11/05/2015

Is de hersteltermijn in arrest Raad voor Vergunningsbetwistingen bindend?

Bij een vernietigingsarrest geeft de RvVb aan binnen welke termijn een herstelbesluit moet worden genomen.

De Raad van State oordeelt als cassatierechter in het arrest nr. 230.559 van 17 maart 2015 dat deze termijn bindend is:

'7. Het toentertijd geldende artikel 4.7.23, § 2, VCRO bepaalt wat volgt:

“De deputatie neemt haar beslissing binnen een vervaltermijn van vijfenzeventig dagen, die ingaat de dag na deze van de betekening van het beroep. Deze vervaltermijn wordt verlengd tot honderdvijf dagen, indien toepassing wordt gemaakt van het mondelinge of schriftelijke hoorrecht, vermeld in § 1, eerste lid. Indien geen beslissing wordt genomen binnen de toepasselijke vervaltermijn, wordt het beroep geacht afgewezen te zijn.”

Deze bepaling wordt in de memorie van toelichting als volgt toegelicht:

“In de nieuw voorgestelde tekst wordt bovenvermelde termijn stééds een vervaltermijn, één en ander in het licht van een transparante en goede procesorde. Het vaste beginsel dat besturen steeds verplicht zijn om uitspraak te doen over een georganiseerd administratief beroep, noopt ertoe om aan het stilzitten van een administratieve overheid, oordelend in beroep, een bepaald rechtsgevolg te verbinden.

Indien geen notificatie geschiedt binnen een termijn van 75 [respectievelijk] 150 dagen, zo bepaalt het nieuwe artikel 133/52, §2, tweede lid, DRO, dan wordt het beroep geacht afgewezen te zijn. Die
stilzwijgende weigering kan dan bestreden worden voor de Raad voor vergunningsbetwistingen” (Ontwerp van decreet, Parl. St. Vl. Parl. 2008-2009, nr. 2011/1, 189).

Het toentertijd geldende artikel 4.8.3, § 1, tweede lid, eerste zin, VCRO bepaalt wat volgt:

“De Raad kan het bestuur dat de vernietigde beslissing nam, bevelen om een nieuwe beslissing te nemen, binnen de door de Raad bepaalde termijn.”

Deze bepaling wordt in de parlementaire voorbereiding als volgt toegelicht:

“Wanneer de Raad de onregelmatigheid van een beslissing vaststelt, kan hij de bestreden vergunningsbeslissing vernietigen. De Raad kan het bestuur, dat de vernietigde beslissing nam, bevelen om een nieuwe beslissing te nemen, onder de door de Raad gestelde voorwaarden. Deze
voorwaarden hebben inzonderheid betrekking op de termijn waarbinnen de nieuwe beslissing genomen moet worden […]” (Ontwerp van decreet, Parl. St. Vl. Parl. 2008-2009, nr 2011/1, 215).
Over het voorontwerp van deze decretale bepaling gaf de afdeling Wetgeving van de Raad van State volgend advies: 

“Op grond van het ontworpen artikel 124, § 1, derde lid, van het decreet van 18 mei 1999 kan de Raad voor vergunningsbetwistingen bij de vernietiging van een vergunnings- of valideringsbeslissing het bestuur bevelen een nieuwe beslissing te nemen […]. Daarbij kan de Raad ‘afwijken van de bij of krachtens dit decreet bepaalde procedurevoorschriften, in zoverre zulks verantwoord wordt vanuit
proceseconomische redenen en de nood aan een snel en efficiënt rechtsherstel’.

Doordat de Raad voor vergunningsbetwistingen gemachtigd wordt om bestaande - zelfs decretale - regels terzijde te schuiven, staat deze regeling op gespannen voet met de scheiding der machten, de normenhiërarchie en de rechtsstaat. Dat een rechtscollege dat verondersteld wordt decretale regels toe te passen, ze ook terzijde mag schuiven, niet wegens strijdigheid met hogere regels, maar wegens eigen inzichten, vormt een inbreuk op die drie beginselen.

Dergelijke regeling kan slechts worden aanvaard onder het voorbehoud dat de gevallen van afwijking in het ontwerp worden bepaald of dat de machtiging aan strikte criteria wordt gekoppeld” (Ontwerp van decreet, Parl. St. Vl. Parl. 2008-2009, nr 2011/1, 953-954).

Als gevolg van dit advies is het ontworpen artikel aangepast zoals hiervoor aangehaald.

8. Uit de stukken van het dossier waarop de Raad van State vermag acht te slaan, blijkt dat het voormelde arrest van 28 augustus 2012 een eindarrest is in de zin van het toen geldende artikel 4.8.26 VCRO. Dit arrest heeft tot gevolg dat de deputatie zich opnieuw geplaatst ziet voor de verplichting om over het administratief beroep van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar uitspraak te doen.

De deputatie beschikt daarvoor over de vervaltermijn bepaald in het toentertijd geldende artikel 4.7.23, § 2, VCRO tenzij, zoals te dezen het geval is, de duur van die termijn met toepassing van het toentertijd geldende artikel 4.8.3, § 1, tweede lid, VCRO wordt bepaald in het vernietigingsarrest van
de RvVb zelf. 

Het vernietigingsarrest van 28 augustus 2012 van de RvVb  wijkt enkel af van de duur van de vervaltermijn in het toentertijd geldende artikel 4.7.23, § 2, VCRO. Dit arrest wijkt niet af van de aard van de vervaltermijn in laatstgenoemde decreetsbepaling.

Overigens was het de RvVb gelet op het bepaalde in het toentertijd geldende artikel 4.8.3, § 1, tweede lid, VCRO, ook niet toegelaten om benevens van de duur van de vervaltermijn tevens af te wijken van de aard van de vervaltermijn in het toentertijd geldende artikel 4.7.23, § 2, VCRO.

9. Het bestreden arrest dat overweegt dat “[d]e vervaltermijnen, opgenomen in artikel 4.7.23, § 2 VCRO […] volledig los[staan] van de termijnen opgelegd door de Raad in de jurisdictionele procedure” en “de termijn, opgelegd door de Raad op grond van artikel 4.8.3 VCRO een ordetermijn” is, schendt het toentertijd geldende artikel 4.7.23 VCRO, samengelezen met het toentertijd geldende artikel 4.8.3 VCRO.

Het eerste middel is gegrond'

In het eerder arrest nr. 222.258 van 25 januari 2013 besliste de Raad van State anders:

'IV. Onderzoek van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

5. De tussenkomende partij stelt dat “de vordering (…) zonder voorwerp (is) geworden”. Zij betoogt dat de RvVb met het beroepen arrest dat gezag van gewijsde heeft, aan de verwerende partij bevolen heeft om een nieuwe beslissing te nemen binnen een termijn van drie maanden die inmiddels is verstreken zonder dat de verwerende partij een nieuwe beslissing heeft genomen.

Bij toepassing van artikel 4.7.23 § 2, tweede lid VCRO wordt hierdoor het administratief beroep van onder meer de tussenkomende partij geacht afgewezen te zijn en “beschikt (de verwerende partij) niet langer over de vereiste rechtsmacht om zich uit te spreken over het dossier”. De tussenkomende partij leidt hieruit af dat de verzoeker “in dat opzicht (…) niet langer over het vereiste belang” beschikt. De verzoeker werd “immers impliciet in het gelijk gesteld”. De tussenkomende partij stelt nog deze impliciet afwijzende beslissing ook aan te vechten voor de RvVb.

6. Artikel 4.8.2, derde lid VCRO bepaalt dat als de Raad een beslissing vernietigt, hij het bestuur dat de vernietigde beslissing nam, kan bevelen om een nieuwe beslissing te nemen binnen de termijn die hij bepaalt.

7. Artikel 4.7.23, § 2 VCRO bepaalt dat de deputatie in de administratieve beroepsprocedure haar beslissing neemt binnen een vervaltermijn van vijfenzeventig dan wel honderdvijf dagen en dat “indien geen beslissing wordt genomen binnen de toepasselijke vervaltermijn (…) het beroep geacht (wordt) afgewezen te zijn”.

8. De exceptie die steunt op de sanctie in artikel 4.7.23, § 2 VCRO voor het overschrijden van de door de RvVb bevolen termijn bedoeld in artikel 4.8.2, derde lid VCRO, faalt naar recht.'
Meer tags?