30/05/2017

Nieuwe watertoetskaart 2017

Op 29 mei 2017 werd in het Belgisch Staatsblad een aangepaste versie van de kaart met aanduiding van overstromingsgevoelige gebieden bekendgemaakt.

Dit betekent dat wat voorheen wel of niet beschouwd werd als mogelijk of effectief overstromingsgevoelig gebied, dit vanaf nu niet noodzakelijk meer is en omgekeerd.

Reden van deze aanpassing was de beschikbaarheid van een betere modellering van de waterlopen, wat een aanpassing van de laag van effectief overstromingsgevoelige gebieden noodzaakte. 

De nieuwe kaart is te raadplegen via http://www.waterinfo.be/default.aspx?path=NL/loketten/geoloket en is van toepassing vanaf 1 juli 2017.

Voor vergunningsaanvragen ingediend voor 30 juni 2017 blijft de oude kaart van toepassing. Dit geldt ook voor voorontwerpen van ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvan de uitnodiging voor de plenaire vergadering voor die datum werd verstuurd. Belangrijk is ook dat bij overeenkomsten de nieuwe kaart van toepassing is als de onderhandse akte (bv. compromis aankoop nieuwe woning) dateert van na 30 juni 2017, authentieke akten na 30 juni 2017 wanneer er geen onderhandse akte voorligt én openbare verkopen waarvan de verkoopverrichtingen werden aangevat na 30 juni 2017.

 

Gepost door Meindert Gees

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Meindert Gees, Vlaams omgevingsrecht, Watertoets
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
31/08/2013

Nieuwe adviesregeling bij stedenbouwkundige vergunningen en RUP's wordt op 1 september 2013 van kracht!

Vanaf 1 september 2013 wijzigt de regeling rond adviesvragen voor stedenbouwkundige vergunningen en ruimtelijke uitvoeringsplannen.

Dat is het gevolg van de wijziging van 2 besluiten:

- het besluit van de Vlaamse Regering van 11 mei 2001 tot aanwijzing van de instellingen en administraties die adviseren over voorontwerpen van ruimtelijke uitvoeringsplannen, vervangen door het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013.

- het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot aanwijzing van de instanties die over een vergunningsaanvraag advies verlenen, vervangen door het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013.

Ruimtelijke uitvoeringsplannen.
De wijzigingen zijn van toepassing op voorontwerpen van ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvan de uitnodiging voor de plenaire vergadering wordt verstuurd na de inwerkingtreding van dit besluit, dus 1 september 2013.

Voor het Agentschap Onroerend Erfgoed.
Door het besluit van 12 juli 2013 is er geen adviesverplichting meer wanneer het ruimtelijk uitvoeringsplan ligt in een gezichtsveld van een beschermd monument. De adviesverplichting wordt beperkt tot een adviesverplichting als de gronden of de erop aanwezige constructies, gelegen binnen de grenzen van het plan, geheel of ten dele zijn beschermd als monument, of eraan palen.Nieuw is dat het advies van het Agentschap Onroerend Erfgoed gevraagd moet worden bij ruimtelijke uitvoeringsplannen als de gronden of de erop aanwezige constructies, gelegen binnen de grenzen van het plan, geheel of ten dele zijn afgebakend als erfgoedlandschap.

Voor het Agentschap Ondernemen.
Door het besluit van 12 juli 2013 zal het Agentschap Ondernemen om advies gevraagd moeten worden bij de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan als de gronden, gelegen binnen de begrenzing van het ruimtelijk uitvoeringsplan volgens de bestaande plannen (plannen van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplannen) geheel of ten dele specifiek zijn bestemd voor de vestiging van kleinhandelsbedrijven of voorzien in een concentratie van kleinhandelsbedrijven.   Dit is een voorafname op de nieuwe Vlaamse handelvestigenreglementering, eenmaal de regionalisering een feit is.
 
Voor het Agentschap Wonen-Vlaanderen.
Door het besluit van 12 juli 2013 zal het Agentschap Wonen Vlaanderen niet langer om advies gevraagd worden bij de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen op gronden die gelegen zijn binnen de perimeter van woonvernieuwingsgebieden, zoals afgebakend in uitvoering van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode. Wel zal het advies van het Agentschap moeten worden gevraagd bij de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan als de gronden, gelegen binnen de begrenzing van het uitvoeringsplan,  de bestemming woongebied of een ermee vergelijkbaar gebied verkrijgen, voor zover de bestemmingswijziging betrekking heeft op ten minste een halve hectare.

Stedenbouwkundige vergunningsaanvragen.

De wijzigingen zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die worden ingediend na 1 september 2013.

Voor het Agentschap Onroerend Erfgoed.
Door het besluit van 12 juli 2013 wordt de adviesverplichting van het Agentschap Onroerend Erfgoed op de volgende drie punten aangepast:

1° De adviesverplichting in de buurt van een monument wordt beperkt tot een adviesverplichting voor percelen die palen aan voorlopig of definitief beschermde monumenten. Er is dus geen adviesverplichting meer in het gezichtsveld van een monument

2° Wat betreft de adviesverplichting bij een vergunningsaanvraag voor handelingen in erfgoedlandschappen, zal het Agentschap alleen nog advies verlenen voor aanvragen m.b.t. (a) gebouwen of constructies die zijn opgenomen in de vastgestelde inventaris van het bouwkundig erfgoed, vermeld in artikel 12/1 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten; (b) percelen die in gemengd openruimtegebied met cultuurhistorische waarde liggen; (c) het optrekken of plaatsen van een constructie die in agrarisch gebied in de ruime zin of in ruimtelijk kwetsbaar gebied ligt; (d)  aanmerkelijke reliëfwijzigingen, het aanleggen of wijzigen van recreatieve terreinen of het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond als vermeld in artikel 4.2.1, 5°, VCRO.
Hiermee samenhangend wordt ook het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening aangepast, waardoor de vergunningsplicht voor meldingsplichtige handelingen in erfgoedlandschappen niet langer behouden wordt. Hierdoor wordt de meldingsplicht voortaan ook in erfgoedlandschappen van toepassing

3° Het besluit van 12 juli 2013 voert ten slotte bij werelderfgoed een gradatie van de adviesverplichting in via een zonering van de bufferzone. De bufferzone wordt ingedeeld in een binnen- en een buitenzone, waarbij de binnenzone een strook betreft van 100 meter breed vanaf het werelderfgoed. Het Agentschap Onroerend Erfgoed zal om advies gevraagd moeten worden voor alle vergunningsplichtige handelingen aan de goederen die erkend zijn als werelderfgoed en in de binnenzone van de bufferzone. In de rest van de bufferzone (de zgn. buitenzone), op meer dan 100 meter van het werelderfgoed, wordt de bestaande adviesverplichting ingeperkt tot die handelingen die betrekking hebben op constructies die een hoogte van 15 meter hebben of bereiken

Voor het Departement Landbouw en Visserij. 
Door het besluit van 12 juli 2013 wordt de adviesverplichting van het Departement Landbouw en Visserij beperkt tot die stedenbouwkundige vergunningsaanvragen waarbij er een impact op de agrarische structuur wordt verwacht. Voor vergunningsaanvragen zonder of met een zeer beperkte impact op de agrarische structuur, wordt niet langer in een adviesverplichting van het Departement voorzien. Zo moet er bijvoorbeeld geen advies gevraagd worden voor vellen van bomen in agrarische gebieden. Anderzijds moet geen advies meer gevraagd worden aan het Departement voor verbouwen of herbouwen van zonevreemde constructies, waarbij toepassing wordt gemaakt van de decretale basisrechten (Art. 4.4.10 tot 4.4.22). Wel zal het Departement advies verlenen over aanvragen die verband houden met landbouw, ongeacht de bestemming van het gebied. Alle aanvragen die nieuwe ontwikkelingen in agrarisch gebied mogelijk maken op basis van de afwijkingsmogelijkheden voorzien in de VCRO zullen aan een advies van het Departement onderworpen. Het betreft hier aanvragen met betrekking tot (a) De afwerkingsregel (art. 4.3.3 VCRO); (b) Sociaal-cultureel of recreatief medegebruik (art. 4.4.4 VCRO); (c) Medegebruik inzake natuurschoon (art. 4.4.5 VCRO); (d) Zonevreemde werken aan beschermd erfgoed (art. 4.4.6 VCRO); (e) Handelingen van algemeen belang (art. 4.4.7 VCRO); (f) De zogenaamde “clichering” van de gewestplanvoorschriften (art. 4.4.9 VCRO); (g) Zonevreemde functiewijzigingen (art. 4.4.23 VCRO); (h)  Aanvragen op basis van een planologisch attest. (art. 4.4.26, §2 VCRO).

Met betrekking tot de watertoets.
Het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets voorziet een aantal gevallen waarin het advies van bepaalde instanties moet worden ingewonnen. Om verwarring te vermijden, bepaalt het besluit van 12 juli 2013 dat er advies gevraagd moet worden aan de instanties die worden aangewezen in het besluit inzake de watertoets in de gevallen dat een advies volgens dit besluit van 20 juli 2006 vereist is.

Met betrekking tot machtigingen waterlopen derde categorie.
Door het besluit van 12 juli 2013 moet een vergunningsaanvraag voor advies voorgelegd worden aan de provincie, voor zover een machtiging vereist is voor werken van verbetering en werken van wijziging aan onbevaarbare waterlopen van tweede en derde categorie, tenzij de aanvrager reeds over een machtiging beschikt voor die werken.

Voor het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. 
Door het besluit van 12 juli 2013 moet het advies van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle gevraagd worden bij alle vergunningsaanvragenaanvragen met betrekking tot SEVESO-bedrijven die liggen op een afstand van minder dan 2 kilometer van een nucleaire inrichting, klasse I.
De nucleaire inrichtingen in het Vlaamse Gewest met een vergunning klasse I zijn momenteel: Kerncentrale Doel, Studiecentrum voor Kernenergie (Mol), Belgoprocess (2 sites te Mol en te Dessel), Belgonucleaire (Dessel, in ontmanteling), FBFC-International (Dessel) en Euratom vestiging IRMM (Geel).

Bron. Nieuwberichten Ruimte Vlaanderen

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, RUP, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Stedenbouwkundige vergunning, Watertoets
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
22/03/2013

Gepaste maatregelen watertoets dienen te worden uitgewerkt in het RUP zelf

Reeds middels  arrest van 16 juni 2008 met nummer 184.207 heeft de Raad van State herinnerd aan de memorie van toelichting bij  het ontwerp dat geleid heeft tot het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: DIWB) wat betreft artikel 8:

'Dit artikel geeft uitvoering aan het principe van de integratie van integraal waterbeleid bij de planvorming en vergunningverlening. Telkens wanneer er een beslissing wordt genomen op andere beleidsterreinen van het Vlaamse Gewest en van de overige besturen, moet er op basis van dit artikel rekening worden gehouden met het integraal waterbeleid. De betrokken overheid moet dan als het ware het dossier aan een ‘watertoets’ onderwerpen vooraleer een beslissing te nemen. Deze ‘watertoets’ kan in het algemeen worden opgevat als het proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de mogelijke schadelijke effecten van plannen, programma’s of vergunningsbesluiten op het watersysteem. De grootste winst ligt dus bij de vroegtijdige informatievoorziening en afweging. Daarmee fungeert de ‘watertoets’ ook als een belangrijk preventief instrument” (memorie van toelichting, Parl. St., Vl. Parl., 2002-03, nr. 1730-1, p. 23).”

Een gemeentelijke ruimtelijk uitvoeringsplan is een plan in de zin van artikel 8, §1 DIWB. Uit artikel 8, §1, eerste lid DIWB volgt dat een gemeentelijke ruimtelijk uitvoeringsplan slechts kan worden goedgekeurd als gebleken is dat het geen aanleiding geeft tot een schadelijke effect. In de mate dat er wel een dergelijk effect kan ontstaan, dient dit aan de hand van gepaste maatregelen  zoveel mogelijk wordt beperkt, hersteld of, in gevallen van vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd.

De Raad van State heeft in het recent arrest van 15 maart 2013 met nummer 222.887 deze visie verder uitgewerkt. De Raad heeft in dit arrest geoordeeld dat wanneer er sprake is van een potentieel schadelijk effect en hiertoe de nodige gepaste maatregelen dienen te worden genomen, de plannende overheid deze gepaste maatregelen dient uit te werken in het RUP zelf. De plannende overheid mag dit niet doorschuiven naar de vergunningverlenende overheid.

De Raad stelt het als volgt:

'Uit artikel 8 DIWB volgt dat wanneer blijkt dat het aannemen van het voorgenomen plan een schadelijk effect op het watersysteem kan doen ontstaan, de plannende overheid ofwel de geodkeuring van dit plan moet weigeren, ofwel wanneer zij het plan goedkeurt, door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan, dient te verzekeren dat geen schadelijke effecten ontstaan of dat deze worden beperkt, hersteld of gecompenseerd. Om te voldoen aan de voornoemde zorgplicht kan de plannende overheid er niet mee volstaan de verantwoordelijkheid ter zake door te schuiven naar de vergunningverlenende overheid.

5.9. Hoewel uit de hoofding '6.2 Watertoets' van de toelichting bij het bestreden GRUP blijkt, en door de verwerende partijen niet wordt betwist, dat 'bij de ontwikkeling van het gebied binnen de site een voldoende waterbuffer (dient te) worden voorzien' en dit bufferbekken 'zelf (dient) ingeplant te worden op een niet overstroombare locatie', moet worden vastgesteld dat het bestreden uitvoeringsplan niet zelf een maatregel of voorwaarde inzake dit voor de ontwikkeling van het plan noodzakelijke bufferbekken blijkt te bevatten.'

De vermeldingen in deze toelichting  -nog daargelaten verzoekers betwisting van de haalbaarheid ervan- dat 'de voorziene groene zone (...) hiertoe de nodige ruimte (biedt) mits dit bufferbekken op een ecologisch verantwoorde manier wordt aangelegd en beheerd', dat '(in) het RUP (...) voldoende ruimte (wordt) voorzien voor aanleg van een bufferbekken overeenkomstig de Gewestelijke stedenbouwkundige verordening 'Hemelwater' en de geldende Code van goede praktijk voor aanleg van rioleringen' en dat '(d)e dimensionering van het buffervolume en het bufferbekken (...) deel (zal) uitmaken van de verdere projectontwikkeling wanneer de berekening op een concreet project gebaseerd kan worden', alsook het betoog in de memories van antwoord van de verwerende partijen dat de voormelde groenszone volgens de watertoets 'een mogelijke locatie, maar zeker niet de enige' is en 'nergens uit de screeningsnota (blijkt) dat de groene zone als enige locatie in aanmerking komt voor de aanleg van een bufferbekken', blijken te bevestigen dat de verwerende partijen, in strijd met de hun door artikel 8 DIWB opgelegde verplichting om zelf de gepaste maatregelen te nemen om schadelijke effecten op het watersysteem te vermijden, deze hebben vooruitgeschoven naar de vergunningverlenende overheid.

Het middel is in de aangegeven mate gegrond.'
[eigen markering]

Referentie:  RvS 15 maart 2013, nr. 222.887 , PUB502684

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, RUP, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Watertoets
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
16/02/2012

Vernieuwde watertoets van toepassing vanaf 1 maart 2012


Vanaf 1 maart 2012 treedt het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid tot aanpassing van het uitvoeringsbesluit in werking.

Dit betekent dat de watertoets, zoals deze nu gekend is, gewijzigd wordt.

Concreet worden volgende aanpassingen doorgevoerd:

- het toepassingsgebied wordt uitgebreid.
- de watertoets vindt geen toepassing bij meldingsplichtige werken
- er is sprake van een vernieuwde en meer uitgebreide
motiveringsplicht
- de beoordelingsschema’s worden afgeschaft en de adviesaanvragen bij
vergunningen worden uitgebreid
- de minister zal nieuwe richtlijnen uitvaardigen en er is sprake van
een vernieuwde internettoepassing
- het watertoetskaartensysteem wordt geactualiseerd en vereenvoudigd

Een gecoördineerde versie van het uitvoeringsbesluit zoals goedgekeurd door de Vlaamse Regering kan u hier terugvinden.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Watertoets
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
21/11/2011

De verplichting tot de watertoets geldt onverkort bij verkavelingsvergunningen

In een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 11 oktober 2011 met nummer A/2011/0141 wordt nogmaals gewezen op de verplichting van de vergunningsverlenende overheid om zich bij een verkavelingsvergunning op een afdoende gemotiveerde wijze uit te spreken over de watertoets.

Artikel 8 §5 Decreet Integraal Waterbeleid (hierna: DIWB) bepaalt dat een verkavelingsvergunningsaanvraag onderworpen is aan de watertoets. Verdere uitwerking aangaande deze verplichting wordt gegeven door artikel 4 § 1 van het besluit van 20 juli 2006.

Indien er sprake is van een mogelijk schadelijk effect inzake de waterhuishouding volstaat het niet de beoordeling aangaande de eventueel later ontstane schade vooruit te schuiven naar latere stedenbouwkundige aanvragen.

In de bewoordingen van de Raad klinkt dit als volgt

"Met betrekking tot de bestreden beslissing stelt de Raad vast dat de verwerende partij in haar beoordeling omtrent de watertoets enkel stelt dat de voorliggende verkavelingswijziging de mogelijkheid voorziet van het bouwen en/of verharden van een gedeelte van de percelen, en dat daarbij rekening dient gehouden te worden met het mogelijk effect hiervan op de plaatselijke waterhuishouding. Volgens de verwerende partij dient de beperking van de infiltratie van het hemelwater, dat volgt uit de toename van de verharde oppervlakte, dan ook te worden gecompenseerd in de latere aanvragen tot stedenbouwkundige vergunningen.

Nog los van de vraag of deze overwegingen een zoals in artikel 4, §1, eerste lid van het besluit van 20 juli 2006 bedoelde waterparagraaf bevatten, dient de Raad met de verzoekende partij vast te stellen dat verwerende partij artikel 8, §1, eerste lid DIWB schendt.

Uit de bestreden beslissing blijkt immers duidelijk dat er sprake is van een mogelijk schadelijk effect, met name de beperking van de infiltratie van het hemelwater, wat volgt uit de toename van de verharde oppervlakte. Bijgevolg diende de verwerende partij, in toepassing van artikel 8, §5, eerste lid, 2° DIWB de watertoets uit te voeren met toepassing van de in artikel 3 van het besluit van 20 juli 2006 voorziene beoordelingsschema’s.

De Raad stelt immers vast dat de decreetgever de verkavelingsvergunning uitdrukkelijk aan de watertoets heeft willen onderwerpen en dit ontegensprekelijk om preventief te kunnen gaan of het verkavelingsproject in zijn geheel beschouwd schadelijke effecten in de zin van artikel 3, §2, 17° DIWB zou kunnen genereren. Door in haar beoordeling over de verkavelingswijziging vooreerst vast te stellen dat de infiltratie van het hemelwater plaatselijk wordt beperkt door de toename van de verharde oppervlakte, en vervolgens kennelijk zondermeer de watertoets uit te stellen tot elke afzonderlijke aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning, holt de verwerende partij de beginselen en de doelstelling van de watertoets en dus het decreet integraal waterbeleid uit.”

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Watertoets
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags