10/10/2014

De beslissing over de wegen. Een sterk blokkeringsmiddel voor de gemeente in stedenbouwzaken

In de zaak die aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het (nog) niet gepubliceerde arrest nr. A/2014/0650 van 23 september 2014 was voorgelegd, werd door de verzoeker beroep aangetekend tegen de weigeringsbeslissing van de deputatie, niettegenstaande er geen beslissing was gekomen van de gemeente over de wegenis.

De Raad verwerpt de vordering:

‘Artikel 4.2.17, §2 VCRO luidt als volgt:

‘…Indien de verkavelingsaanvraag wegeniswerken omvat waaromtrent de gemeenteraad beslissingsbevoegdheid heeft en het vergunningverlenende bestuursorgaan oordeelt dat de verkavelingsvergunning van zijnentwege kan worden verleend, dan neemt de gemeenteraad een beslissing over de zaak van de wegen, alvorens het vergunningverlenende bestuursorgaan een beslissing neemt over de verkavelingsaanvraag. …’

Een verkavelingsvergunning kan niet verleend worden zonder een voorafgaande beslissing van de gemeenteraad omtrent die wegenis.

Anders dan de verzoekende partij aanhaalt bestaat er in hoofde van de verwerende partij als orgaan van actief bestuur in het kader van het administratief beroep geen mogelijkheid om voorafgaand aan een te nemen definitieve beslissing de gemeente te sommeren een beslissing te nemen over het tracé van de wegen. De decreetgever heeft niet willen raken aan de volheid van bevoegdheid van de gemeenteraad inzake de aanleg van nieuwe verkeerswegen, de tracéwijziging en de verbreding of opheffing ervan, die blijkt uit de artikelen 2 en 42 van het gemeentedecreet.

De verzoekende partij kan evenmin gevolgd worden waar zij stelt dat het uitblijven van een beslissing van de gemeenteraad zou leiden tot een negatie van haar beroepsmogelijkheid. Een beslissing van de gemeenteraad over de wegenis, of het uitblijven ervan, is een autonome beslissing te nemen door de gemeenteraad en is in voorkomend geval vatbaar voor een zelfstandig annulatieberoep bij de Raad van State, hetgeen de verzoekende partij verzuimd heeft te doen.

Gelet op de vaststaande legaliteitsbelemmering wegens het ontbreken van een voorafgaande beslissing van de gemeenteraad over het tracé van de wegenis van de aangevraagde verkaveling onderzoekt de Raad de ingeroepen middelen niet ten gronde gezien zij niet kunnen leiden tot een andersluidende beslissing. De verzoekende partij heeft geen belang bij het door haar ingestelde beroep. Een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing op grond van andere motieven belet niet dat de verwerende partij in het kader van een eventuele herstelbeslissing noodzakelijk tot eenzelfde beslissing zal komen, gelet op het ontbreken van de beslissing van de gemeenteraad over de wegenis.

Het beroep tot vernietiging is onontvankelijk bij gebrek aan belang.’

Inmiddels heeft de deceertgever ingegrepen door het nieuwe artikel 4.2.25 VCRO.


Ref.: Pub501035, arrest nr. A/2014/0650 van 23 september 2014.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Wegen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
11/04/2013

Bestaat een recht op zicht naar en van autosnelwegen?

Het hof van beroep te Gent beantwoordt deze belangwekkende vraag niet echt in een arrest van 15 maart 2013.

Een bedrijf verzette zich tegen het plaatsen van geluidsmuren waardoor het zicht naar zijn bedrijf vanuit de snelweg zou ongedaan gemaakt worden.

Het hof verwerpt de vordering bij gebreke aan bewezen urgentie:

'Het hof is evenwel van oordeel dat de vordering van appellante hoe dan ook ongegrond is bij gebreke aan bewezen urgentie.

Appellante stelt voor dat haar vestiging momenteel zichtbaar is vanaf de autosnelweg E40 (waarbij het tussen deze vestiging en de autosnelweg gelegen onbebouwde terrein haar eigendom is) en dat aan deze toestand een einde zou komen wanneer langs de autosnelweg ter hoogte van haar eigendom geluidswerende schermen zouden worden opgetrokken; zij stelt dat zij hierdoor ernstige economische schade zal lijden.

Aannemend dat de loutere zichtbaarheid van het bedrijf van appellante van op de autosnelweg haar een bepaald publicitair/commercieel voordeel oplevert, en aannemend dat (in het beste geval) de exacte omvang van economische schade per definitie slechts a posteriori kan worden aangetoond/berekend, toch maakt appellante op geen enkele wijze waarschijnlijk (nog los van de vraag of deze zichtbaarheid in haar hoofde een “recht” uitmaakt dat door “haar nabuur” al of niet “foutief” zou worden geschonden of miskend) dat het louter verlies van deze zichtbaarheid (wel te verstaan gedurende de periode dat de kwestieuze geluidspanelen door haar beweerd zich wederrechtelijk naast haar eigendom zouden bevinden) haar een “dermate ernstige” economische schade zou toebrengen (waarvan de hoegrootheid door haar niet eens niet bij grove benadering wordt omschreven, laat staan waarschijnlijk gemaakt) dat mocht appellante ten aanzien van geïntimeerde aanspraak kunnen maken op de vergoeding van deze (louter financiële) schade, deze vergoeding haar niet in nuttige tijd of in nuttige orde door de bodemrechter zou kunnen worden toegekend en door geïntimeerde zou kunnen worden uitgekeerd, en aldus van aard zou zijn bij hoogdringendheid een (overigens ingrijpende) tussenkomst van de kortgedingrechter te verantwoorden.

Dit klemt des te meer nu uit het voorliggende fotomateriaal blijkt dat er van op de autosnelweg slechts een beperkte zichtbaarheid is op het bedrijf van appellante (m.n. voornamelijk voor het verkeer komende vanuit de richting Brussel, waarbij over de andere rijrichting heen moet worden gekeken door een open ruimte in een bomenrij waarachter het bedrijf van appellante op enige afstand van de autostrade gelegen is: het zicht vanuit de rijrichting kust wordt anderzijds door deze bomenrij grotendeels belemmerd).

Het vorenstaande geldt daarenboven zonder rekening te houden met het feit dat de open ruimte er (minstens mede) gekomen is na het (zonder hiertoe over de vereiste stedenbouwkundige vergunning te beschikken) kappen van bomen aldaar ten verzoeke van appellante (nl. 40 jonge bomen, overwegend esdoorn), waaromtrent op 31 januari 2005 weliswaar een regularisatievergunning werd verkregen, doch dit onder voorwaarde dat er “20 inheemse loofbomen, zoals es of zomereik” zouden worden heraangeplant uiterlijk voor 31 december 2005. Minstens bestaat geen duidelijkheid over de vraag of deze heraanplanting al of niet gebeurd is, zodat er minstens vragen rijzen nopens rechtmatigheid waarop het open zicht (minstens ten dele) werd verkregen/wordt behouden zodat ter beoordeling van de omvang van dit open zicht mogelijks moet uitgegaan worden van de situatie waarin bijkomend 20 bomen zouden zijn heraangeplant'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Overheidsaansprakelijkheid, Wegen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
30/05/2012

Beroepsrechter bevestigt: gemeente creëert geen “zeer gevaarlijke verkeerssituatie” door het ontbreken van bijzondere signalisatieborden

Reeds eerder hebben we u bericht over een vonnis van de politierechtbank te Kortrijk op 16 februari 2011 waarbij de vordering tegen de gemeente werd afgewezen.

Er was, aldus eisende partij (in tussenkomst), op een “onoverzichtelijk kruispunt” een "verwarrende en zeer gevaarlijke situatie" door het ontbreken van bijzonder signalisatie (geen enkel verkeersbord dat de voorrang regelt, hetzij een verkeersbord B15, hetzij een verkeersbord B17), daar waar op de andere hoeken van het kruispunt wél een verkeersbord B17 was aangebracht. Daardoor was, aldus de eiser, de weg die toegang gaf tot de lokale begraafplaats, onzichtbaar en werd een ongeval veroorzaakt waarvoor de gemeente dan verantwoordelijk zou zijn.

De politierechter besliste in eerste aanleg dat (a) de loutere omstandigheid dat er geen verkeerstekens waren aangebracht, noch binnen de bebouwde kom, noch buiten de bebouwde kom, geenszins een abnormaal gevaar vormt dat van aard is om het rechtmatig vertrouwen van de weggebruiker die op een normale wijze gebruik maakt van een rijbaan te verschalken en (b) bij afwezigheid van verkeerstekens het Wegverkeersreglement van toepassing blijft en er door de weggebruiker zodoende rekening dient gehouden te worden met voorrang van rechts.

De beroepsrechter bevestigt:

“Samen met de eerste rechter is deze rechtbank van oordeel dat de gemeente O. geen inbreuk op artikel 78 Wegverkeersreglement kan worden verweten aangezien er geen werken in uitvoering waren en er dan ook geen bijzondere signalisatie diende te worden voorzien.

Krachtens artikel 135 § 2 van de Nieuwe Gemeentewet heeft de gemeente de verplichting om voldoende veilige wegen voor het verkeer open te stellen en te verhelpen aan ieder abnormaal gevaar. Het gaat hier niet om een resultaatsverbintenis.

Bestuurder V.L. draagt de bewijslast dat het kruispunt abnormaal gevaarlijk was. Verwijzend naar de pertinente en omstandige redenering van de eerste rechter is deze rechtbank van oordeel dat het niet bewezen voorkomt dat het kwestieuze kruispunt abnormaal gevaarlijk was. Het hoekhuis en de haag maakten de rechts gelegen weg niet onvoorzienbaar en onzichtbaar. Daar waar de links gelegen Boomgaardstraat toch zeer duidelijk zichtbaar was, moet bestuurder V.L. toch ook de rechts gelegen openbare weg gezien hebben, die op de foto’s niet kan worden opgevat als onzichtbaar of als een private weg. Het is niet omdat de verbalisanten spreken van een “onoverzichtelijk kruispunt” dat de weg naar de begraafplaats onzichtbaar was.

Uit de afwezigheid van verkeersborden kan niet zomaar een gevaarlijke situatie worden afgeleid aangezien in die omstandigheden de voorrang van rechts als regel dient te worden toegepast. De gemeente O. was er niet toe verplicht om op dat bewuste kruispunt een verkeersbord B17 te plaatsen. Zij verwijst daartoe naar artikel 8.9. van het Ministerieel Besluit van 11 oktober 1976 houdende de minimum afmetingen en bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens waaruit blijkt dat een dergelijk verkeersbord in een aantal gevallen moet geplaatst worden en dat dit in onderhavig geval niet toepasselijk is.

V.L. draagt de bewijslast maar bewijst niet dat hij op een voorrangsweg reed en hij er mocht vanuit gaan dat hij voorrangsgerechtigd was over de ganse breedte van de rijbaan.

Het vonnis van de eerste rechter wordt bevestigd in al zijn onderdelen.”

Referentie Rb. Kortrijk, 15 mei 2012, ng. (referentie Pub502394)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Overheidsaansprakelijkheid, Wegen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
30/05/2012

Kerkhofwegel = openbare weg

Zo oordeelde alvast de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, in graad van beroep, in een vonnis van 15 mei 2012:

“Op basis van de voorhanden zijnde gegevens, zijnde het proces-verbaal van de verbalisanten en de voorgelegde foto’s is deze rechtbank, net zoals de eerste rechter van oordeel dat de kerkhofwegel een openbare weg is. Een openbare weg in de zin van artikel 1 Wegverkeersreglement is elke weg die openstaat voor het verkeer van het publiek en niet voorbehouden is voor een specifieke categorie van personen. Nergens werd een vermelding aangebracht “private weg”. De verharding die werd aangebracht, betrof daarenboven dezelfde als deze van de Grotstraat en de Boomgaardstraat. Het feit dat deze weg geen naambord draagt noch werd opgenomen in de wegenatlas doet geen afbreuk aan het openbaar karakter. In die zin maakt de rechtbank de pertinente motivering van de eerste rechter tot de hare.

Deze openbare weg kwam uit op de Grotstraat waarmee het een kruispunt vormde. De bepalingen van het verkeersreglement zijn dan ook toepasselijk op dit kruispunt.”

Referentie Rb. Kortrijk, 15 mei 2012, ng. (referentie Pub502394)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Wegen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
19/07/2007

Verplaatsing van nutsleidingen

Het zevende lid van het enige artikel van de wet van 17 januari 1938 bepaalt:

"De Staat, de provinciën en de gemeenten hebben in alle geval het recht om de inrichting of het plan van een aanleg evenals de daarmede verband houdende werken later op hun onderscheidenlijk domein te doen wijzigen. Worden wijzigingen opgelegd hetzij om reden van de openbare veiligheid of tot behoud van natuurschoon, hetzij in het belang van de wegen, waterloopen, vaarten of van een openbaren dienst, hetzij als gevolg van veranderingen welke de aangelanden aan de toegangen tot de eigendommen langsheen de gebezigde wegen hebben toegebracht, dan zijn de kosten der werken ten laste van de aanneming, die den aanleg heeft gedaan; in de andere gevallen komen ze ten laste van de overheid die de wijzigingen oplegt."

In het kader van de werken voor de HSL, vroeg de NMBS onder andere aan IGAO en aan AWW om hun leidingen te verplaatsen. De discussie over de kostprijs van deze verplaatsing leidde tot het arrest van het Hof van Cassatie van 22 juni 2007 (Cass. AWW/NMBS Holding en IGAO/NMBS Holding, C.05.0514.N en -C.05.0518.N/19).

In dit arrest oordeelde het Hof van Cassatie:

1. De bovengrondse kruising van een lager gelegen gewone weg door een spoorweg, ook al steunt deze bovengrondse kruising op een bouwwerk dat rust op de lager gelegen weg, heeft op de plaats van die kruising niet de inlijving tot de spoorweg tot gevolg van de lager gelegen weg. Werken aan de bovengrondse spoorweg kunnen dus geen aanleiding geven tot de toepassing van het zevende lid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938 voor de verplaatsing van leidingen onder de lagergelegen gewone weg omdat deze gewone weg geen deel uitmaakt van de spoorweg.

2. Een overheid kan zich enkel beroepen op dit zevende lid op een moment dat de grond waaronder zich de te verplaatsen leidingen bevinden nog niet onder haar beheer, maar onder het beheer van een andere overheid vallen.

Gepost door Tim Vermeir

Tags Nutsvoorzieningen, Wegen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags