14/01/2019

Vordering tot schadevergoeding wegens tekortaanbod in Nederlandstalig basisonderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verworpen

Vier ouders en een belangenvereniging vorderden schadevergoeding van respectievelijk de Belgische Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Gemeenschapsonderwijs en de Vlaamse Gemeenschzapscommissie omdat er onvoldoende aanbod beschikbaar zou zijn in het Nederlandstalige basisonderwijs in het Brusselse Gewest. Daardoor zouden de ouders hun kinderen niet of niet naar een dichtbijzijnde Nederlandstalige onderwijsinstelling kunnen sturen.

De rechtbank oordeelt dat de belangenvereniging geen eigen schade - anders dan deze van de ouders - bewijzen wegens miskenning van het opgeworpen 'recht op inschrijving in de school naar keuze van de ouders'.

De vordering tegen de Belgische Staat wordt verworpen omdat deze - behoudens irrelevante uitzonderingen zoals de duur van de leerplicht - niet bevoegd is inzake het basisonderwijs.

Wat de vordering tegen de Vlaamse Gemeenschap betreft, ongetwijfeld bevoegd, overweegt de rechtbank dat  het Kinderrechtenverdrag geen absoluuut inschrijvingsrecht in basisscholen garandeert, maar dat er hoogstens een inspanningsverbintenis geldt.  Ook artikel 24 Grondwet garandeert geen recht op onderwijs naar keuze.Wat de inspanningsverbintenis betreft is de rechtbank de mening toegedaan dat geen fout bewezen is in achtgenomen  budgettiare overwegingen en de complexiteit omdat ook het Franstalig onderwijs in het Brussels Gewest actief is. Het kan niet de bedoeling zijn om de infrastructuur constant aan te passen, rekening houdende met de momentane wensen van de ouders. Verder wijst de rechtbank met veel cijfermateriaal op de aanzienlijke inspanningen van de Vlaamse Gemeenschzap inzake het Nederlandstalig basisonderwijs in het Brussels Gewest, niettegenstaande zij ook met capaciteitsproblemen andere centrumsteden wordt geconfronteerd. Voor het Brussels basisonderwijs wordt 19% van alle capaciteitsbudgetten uitgetrokken, alhoewel er slechts 4,4% van de schoolpopulatie wordt opgevangen. Nog wijst de rechtbank erop dat de Vlaamse Gemeenschap pas kan investeren nadat deene of andere  inrichtende macht daadwerkelijk heeft beslist haar capaciteit uit te willen breiden.

Wat GO! betreft, die zowel als centrale inrichtende macht wordt aangesproken als als scholengroep, herhaalt de rechtbank dat er geen resultaatsverbintenis inzake capaciteit geldt. Er wordt verder gewezen op de budgettaire beperkingen van het Gemeenscjhapsonderwijs en op haar initiatieven om middelen te verzamelen via verkoop van niet langer dienstige infrastructuur en via alternatieve financiering (DBFM). De rechtbank beslist dat de beschikbare middelen door GO! wel degelijk worden aangewend voor capaciteitsuitbreiding. Er wordt gewezen op de aanzienlijke capaciteitsaangroei van de laatste jaren. De rechtbank wijst er tenslotte op dat geen van de ouders kan bewijzen geprobeerd te hebben hun kinderen in één van de onderwijsinstellingen van het GO! te hebben ingeschreven.

Ook de vordering tegen de Vlaamse Gemeenschapscommissie wordt verworpen. Zij is te beschouwen als de opvolger van het proivinciaal onderwijs en heeft als gesubsidieerde overheid van het officieel onderwijs geen verplichting basisonderwijs aan te bieden buiten haar 'specialiteit' van het bijzonder onderwijs. Weliswaar is er een schijnbare parallelle bevoegdheid in onderwijsaangelegenheden (artikel 64BWHI) maar die wordt begrensd door de toezichtsbevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap.. Waar VGC wordt aangesproken als facilitator, wordt gewezen op de bijzondere inspanningen van de Vlaamse Gemeenschapscommissie om het capaciteitsprobleem aan te pakken.

Ref. Brussel 3 januari 2019, nr. 2019/25, ng.

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven, Onderwijsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
12/04/2019

Schadevergoedingsaanspraak verworpen doordat eiser niet heeft ingeschreven op de nieuwe overheidsopdracht na het door eiser uitgelokt vernietigingsarrest van de Raad van State

In een boeiend vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde van 15 maart 2019, werd de schadeaanspraak van een niet gekozen inschrijver die succesvol de gunningsbeslissing aan een derde had aangevochten voor de Raad van State, verworpen.

De rechtbank argumenteert

‘Op dit punt oordeelt de rechtbank dat de causaliteit tussen de onbetwiste fout van I. en de door V. geldend gemaakt schade verbroken is door de houding van V. zelf.
In de eerste plaats is V. gehouden aan een schadebeperkingsplicht, tweedes is schadeherstel in natura de primaire herstelvorm, financiële schadevergoeding slechts een subsidiaire herstelvorm wanneer herstel in natura onmogelijk of onwenselijk is. Door de heropening van de openbare opdracht heeft I. aan V. – en de andere inschrijvers – herstel in natura geboden en de kans alsnog de opdracht toegewezen te krijgen.
Het is de keuze van V. geweest hierop niet in te gaan, welke reden zij hiertoe ook gehad moge hebben. Deze keuze doorbreekt de causaliteit tussen de ingeroepen fout en de beweerde schade’.

Referentie: Rb. Dendermonde, 15 maart 2019, nr. 2019/3359 (pub505211-2).

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsaansprakelijkheid, Rechtsbescherming overheidsopdrachten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
12/04/2019

Publius wordt aanbevolen door Legal 500 2019!

Publius wordt aanbevolen door Legal 500 2019 in de categorie ‘Environment’. Voor het eerst worden alle Publius vennoten bij naam genoemd!

Dit jaar luidt de commentaar als volgt: ‘Specialist public law firm Publius has a sizeable client roster of public authorities - including federal, regional and local authorities - and it is also highly active in private company engagements as well. Its team undertakes a mix of standalone advisory work, environmental due diligence and litigation. Illustrative of the firm's profile in contentious matters, Steve Ronse and recently promoted partner Meindert Gees are acting for the Flemish government in the national airport noise case, which concerns noise pollution at Zaventem Airport. Other key clients include the City of Kortrijk, Decathlon and Ethias Insurance. Dirk Van Heuven, Günther L’heureux, Jan Beleyn and Sofie Logie are other notable partners.’

Blog Publius Nieuws
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/04/2019

Onverdoofd slachten naar Hof van Justitie

In de zaak over het Vlaamse decreet dat het verbod op onverdoofd slachten invoert, stelt het Grondwettelijk Hof 3 prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, vooraleer het zich uitspreekt over de grond van de zaak. Het Grondwettelijk Hof ziet zich daartoe verplicht, aangezien er twijfel is over de interpretatie en de geldigheid van de Europese verordening uit 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden.

Het Grondwettelijk Hof licht het arrest nr. 53/2019 van 4 april 2019 als volgt toe in zijn persnota:

'Bij zijn arrest 53/2019 over het Vlaamse decreet beslist het Hof om drie prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, vooraleer zich uit te spreken over de grond van de zaak. Het Hof is daartoe verplicht wanneer er twijfel is over de interpretatie of de geldigheid van een bepaling van het recht van de Europese Unie die van belang is voor de oplossing van een geschil.

Verschillende verzoekers werpen op dat het verbod op onverdoofd slachten een schending zou inhouden van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in samenhang gelezen met de bepalingen van de Europese verordening nr. 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden. Die verordening verplicht in de regel verdoving bij het slachten van dieren. Ritueel slachten zonder voorafgaande verdoving wordt bij wijze van uitzondering toegestaan. Die uitzondering is ingegeven omwille van de vrijheid van godsdienst, die wordt gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De grote kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft dit bevestigd bij zijn arrest van 29 mei 2018 in de zaak C-426/16, waar het zich heeft uitgesproken over de vereiste dat rituele slachtingen zonder verdoving enkel mogen plaatsvinden in een erkend slachthuis. Het Hof stelt vervolgens vast dat de Europese verordening de lidstaten uitdrukkelijk toelaat om nationale voorschriften aan te nemen die de bescherming van dieren bij het doden uitgebreider beschermen dan de verordening zelf voorschrijft.

Het Hof wenst dan ook van het Hof van Justitie te vernemen of die toelating zo kan worden geïnterpreteerd dat de lidstaten een algemeen verbod op onverdoofd slachten, zoals vervat in het Vlaamse decreet, mogen invoeren (eerste prejudiciële vraag). Indien dit volgens het Hof van Justitie het geval zou zijn, vraagt het Hof aan het Hof van Justitie of de verordening in overeenstemming is met de vrijheid van godsdienst, gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (tweede prejudiciële vraag). Tot slot stelt het Hof op verzoek van verscheidene partijen een derde vraag aan het Hof van Justitie, indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord. Het Hof wenst te vernemen of de verordening geen discriminatie veroorzaakt doordat de lidstaten de uitzondering voor religieuze slachtingen kunnen inperken, terwijl het doden van dieren zonder verdoving wel wordt toegelaten bij de jacht, de visvangst en sportieve of culturele evenementen (derde prejudiciële vraag)'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk recht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
31/03/2019

Verzwaarde motiveringsplicht bij afbraak geïnventariseerd onroerend erfgoed

Dit wordt als volgt verwoord in het arrest nr RvVb-A-1819-0711 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 12 maart 2019:

'De verwerende partij is door [het advies van het agentschap Onroerend Erfgoed] niet gebonden en kan hiervan afwijken, wel heeft zij de verplichting om het andersluidend advies in haar beoordeling en besluitvorming te betrekken. Het volstaat hierbij dat de verwerende partij de andersluidende elementen van het advies in de motivering van de bestreden beslissing ontmoet, en dat uit de bestreden beslissing blijkt waarom zij afwijkt van de andere zienswijze van het agentschap Onroerend Erfgoed en op welke punten. De verwerende partij dient het andersluidend advies niet noodzakelijk punt voor punt te weerleggen. Uit de motivering van de bestreden beslissing moet expliciet of impliciet blijken waarom verwerende partij het advies niet bijtreedt.

Wanneer de verwerende partij, zoals in casu, in haar beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening, in het bijzonder wat betreft de erfgoedwaarden van het (te slopen) huis en de wenselijkheid van de afbraak, afwijkt van het gemotiveerd ongunstig advies van het agentschap Onroerend Erfgoed en de beslissing van de verzoekende partij in eerste administratieve aanleg en oordeelt dat het huis toch mag worden gesloopt, vereisen de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel dat zij haar beslissing op dit punt des te concreter en zorgvuldiger motiveert.

Zij neemt in die omstandigheden, waarbij wordt afgeweken van een advies aangaande een relevant en te beoordelen aspect, een niet evidente beslissing, waardoor grotere eisen kunnen worden gesteld aan haar verplichting tot formele motivering en zorgvuldigheid, in het bijzonder met betrekking tot de overwegingen van het agentschap Onroerend Erfgoed inzake de erfgoedwaarden van het huis en de vraag tot het bijsturen van het project en het zoeken naar een geschikte functie voor de woning’.

Referentie: pub6904

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Erfgoed
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags