12/02/2020

Advies gemeente steeds noodzakelijk in administratief beroep

Artikel 59, tweede lid van het Omgevingsvergunningsdecreet bepaalt uitdrukkelijk dat het advies van het college van burgemeester en schepenen dan wel van de gemeentelijke omgevingsambtenaar dient te worden ingeroepen in administratief beroep, tenzij het beroep zou zijn ingesteld door het college zelf.

In een zaak waarbij het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg de omgevingsvergunning had verleend, en waarbij – na beroep van een derde – de deputatie niet het advies van het CBS of de GOA (wederom) had ingewonnen, heeft de Raad terecht gesteld dat de navolgende vergunningverlening door de deputatie met een onwettigheid is behept. De RvVb overwoog dat het CBS alsnog andersluidend had kunnen adviseren:

De Raad stelt vast dat noch uit de bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier, blijkt dat het decretaal vereiste advies van het college van burgemeester en schepenen in graad van administratief beroep werd ingewonnen. De Raad kan dan ook niet anders dan de schending van voormelde bepaling vaststellen.

De stelling van de tussenkomende partij, dat het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg een vergunning heeft verleend en aldus geacht kan worden een gunstig advies te verlenen, kan immers niet tegen de duidelijke bewoordingen van voormeld artikel in worden aangenomen. Het normdoel en de ratio legis van deze adviesverplichting houdt in dat het betrokken college van burgemeester en schepenen advies verleent met kennis van zaken van het beroepschrift. De stelling dat het standpunt van het college van burgemeester en schepenen hoe dan ook gekend is, omdat zij de vergunning in eerste aanleg heeft verleend, wordt door de Raad niet bijgetreden. Het is niet betwist dat het college van burgemeester en schepenen in eerste aanleg geen kennis had van het standpunt van de verzoekende partij, doordat zij nagelaten heeft in dat stadium het standpunt op te vragen. Het is bijgevolg niet bij voorbaat uit te sluiten dat het college van burgemeester en schepenen andersluidend zou hebben geoordeeld indien zij wel kennis had van dit standpunt. De Raad kan hierop niet vooruitlopen.

(RvVb-A-1920-0280 van 19 november 2019)

Doorslaggevend is het feit dat het CBS de argumenten van de derde-beroepsindiener niet kende bij het verlenen van de vergunning. Het dossier kaderde immers binnen de vereenvoudigde procedure zonder openbaar onderzoek.

Meer tags?