31/01/2018

Veel ruimte voor sociale gunningscritia in nieuwe Overheidsopdrachtenwet

Dat blijkt toch uit het arrest van de Raad van State nr. 240.322 van 27 december 2017:

'Wat de ernst van het middel betreft, wordt vastgesteld dat overeenkomstig artikel 81, § 2, eerste lid, 3°, en tweede lid, wet overheidsopdrachten 2016, de economisch meest voordelige offerte uit het oogpunt van de aanbestedende overheid wordt vastgesteld rekening houdend met de beste prijs-kwaliteitsverhouding die bepaald wordt op grond van de prijs of de kosten alsook criteria waaronder kwalitatieve, milieu- en/of sociale aspecten, die verband houden met het voorwerp van de betrokken opdracht. Nog volgens deze bepaling mag het daarbij onder meer gaan om criteria inzake sociale, milieu- en innovatieve kenmerken, de handel en de voorwaarden waaronder deze plaatsvindt. Volgens artikel 81, § 3, eerste lid, wet overheidsopdrachten 2016, worden gunningscriteria geacht verband te houden met het voorwerp van de overheidsopdracht wanneer zij betrekking hebben op de in het kader van die opdracht te verrichten werken, leveringen of diensten, in alle opzichten en in elk stadium van de levenscyclus ervan, met inbegrip van factoren die te maken hebben met het specifieke productieproces, het aanbieden of de verhandeling van deze werken, leveringen of diensten, of een specifiek proces voor een andere fase van de levenscyclus ervan, zelfs wanneer deze factoren geen deel uitmaken van de materiële basis ervan.

Reeds op het eerste gezicht lijkt aldus te mogen worden vastgesteld dat de Belgische en Europese – artikel 81 wet overheidsopdrachten 2016 is immers de quasi woordelijke omzetting van artikel 67 van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 ‘betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG’ – wetgever de krijtlijnen waarbinnen een gunningscriterium wordt geacht verband te houden met het voorwerp van de opdracht, zeer ruim hebben getrokken.

Overweging 97 van deze richtlijn 2014/24/EU stelt de betere integratie van sociale en milieucriteria in de aanbestedingsprocedures voorop, “in ieder opzicht en in elk stadium van de levenscyclus, van de winning van grondstoffen voor het product tot de verwijdering van het product”, “zelfs als deze factoren niet tot de materiële essentie van het werk, de levering of de dienst behoren”. Aldus lijkt de aanbestedende overheid zelfs ook extrinsieke elementen te mogen betrekken bij het vaststellen van een gunningscriterium.

Het is binnen deze ruime perken dat de aanbestedende overheid mag kiezen welke gunningscriteria zij zal hanteren bij de beoordeling van de offertes, om te bepalen welke volgens haar de economisch meest voordelige offerte is. Zij beschikt daarbij in beginsel over een aanzienlijke beoordelingsvrijheid. Het komt niet aan de Raad van State toe om in de plaats van de aanbestedende overheid te bepalen welke criteria zij dient te hanteren. Wel komt het hier aan de Raad van State toe om na te gaan of het gehanteerde gunningscriterium het rechtens vereiste verband vertoont met het voorwerp van de opdracht'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsopdrachten overheidscontracten & PPS
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
14/01/2019

Vordering tot schadevergoeding wegens tekortaanbod in Nederlandstalig basisonderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verworpen

Vier ouders en een belangenvereniging vorderden schadevergoeding van respectievelijk de Belgische Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Gemeenschapsonderwijs en de Vlaamse Gemeenschzapscommissie omdat er onvoldoende aanbod beschikbaar zou zijn in het Nederlandstalige basisonderwijs in het Brusselse Gewest. Daardoor zouden de ouders hun kinderen niet of niet naar een dichtbijzijnde Nederlandstalige onderwijsinstelling kunnen sturen.

De rechtbank oordeelt dat de belangenvereniging geen eigen schade - anders dan deze van de ouders - bewijzen wegens miskenning van het opgeworpen 'recht op inschrijving in de school naar keuze van de ouders'.

De vordering tegen de Belgische Staat wordt verworpen omdat deze - behoudens irrelevante uitzonderingen zoals de duur van de leerplicht - niet bevoegd is inzake het basisonderwijs.

Wat de vordering tegen de Vlaamse Gemeenschap betreft, ongetwijfeld bevoegd, overweegt de rechtbank dat  het Kinderrechtenverdrag geen absoluuut inschrijvingsrecht in basisscholen garandeert, maar dat er hoogstens een inspanningsverbintenis geldt.  Ook artikel 24 Grondwet garandeert geen recht op onderwijs naar keuze.Wat de inspanningsverbintenis betreft is de rechtbank de mening toegedaan dat geen fout bewezen is in achtgenomen  budgettiare overwegingen en de complexiteit omdat ook het Franstalig onderwijs in het Brussels Gewest actief is. Het kan niet de bedoeling zijn om de infrastructuur constant aan te passen, rekening houdende met de momentane wensen van de ouders. Verder wijst de rechtbank met veel cijfermateriaal op de aanzienlijke inspanningen van de Vlaamse Gemeenschzap inzake het Nederlandstalig basisonderwijs in het Brussels Gewest, niettegenstaande zij ook met capaciteitsproblemen andere centrumsteden wordt geconfronteerd. Voor het Brussels basisonderwijs wordt 19% van alle capaciteitsbudgetten uitgetrokken, alhoewel er slechts 4,4% van de schoolpopulatie wordt opgevangen. Nog wijst de rechtbank erop dat de Vlaamse Gemeenschap pas kan investeren nadat deene of andere  inrichtende macht daadwerkelijk heeft beslist haar capaciteit uit te willen breiden.

Wat GO! betreft, die zowel als centrale inrichtende macht wordt aangesproken als als scholengroep, herhaalt de rechtbank dat er geen resultaatsverbintenis inzake capaciteit geldt. Er wordt verder gewezen op de budgettaire beperkingen van het Gemeenscjhapsonderwijs en op haar initiatieven om middelen te verzamelen via verkoop van niet langer dienstige infrastructuur en via alternatieve financiering (DBFM). De rechtbank beslist dat de beschikbare middelen door GO! wel degelijk worden aangewend voor capaciteitsuitbreiding. Er wordt gewezen op de aanzienlijke capaciteitsaangroei van de laatste jaren. De rechtbank wijst er tenslotte op dat geen van de ouders kan bewijzen geprobeerd te hebben hun kinderen in één van de onderwijsinstellingen van het GO! te hebben ingeschreven.

Ook de vordering tegen de Vlaamse Gemeenschapscommissie wordt verworpen. Zij is te beschouwen als de opvolger van het proivinciaal onderwijs en heeft als gesubsidieerde overheid van het officieel onderwijs geen verplichting basisonderwijs aan te bieden buiten haar 'specialiteit' van het bijzonder onderwijs. Weliswaar is er een schijnbare parallelle bevoegdheid in onderwijsaangelegenheden (artikel 64BWHI) maar die wordt begrensd door de toezichtsbevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap.. Waar VGC wordt aangesproken als facilitator, wordt gewezen op de bijzondere inspanningen van de Vlaamse Gemeenschapscommissie om het capaciteitsprobleem aan te pakken.

Ref. Brussel 3 januari 2019, nr. 2019/25, ng.

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven, Onderwijsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/01/2019

Besluit over de handhaving van het integraal handelsvestigingsbeleid gepubliceerd in Belgisch Staatsblad

Vandaag werd het besluit van de Vlaamse regering van 26 oktober 2018 houdende diverse bepalingen over de handhaving van het integraal handelsvestigingsbeleid gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. 

Het besluit bepaalt onder meer hoe de aanwijzing van gewestelijke toezichthouders gebeurd, legt de basisbedragen van de exclusieve bestuurlijke geldboete vast en stelt de beroepsprocedure tegen de opgelegde bestuurlijke maatregelen vast. 

Merkwaardig is dat het besluit niettegenstaande de publicatie op heden in werking is getreden op 1 november 2018.

U vindt de integrale tekst van het besluit hier

02/01/2019

Dagvaarding uitgaande van natuurlijke persoon moet vanaf 1 februari 2019 diens rijksregisternummer melden

In ons vorig blogbericht hebben we u in kennis gesteld van  de wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.

Deze wet verhoogt niet enkel de rolrechten voor de gewone rechtbanken, maar legt ook een nieuwe verplichte melding op in de gedinginleidende akten voor de gedwoine rechtbanken (veelal een dagvaarding). Daartoe wordt onder meer artikel 702 Ger.W. aangepast dat vanaf 1 februari 2019 als volgt zal luiden:

'Behalve de vermeldingen bepaald in artikel 43, bevat het exploot van dagvaarding, gvaarding uitgaande van natuurlijke persoon moet diens rijksregisternummer melden, de volgende opgaven:
1° de naam, de voornaam en de woonplaats van de eiser en, in voorkomend geval, zijn rijksregister- of ondernemingsnummer ;
2° de naam, de voornaam en de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de gedaagde;
3° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
4° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
5° de plaats, de dag en het uur van de terechtzitting'.

De nieuwigheid zit hem erin dat natuurlijke personen thans hun rijksregisternummer moeten melden in de gedinginleidende akte.  Blijkbaar is het de bedoeling later de inning van de rolrechten te vergemkkelijken.

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/01/2019

Nieuw jaar, hogere rolrechten voor gewone rechtbanken

Op 20 december 2018 werd de wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De rolrechten werden verhoogd en vastgelegd als volgt:

- in de vredegerechten en de politierechtbanken, een recht van 50 euro (in plaats van 40 euro);
- in de rechtbanken van eerste aanleg en de rechtbanken van koophandel, een recht van 165 euro (in plaats van 100 euro);
- in de hoven van beroep een recht van 400 euro (in plaats van 210 euro);
- in het Hof van Cassatie een recht van 650 euro (in plaats van 375 euro).

De griffierechten dienen niet langer voorgeschoten te worden bij het begin van de procedure door de verzoekende partij, maar deze vallen nu onmiddellijk ten laste van de veroordeelde partij en worden geïnd op het einde van de procedure. De griffierechten zullen ingevorderd worden door de FOD Financiën, nadat de rechter in de zaak zijn eindbeslissing heeft genomen.

De nieuwe wet treedt in werking treden op 1 februari 2019, zijnde de eerste dag van de tweede maand die volgt op de bekendmaking ervan in het BS. De wet zal aldus van toepassing zijn op de zaken waarvan de inschrijving wordt verzocht vanaf 1 februari 2019.

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht, Gerechtskosten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags