24/10/2013

Wat betekent de laatste zinsnede van artikel 4.6.4, § 6 VCRO ?

Artikel 4.6.4, § 6 VCRO luidt als volgt:

'Onverminderd § 5, kan het verval van rechtswege niet worden tegengesteld aan personen die zich op de verkavelingsvergunning beroepen, indien zij kunnen aantonen dat de overheid, na het verval, en ten aanzien van één of meer van hun kavels binnen de verkaveling, wijzigingen aan de verkavelingsvergunning heeft toegestaan, of stedenbouwkundige of bouwvergunningen of stedenbouwkundige attesten heeft verleend, in zoverre deze door de hogere overheid of de rechter niet onrechtmatig werden bevonden'.

Maar wat betekent de laatste zinsnede? De 14e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent kent het antwoord:

‘Met die decretale toevoeging heeft de decreetgever slechts toepassing willen maken van het vertrouwensbeginsel: als de overheid een verkavelingsvergunning zélf toepast, dan mag ook de burger ervan uitgaan dat die verkavelingsvergunning (nog altijd) van kracht is. Maar dat geldt dan wel alléén als de overheid die de verkavelingsvergunning heeft toegepast niet achteraf werd teruggefloten door een hogere overheid of door de rechter: alsdan kon/kan die beslissing namelijk niet dienen als basis van een rechtmatig vertrouwen bij de burger dat de (toegepaste) verkavelingsvergunning nog bestond/bestaat. Hiermee wordt dan ook uitsluitend verwezen naar (administratief of rechterlijk) vastgestelde onwettigheden die dateren van vóórde inwerkingtreding van (artikel 4.6.4., §6 van) de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (op 1 september 2009). Het gebruik van de verleden tijd in de hierboven aangehaalde zinsnede (‘werden’, niet: ‘worden’) spreekt trouwens voor zich. Ná 1 september 2009 kon/kan de hier bedoelde onwettigheid (versta: omwille van een gebeurlijk eerder voltrokken verval van de toegepaste verkavelingsvergunning) ook door de rechter niet meer worden vastgesteld'.


Referentie Rb. Gent, 14ekamer, 8 oktober 2013, ng. (Pub503539)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, VCRO, Verkavelingsvergunning
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/11/2012

Afwijkingsmogelijkheid van artikel 4.4.1, par.1 VCRO mag verkavelingsvoorschriften niet uithollen

In een opvallend snel uitgesproken arrest nr. A/2012/0431 van 23 oktober 2012 herinnert de Raad voor Vergunningsbetwistingen er vooreerst aan dat slechts kan worden afgeweken van een verkavelingsvergunning indien zulks verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen gaat verder:

“Tenslotte stelt de Raad samen met de verzoekende partij vast dat het toepassingsgebied van artikel 4.4.1., §1  VCRO niet strekt tot het omzeilen van een (absoluut) verbod, zoals in de voorliggende verkaveling voorgeschreven in artikel 1.06, 4°, b), 3) voor afsluitingen in de strook voor tuinen bij alleenstaande bebouwing. Artikel 4.4.1, §1 VCRO laat immers slechts “beperkte” afwijkingen toe.
Nu vaststaat dat de bestreden beslissing gebrekkig gemotiveerd is wat betreft het motief van de afwijkingsmogelijkheid zelf en de schending van artikel 4.4.1, §1 VCRO vaststaat, moeten de kritieken op de motieven inzake de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening niet verder onderzocht worden.

Het eerste middel is gegrond.”

Referentie: Pub503419-1

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Verkavelingsvergunning
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
23/06/2011

Kunnen er nog verkavelingsvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen verleend worden onder hoogspanningslijnen?

In een gemediatiseerd dossier heeft de deputatie van de provincie West-Vlaanderen op 16 juni 2011 in graad van beroep bevestigd dat geen verkavelingsvergunning kan toegestaan worden onder een hoogspanningslijn.

Dit gebeurde op basis van hiernavolgende argumentatie:

“Om een risico-analyse betreffende het wonen in de buurt van hoogspanningslijnen te begrijpen dient de 0,4 micro-tesla grensafstand nader toegelicht. In eerste aanleg werd in de beslissing vermeld dat volgens de resultaten erkend door het Internationaal Agentschap voor Onderzoek naar Kanker (IARC) bij blootstelling aan stralingen groter dan 0,4 micro-tesla het risico voor jongeren op o.a. kinderleukemie verdubbelt. Het is dan ook, zoals bepaald in art. 4.3.1. van de Codex RO, aangewezen dit gegeven op te nemen in een afweging en een zekere afstand van de hoogspanningslijn te respecteren. Onder meer aandachtspunten en criteria met betrekking tot gezondheid en veiligheid in het algemeen dienen aan bod te komen bij een beoordeling, zo stelt het decreet. Op basis van deze risicofactor kan een afstand bepaald worden die gerespecteerd moet worden tussen de hoogspanningslijn en de woning, om ervoor te zorgen dat de straling niet groter is dan 0,4 micro-tesla.

Aanvrager heeft gelijk dat in de huidige weigeringsbeslissing van het college verwezen wordt naar de richtlijnen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Lucht, Hinder, Milieu en gezondheid, zonder exact te stipuleren om welke richtlijnen het precies gaat. Wel wordt verwezen naar het GRS Kortrijk R86, waar de bebouwingsafstand van 35m gerespecteerd moet worden in geval van hoogspanningslijnen. Vanzelfsprekend kan een structuurplan geen grond zijn om een vergunning te weigeren. Anderzijds kan de stad niet verweten worden dat in een eerste fase een voorstel besproken werd waarbij de hoogspanningslijn nog slechter gesitueerd was. Inzichten evolueren en een ontwerp dient bijgestuurd.

Het argument van aanvrager, dat stelt dat de buitenlandse studie die het verband legt (daarom niet het oorzakelijk verband) tussen een magnetisch veld en kinderleukemie geen bewijs vormt van welkdanig gezondheidsrisico dan ook, dient genuanceerd.

Het gaat op de eerste plaats niet om een bewijs, wel om een voorzorgsprincipe, het International Agency for Research on Cancer (IARC) heeft het over een klasse 2b-risico. Dit is niet bewezen, maar er zijn voldoende aanwijzingen om de situatie als mogelijk kankerverwekkend te omschrijven.
Overigens, in de studie van VITO (de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek), bezorgd door aanvrager, met de voetnoot “vertrouwelijke informatie”, wordt op pag. 19/113 gesteld dat de auteurs aantoonden dat het relatief risico op leukemie bij kinderen tussen 0 en 15 jaar tweemaal groter is bij kinderen die blootgesteld worden aan een 50Hz magnetisch veld dan bij kinderen die hier niet aan blootgesteld worden. Aanvrager verwart blijkbaar het relatief risico enerzijds (verband) en bewijs (oorzakelijk verband) anderzijds.
Dat de resultaten van de VITO-studie betrekking hebben op alle magnetische velden, zoals aanvrager stelt, neemt niet weg dat de aanwezigheid van een hoogspanningslijn een uitzonderlijke omgeving creëert. Aanvrager tracht het probleem te minimaliseren door op pag. 11 van de studie te lezen dat het E-veld praktisch volledig wordt tegengehouden door de materialen van het gebouw. Het E-veld is het elektrisch veld. Daarnaast bestaat echter ook het magnetisch inductieveld (B-veld). In dezelfde alinea van de studie wordt gesteld dat in tegenstelling tot het magnetisch veld geen risico’s van residentiële blootstellingen aan het elektrisch veld worden toegeschreven. Opgemerkt kan worden dat naast bovenstaande velden nog andere soorten bestaan die een risico vormen, het is dus misleidend om te stellen dat er in een woning onder een hoogspanningslijn geen probleem is omdat het E-veld wordt tegengehouden.

In een advies van het ministerie afdeling Algemeen Milieu- en Natuurbeleid, dd. 17.09.04 wordt verwezen naar de berekeningen van het VITO (waaruit afstanden gerelateerd worden tot voltages, en dit overeenkomstig een blootstelling van 0,4 micro-tesla bij hoogspanningsleidingen. In het advies van het ministerie wordt het rapport omschreven als MIRA-T 2003 of MIRA/2003/05, wat via internet onmiddellijk toegang verschaft tot het volledige rapport. Op pag. 44/51 wordt in tabel 16 een duidelijke 0,4 muT grensafstand weergegeven voor verschillende werkingscapaciteiten, in dit geval betreft het 150kV, en kan volgens het ministerie besloten worden dat een afstand van 30-40m, bijvoorbeeld 35m tot een hoogspanningslijn aanvaardbaar is voor woningen. In voorliggend ontwerp worden 13 van de 15 woningen om minder dan 10m voorzien, een uitzonderlijke situatie dus.

De reden waarom bovenstaande overweging niet in de vorige beoordeling aan bod kwam, is het gevolg van het gegeven dat in eerste aanleg geen tijdige beslissing genomen werd, en ook de bijdrage van het ministerie niet in het dossier voorkwam, noch de overwegingen met betrekking tot o.a. kinderleukemie. Nu wordt verwezen naar het MIRA-rapport, gekoppeld aan de berekeningen van het VITO inzake afstandsregels, en naar de bevindingen van het IARC.

De nu voorliggende informatie werd overigens op 28.01.10 door de minister van Leefmilieu bevestigd in antwoord van parlementaire vraag nr. 157.

In haar antwoord worden de gezondheidsrisico’s toegelicht die verbonden zijn aan elektrische velden in de omgeving van hoogspanningslijnen. Hierbij wordt eveneens verwezen naar de bevindingen bij epidemiologische studies, op basis van dewelke het IARC de blootstelling aan velden van meer dan 0,4 micro-tesla klasseert in klasse 2b, wat overeenkomt met mogelijk kankerverwekkend voor de mens.

De minister voegt toe dat er momenteel weliswaar onvoldoende elementen zijn om van een oorzakelijk verband te spreken, haar administratie plant wel een actieplan waarin wordt nagegaan welke maatregelen genomen kunnen worden om de negatieve invloed van hoogspanningslijnen te beperken.

Het relatieve risico voor de associatie tussen blootstelling en kinderleukemie is een reden voor toepassing van het voorzorgsprincipe, zo besluit de minister.
Anderzijds moet dit kunnen tegen een aanvaardbare kostprijs. Zo zou, nog steeds aldus de minister, bij bestaande woningen het niet mogelijk zijn afschermingsmaatregelen te nemen, en het ondergronds aanleggen van de leidingen is duur. Het reduceren van risico’s van hoogspanningslijnen kan, nog steeds volgens het antwoord van minister Schauvliege, best gefocust worden op nieuwe situaties zoals het aanleggen van nieuwe hoogspanningslijnen en nieuwbouw in de buurt van bestaande lijnen.

Anderzijds voegt de minister in haar antwoord in 2010 toe dat, hoewel in epidemiologische studies een relatie kan worden aangetoond tussen oorzaak en gevolg, er momenteel onvoldoende elementen zijn om van een oorzakelijk verband te spreken. Een biologisch mechanisme dat de associatie zou kunnen verklaren is onbekend, en dergelijke studies kunnen vertekend worden door de selectie.

Besloten moet worden dat, gezien bovenstaande informatie, tevens geïnterpreteerd door de minister die stelt dat er een reden is voor toepassing van het voorzorgsprincipe, een aanvraag waarbij de bouwzone voor de woningen op 13 van de 15 kavels op minder dan 10m van de hoogspanningsleiding gesitueerd is, met de grootste voorzichtigheid beoordeeld dient. In het advies van de afdeling Milieu en Natuurbeleid wordt een afstand van 30 tot 40m, dus 35m als aanvaardbaar omschreven. Ook al voorziet de Vlaamse regelgeving vooralsnog geen regelgeving terzake, het voorzorgsprincipe vraagt dat de deputatie dit aspect meeneemt in haar beoordeling.

(…)

Nu wordt verwezen naar een MIRA-rapport, dat zich baseert op berekeningen van het VITO inzake afstandsregels, en op bevindingen van het internationaal agentschap voor onderzoek naar kanker (IARC). De nu voorliggende informatie werd op 28.01.10 door de minister van Leefmilieu toegelicht in antwoord van parlementaire vraag nr. 157. De minister stelt dat er een reden is voor toepassing van het voorzorgsprincipe.
Besloten moet worden dat, gezien bovenstaande informatie, gelet op het voorzorgsprincipe, een aanvraag waarbij de bouwzone voor de woningen op 13 van de 15 kavels op minder dan 10m van de hoogspanningsleiding gesitueerd is, niet verantwoord kan worden. In het advies van de afdeling Milieu en Natuurbeleid wordt een afstand van 30 tot 40m, als aanvaardbaar omschreven. Het voorzorgsprincipe impliceert dat voorliggende aanvraag niet in aanmerking komt voor vergunning.”

Deze uitspraak vormt een belangrijk precedent. De consequenties zijn aanzienlijk:

- ten eerste wordt aan de eigenaars die nu wonen onder de hoogspanningslijn gezegd dat er gezondheidsrisico’s zijn of kunnen zijn (hetgeen geen aangenaam gevoel is)

- ten tweede wordt aan de eigenaars die nog bouwgrond hebben in woongebied onder hoogspanningslijn, gezegd dat hun grond dat feitelijk niet bestemd kan worden voor wonen, zodat de eigendom veel minder waard is (zonder dat, zoals in Nederland, wordt overgegaan tot onteigening van alle stroken onder hoogspanningslijnen). Er is dan geen verkavelingsvergunning mogelijk, maar ook geen stedenbouwkundige vergunning (misschien zelfs niet eens voor aanpassingswerken)?

- ten derde zal het voor de netwerkbedrijven ongetwijfeld moeilijker worden om nog een stedenbouwkundige vergunning te bekomen voor een nieuwe hoogspanningslijn, nu alle onderliggende eigenaars zich zullen verzetten tegen de nieuwe lijn (die immers neer kan komen op een quasi-onteigening).

De vraag stelt zich of een vergoeding kan bekomen worden voor dergelijke quasi-onteigening?

(referentie : Deputatie nr. 34022/339/B/201/142, 16 juni 2011, NG (PUB501035))

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Stedenbouwkundige vergunning, Verkavelingsvergunning, Voorzorgsbeginsel
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags