01/04/2020

#coronavirus (34). Corona, de hoorplicht en de rechten van de verdediging

Steeds meer procedures gebeuren schriftelijk tijdens de coronacrisis. Voor de gewone administratieve rechters kan steeds minder gepleit worden. Elke advocaat zal bevestigen dat dit een handicap is: soms zegt een intonatie, een grapje, een gezichtsuitdrukking of een vingeraanwijzing op een kaart méér dan 1000 woorden in een tekst. 

Het is geweten dat er zoiets bestaat als de hoorplicht: wanneer de overheid een ernstige (negatieve) maatregel tegenover een bestuurde wegens een tekortkoming wil nemen, dan moet hij deze bestuurde op voorhand horen. Er is sprake van de rechten van de verdediging in straf- en tuchtzaken, maar het resultaat is identiek.

De vraag stelt zich of er een recht is om mondeling gehoord te worden, zelfs in deze coronatijden? 

De Raad van State heeft eerder gesteld dat de hoorplicht niet noodzakelijk een mondeling verhoor vergt (RvS 29 juni 2009, nr. 194.764).

Daartegenover staat dat de Raad van State heeft geoordeeld dat de naleving van de rechten van de verdediging 'behoudens uitdrukkelijk andersluidende bepaling' het recht inhoudt om zich mondeling te verdedigen (RvS 27 oktober 2011, nr. 216.101). Dit leunt aan bij het beginsel dat een strafproces mondeling verloopt (Rb. Brussel 12 december 2018, nr. 18N032269). Dit is o.i. tot op vandaag het geval: strafzaken blijven mondeling verlopen (en worden daarom desgevallend sine die uitgesteld)

De grens tussen de hoorplicht en de rechten van de verdediging vervaagt (I. OPDEBEEK en S. DE SOMER, Algemeen bestuursrecht, Grondslagen en beginselen, 368 met verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie en het Hof van Cassatie). Wij menen dat bij zeer ernstige sancties, zoals een publieke herstelvordering (ook voor de burgerlijke rechter) of de opheffing van een omgevingsvergunning, de betrokkene gerechtigd blijft om mondeling gehoord te worden, al is het maar middels videoconferentie.