13/04/2022

De miskenning van de onpartijdigheidsplicht in tuchtzaken wordt niet vermoed

In het schorsingsarrest nr. 243.793  van 22 februari 2019 vond de Raad van State de de aanwezigheid van het afdelingshoofd personeel als tuchtnotulist niet problematisch, zelfs al had het afdelingshoofd de initiële klacht van een personeelslid tegenover de betrokken ambtenaar overgemaakt aan de burgemeester. Evenwel overwoog de Raad: 

'Anders wordt het, op het eerste gezicht, wanneer blijkt dat K.D. zich op het eind van de verhoren – op 4 juni 2018 – zelf out als een uitgesproken en felle getuige ten laste van verzoeker. (...)  Het is een wending die ongemakkelijk stemt.

Voor zoveel hieruit zou moeten worden afgeleid dat K.D. niet zonder negatieve vooringenomenheid tegenover verzoeker stond of dat er minstens een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid is, blijft hoe dan ook nog vereist, opdat het de opgelegde tuchtstraf zou vitiëren, dat het op enigerlei wijze een impact op die tuchtstraf heeft kunnen hebben. 

Wat dat betreft, wordt in de tuchtstraf overwogen ‘dat een notulist enkel noteert wat er gezegd wordt tijdens het verhoor, niet meer en niet minder’, dat het dit is wat K.D. gedaan heeft, dat zij op geen enkele manier zelf vragen heeft gesteld aan het personeel of de gesprekken tussen de tuchtonderzoeksters en het verhoorde personeel gestuurd, dat geen enkel personeelslid dat trouwens beweert, dat alle processen-verbaal van verhoor bovendien voor ‘gelezen en goedgekeurd’ ondertekend werden door de betrokken personeelsleden, waarmee zij uitdrukkelijk bevestigen dat de inhoud van het proces-verbaal overeenstemt met wat zij verklaarden, en dat verzoeker deze processen-verbaal niet van valsheid in geschrifte heeft beschuldigd.

Deze overwegingen zijn op het eerste gezicht terecht'.

In het niet-vernietigingsarrest nr. 253.481 van 8 april 2022 voegt de Raad van State daaraan toe:

'Anders dan verzoeker meent, is de loutere aanwezigheid van K.D. als tuchtnotulist niét voldoende om tot nietigverklaring te besluiten. Opdat de in het middel aangevoerde schending van “het onpartijdigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur” tot nietigverklaring kan leiden, moet de schending redelijkerwijze geacht kunnen worden van invloed te zijn geweest op de bestreden beslissing. Verzoeker overtuigt er niet van dat het loutere optreden van K. D. als tuchtnotulist geacht kan worden op enige manier de tuchtstraf te hebben geïmpacteerd.

In zoverre, voorts, verzoeker beweert dat de rol van K. D. zich niet tot die van tuchtnotulist beperkte, maar dat zij ook betrokken zou zijn geweest “bij de keuze en de uitnodiging van de personeelsleden en ex-personeelsleden die ls getuigen werden gehoord” en dat zij het eerste opgeroepen ex-personeelslid zelfs “geprepareerd” zou hebben, is het aan hem om zulks te doen aannemen. Maar dat doet hij niet. Inzonderheid volstaat het daartoe niet om op te merken dat er niet mag worden van uitgegaan dat K. D. zich wél tot die rol heeft beperkt of om te opperen dat het ten minste een mogelijkheid is dat zij dat niet deed'.

Stel hier je vraag bij dit blogbericht


Dirk Van Heuven Tucht
Meer tags?