 december 2008 van de (toen bevoegde) vergunningverlenende overheid (in graad van administratief beroep) verwerpt, heeft gezag van gewijsde dat zich uitstrekt tot de onverbrekelijk met het dictum verbonden motieven waarover betwistingen bestonden en de partijen tegenspraak hebben gevoerd.

De in dat verwerpingsarrest in één van de verwerpingsgronden gedane vaststellingen dat “uit de gegevens van de zaak blijkt dat onder meer ongeveer de helft van de dragende buitenmuren, alle dragende binnenmuren en de draagstructuur van de vloeren werden vervangen, de funderingen en het volledige dak werden vernieuwd” zijn aldus niet zonder gezag van gewijsde en vormen dus een onweerlegbaar vermoeden.

De thans bevoegde RvVb is gehouden door het gezag van gewijsde van dit verwerpingsarrest van de voordien bevoegde Raad van State bij de beoordeling van het beroep van verweerders tegen het besluit dat de (thans bevoegde) vergunningverlenende overheid (in graad van administratief beroep, in casu verzoekster) heeft genomen omtrent een nieuwe (stedenbouwkundige) regularisatievergunningsaanvraag van verweerders waarin zij voorhouden dat “70 % van de buitenmuren werden bewaard”.

Aldus verbiedt te dezen het gezag van gewijsde dat de RvVb bij de beoordeling van het beroep van verweerders tegen de beslissing van verzoekster deze laatste een onzorgvuldige feitenvinding aan te wrijven, daarbij voorbijgaand aan het onweerlegbaar vermoeden dat “ongeveer de helft van de dragende buitenmuren […] werden vervangen”, anders gezegd dat minder dan 60% van de buitenmuren werden behouden.

8. De middelonderdelen gaan terug op de beoordeling van het eerste middel van verweerders waarin de schending wordt aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van motiveringswet evenals “het gebrek aan rechtens vereiste feitelijke grondslag” omdat
- de beslissing van verzoekster de regularisatievergunning weigert “op basis van de motivering dat bij de te regulariseren werken beweerdelijk ca 50% van de bestaande muren vervangen (ca 95 m² op een totaal van 194 m²) werden”;
- de beslissing van verzoekster “zonder enig motief voorbijgaat aan de duidelijke berekening die door de architect bij de bouwaanvraag werd gevoegd, en louter voortgaat op louter approximatieve gegevens die zijn opgenomen in een Ministerieel Besluit dd. 23 december 2008 […] en op basis van deze louter approximatieve gegevens dan nog komt tot een mathematisch verkeerd besluit”;
- artikel 4.1.1, 12° VCRO “een precieze kwantificering inhoudt, meer bepaald de bewering dat bij [de] uitvoering van de werken meer dan 40 % van de buitenmuren van het gebouw zou zijn vervangen”.

Het bestreden arrest verklaart het middel gegrond na een verwijzing in de feitenuiteenzetting van het in randnummer 7 aangehaalde arrest van de Raad van State en na het in herinnering brengen van de aangehaalde decretale definities van ver- en herbouwen en van het aan “hem opgedragen legaliteitstoezicht”, op grond van volgende overwegingen:
- “de notie ‘verbouwingswerken’ … [is] verankerd […] aan het percentage van de buitenmuren dat behouden blijft bij het uitvoeren van aanpassingswerken”;
- met toepassing van “artikel 145bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals van toepassing op het moment van de eerste regularisatieaanvraag” dat “geen precieze criteria [had] gedefinieerd […] en aan de hand [van] een eerder approximatieve berekening van de uitgevoerde aanpassingswerken”, kwam het ministerieel “besluit van 23 december 2008 tot de vaststelling […] dat deze werken dermate ingrijpend waren dat er geen sprake meer was van ‘verbouwen’”;
- vastgesteld wordt dat “er onduidelijkheid bestaat omtrent dat gedeelte van de buitenmuren dat behouden is gebleven en dat er manifeste verschillen bestaan tussen de berekening” van verweerders “in het vergunningsaanvraagdossier […] en deze waarop de bestreden beslissing zich baseert”;
- verzoekster kon op basis van “een aantal benaderende gegevens […] uit het ministerieel besluit van 23 december 2008 en door de door [verweerders] aangedragen gegevens louter te weerleggen als ‘dit in tegenstelling tot wat wordt beweerd door de aanvrager (70 %)’” in de bestreden beslissing “niet in redelijkheid, en aan de hand van de vereiste zorgvuldige feitenvinding, tot het besluit […] komen dat de uitgevoerde werken moeten worden beschouwd als een herbouw”.

9. Door aldus te besluiten tot een onzorgvuldige feitenvinding miskent het bestreden arrest het gezag en gewijsde van de in randnummer 7 vermelde vaststellingen in het arrest van de Raad van State en schendt het artikel 4.8.2 VCRO.

10. De middelonderdelen zijn in de gegeven mate gegrond.’‘7. Het arrest nr. 212.238 van 25 maart 2011 van de toen nog bevoegde Raad van State dat het beroep van verweerders tegen het besluit van 23 december 2008 van de (toen bevoegde) vergunningverlenende overheid (in graad van administratief beroep) verwerpt, heeft gezag van gewijsde dat zich uitstrekt tot de onverbrekelijk met het dictum verbonden motieven waarover betwistingen bestonden en de partijen tegenspraak hebben gevoerd.

De in dat verwerpingsarrest in één van de verwerpingsgronden gedane vaststellingen dat “uit de gegevens van de zaak blijkt dat onder meer ongeveer de helft van de dragende buitenmuren, alle dragende binnenmuren en de draagstructuur van de vloeren werden vervangen, de funderingen en het volledige dak werden vernieuwd” zijn aldus niet zonder gezag van gewijsde en vormen dus een onweerlegbaar vermoeden.

De thans bevoegde RvVb is gehouden door het gezag van gewijsde van dit verwerpingsarrest van de voordien bevoegde Raad van State bij de beoordeling van het beroep van verweerders tegen het besluit dat de (thans bevoegde) vergunningverlenende overheid (in graad van administratief beroep, in casu verzoekster) heeft genomen omtrent een nieuwe (stedenbouwkundige) regularisatievergunningsaanvraag van verweerders waarin zij voorhouden dat “70 % van de buitenmuren werden bewaard”.

Aldus verbiedt te dezen het gezag van gewijsde dat de RvVb bij de beoordeling van het beroep van verweerders tegen de beslissing van verzoekster deze laatste een onzorgvuldige feitenvinding aan te wrijven, daarbij voorbijgaand aan het onweerlegbaar vermoeden dat “ongeveer de helft van de dragende buitenmuren […] werden vervangen”, anders gezegd dat minder dan 60% van de buitenmuren werden behouden.

8. De middelonderdelen gaan terug op de beoordeling van het eerste middel van verweerders waarin de schending wordt aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van motiveringswet evenals “het gebrek aan rechtens vereiste feitelijke grondslag” omdat
- de beslissing van verzoekster de regularisatievergunning weigert “op basis van de motivering dat bij de te regulariseren werken beweerdelijk ca 50% van de bestaande muren vervangen (ca 95 m² op een totaal van 194 m²) werden”;
- de beslissing van verzoekster “zonder enig motief voorbijgaat aan de duidelijke berekening die door de architect bij de bouwaanvraag werd gevoegd, en louter voortgaat op louter approximatieve gegevens die zijn opgenomen in een Ministerieel Besluit dd. 23 december 2008 […] en op basis van deze louter approximatieve gegevens dan nog komt tot een mathematisch verkeerd besluit”;
- artikel 4.1.1, 12° VCRO “een precieze kwantificering inhoudt, meer bepaald de bewering dat bij [de] uitvoering van de werken meer dan 40 % van de buitenmuren van het gebouw zou zijn vervangen”.

Het bestreden arrest verklaart het middel gegrond na een verwijzing in de feitenuiteenzetting van het in randnummer 7 aangehaalde arrest van de Raad van State en na het in herinnering brengen van de aangehaalde decretale definities van ver- en herbouwen en van het aan “hem opgedragen legaliteitstoezicht”, op grond van volgende overwegingen:
- “de notie ‘verbouwingswerken’ … [is] verankerd […] aan het percentage van de buitenmuren dat behouden blijft bij het uitvoeren van aanpassingswerken”;
- met toepassing van “artikel 145bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals van toepassing op het moment van de eerste regularisatieaanvraag” dat “geen precieze criteria [had] gedefinieerd […] en aan de hand [van] een eerder approximatieve berekening van de uitgevoerde aanpassingswerken”, kwam het ministerieel “besluit van 23 december 2008 tot de vaststelling […] dat deze werken dermate ingrijpend waren dat er geen sprake meer was van ‘verbouwen’”;
- vastgesteld wordt dat “er onduidelijkheid bestaat omtrent dat gedeelte van de buitenmuren dat behouden is gebleven en dat er manifeste verschillen bestaan tussen de berekening” van verweerders “in het vergunningsaanvraagdossier […] en deze waarop de bestreden beslissing zich baseert”;
- verzoekster kon op basis van “een aantal benaderende gegevens […] uit het ministerieel besluit van 23 december 2008 en door de door [verweerders] aangedragen gegevens louter te weerleggen als ‘dit in tegenstelling tot wat wordt beweerd door de aanvrager (70 %)’” in de bestreden beslissing “niet in redelijkheid, en aan de hand van de vereiste zorgvuldige feitenvinding, tot het besluit […] komen dat de uitgevoerde werken moeten worden beschouwd als een herbouw”.

9. Door aldus te besluiten tot een onzorgvuldige feitenvinding miskent het bestreden arrest het gezag en gewijsde van de in randnummer 7 vermelde vaststellingen in het arrest van de Raad van State en schendt het artikel 4.8.2 VCRO.

10. De middelonderdelen zijn in de gegeven mate gegrond.'
Meer tags?