19/06/2019

Afwijkingsmogelijkheden van 15 jaar oude BPA's en verkavelingen teruggeschroefd

Vandaag werd het Decreet van 26 april 2019 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw (of ook: het Verzameldecreet 2019) in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.

Dit Verzameldecreet voert onder andere een aantal wijzigingen door aan de VCRO, het omgevingsvergunningendecreet en het DABM.

Met betrekking tot de versoeplingen die de Codextrein had ingevoerd inzake 15 jaar oude verkavelingen of Bijzondere Plannen van Aanleg, achtte de decreetgever deze iets te soepel en tracht zich hierbij kennelijk te herpakken.

Inzake verkavelingen maakt het nieuwe decreet het mogelijk dat de gemeenteraad kan beslissen, los van een concrete vergunningsaanvraag, de verkavelingsvoorschriften van verkavelingen ouder dan 15 jaar toch te behouden als weigeringsgrond. Bijkomend maakt het verzameldecreet het mogelijk dat in het kader van de beoordeling van een concrete vergunningsaanvraag, de vergunningverlenende overheid gemotiveerd kan verwijzen naar bepaalde voorschriften van een meer dan 15 jaar oude verkaveling, waarbij zij dan aangeeft dat die voorschriften nog steeds belangrijke actuele criteria omvatten om op die specifieke plaats de goede ruimtelijke ordening te motiveren.

Zo ook is het vanaf nu mogelijk dat constructies die gelegen zijn in meer dan 15 jaar oude zonevreemde verkavelingen als zonevreemde constructie kunnen worden beschouwd en bijgevolg in aanmerking komen voor toepassing van de zonevreemde basisrechten ingeval de onderliggende gewestplanbestemming als toetsingskader naar boven komt. Het verzameldecreet wijzigt namelijk de definitie van “zonevreemde constructie” in artikel 4.4.1, 17° van de VCRO.

Inzake BPA's wordt voorzien in het feit dat de gemeenteraad kan beslissen dat voor een BPA ouder dan 15 jaar de afwijkingsmogelijkheid in artikel 4.4.9/1 VCRO niet kan worden aangewend. Zo kan de gemeente gebiedsgericht een afweging maken in functie van de ligging van de percelen, de inhoud van de stedenbouwkundige voorschriften van elk BPA enz

Bijkomend kan het vergunningverlenende bestuursorgaan bij de behandeling van individuele vergunningsaanvragen, gemotiveerd beslissen om de afwijkingsmogelijkheid niet toe te passen indien het van oordeel is dat de stedenbouwkundige voorschriften nog steeds de criteria van een goede ruimtelijke ordening (bedoeld in artikel 4.3.1,§2 VCRO) weergeven.

Geen onbelangrijke wijzigingen voor de praktijk dus.

Daarenboven is er voor deze specifieke wijzigingen geen overgangsbepaling voorzien. Deze bepalingen treden dus in werking 10 dagen na publicatie in het staadsblad.

Bij vragen, kan u ons gerust contacteren.

Gepost door Meindert Gees

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags DABM, Meindert Gees, Omgevingsvergunning, VCRO, Verkavelingsvergunning, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
25/02/2019

Vanaf 7 maart 2019 is het mogelijk om stedenbouwkundige voorschriften van (verouderde) APA's, BPA's en gemeentelijke RUP's te herzien of op te heffen zonder een nieuw RUP

De codextrein van 8 december 2017 lanceerde een aantal initiatieven om een aantal procedures om het ruimtelijk rendement te verhogen te versoepelen.

Eén van deze initiatieven was het invoeren van een artikel 7.4.4/1 in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening dat het mogelijk maakt om verouderde inrichtingsvoorschriften van BPA's, APA's en gemeentelijke RUP's te herzien of te wijzigen. Voorheen kon dit enkel via de opmaak van een nieuw RUP. 

Het gaat om volgende types voorschriften:

  • de perceelsafmetingen;
  • de afmetingen en de inplanting van constructies;
  • de dakvorm en de gebruikte materialen;
  • de maximaal mogelijke vloerterreinindex;
  • het aantal bouwlagen;
  • de voortuinstroken, de tuinzones met inbegrip van tuinconstructies, de binnenplaatsen, de afsluitingen, de buitenaanleg rond gebouwen met inbegrip van verhardingen, de bouwvrije stroken en de bufferstroken;
  • het aantal toegelaten woongelegenheden of bedrijfseenheden per kavel;
  • de toegelaten functies in bebouwbare zones of van bebouwde onroerende goederen; (niet voor RUP's) 
  • de parkeergelegenheden.

Het besluit van de Vlaamse regering van 11 januari 2019 inzake de herziening of de opheffing van stedenbouwkundige voorschriften van algemene en bijzondere plannen van aanleg en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, met toepassing van artikel 7.4.4/1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals vandaag gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, bepaalt de procedure tot herziening of opheffing en regelt de inwerkingtreding van artikel 7.4.4/1 VCRO. 

Het heet dat artikel 101 van de Codextrein van 8 december 2017 dat artikel 7.4.4/1 VCRO invoegt in werking op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit, zodat artikel 7.4.4/1 VCRO 7 maart a.s. in voege treedt.  

Lees hier de integrale tekst van het besluit van de Vlaamse regering van 11 januari 2019.

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Leandra Decuyper, Procedure, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, VCRO, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
25/07/2018

Binnenkort bestemmingsneutraliteit voor windturbines?

Zo ziet het er alvast naar uit.

In de 'superministerraad' van 20 juli 2018 hechtte de Vlaamse regering haar principiële goedkeuring aan het voorontwerp van decreet over de bestemmingsneutraliteit voor de winning van hernieuwbare energie. 

Het luidt in de memorie van toelichting bij het voorontwerp dat het aangewezen is om meer (planologische) mogelijkheden te bieden aan productie-installaties van de verschillende vormen van hernieuwbare energie (windturbines, WKK-centrales, zonnepanelen,...) en aan de opslag en de ontsluiting die de lokale productie met zich meebrengt. 

De planologische bestemming van een gebied zal geen weigeringsgrond meer vormen voor de inplanting van degelijke infrastructuren. 

Het voorontwerp van decreet voorziet daartoe in een wijziging van artikel 4.4.9 VCRO (= de clicheringsbepaling):

'Art. 3. Artikel 4.4.9 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010, 4 april 2014 en 25 april 2014, wordt vervangen door wat volgt:

"Artikel 4.4.9. Het vergunningverlenende bestuursorgaan mag bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie of energierecuperatie, en hun aanhorigheden, afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften.

Onder hernieuwbare energie, als vermeld in het eerste lid, wordt verstaan hernieuwbare energiebronnen zoals vermeld in artikel 1.1.3, 65°, van het decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid.

Elke vraag tot afwijking als vermeld in het eerste lid, wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek.

De Vlaamse Regering bepaalt criteria inzake de ruimtelijke voorwaarden ter beoordeling van de inpasbaarheid van de installaties voor de prodcutie van hernieuwbare energie of energierecuperatie in een goede ruimtelijke ordening.'

Het voorontwerp ligt op heden voor advies voor bij de SARO en Minaraad. 

De diverse documenten vindt u hier:

- nota van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw aan de leden van de Vlaamse regering
- voorontwerp van decreet betreffende de bestemmingsneutraliteit voor de winning van hernieuwbare energie
- memorie van toelichting bij het voorontwerp

16/06/2016

Vlaams Gewest in de fout doordat het aankoopplicht bij waardeverminderde RUP’s niet regelt

Artikel 2.4.10 VCRO luidt als volgt:

Art. 2.4.10. §1. De eigenaar van een onroerend goed kan van het Vlaamse Gewest de verwerving daarvan eisen indien hij aantoont dat, ten gevolge van de vaststelling van één of meer al dan niet opeenvolgende ruimtelijke uitvoeringsplannen, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt. 

De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VII, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op deze aankoopplicht. 

§2. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure van de aankoopplicht. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs waarop de eigenaar recht heeft. 

§3. Het bedrag dat de eigenaar van het Vlaamse Gewest ontvangt met toepassing van dit artikel, wordt in voorkomend geval verminderd met het bedrag dat de eigenaar reeds heeft ontvangen ten gevolge van planschade voor hetzelfde onroerend goed. Hetzelfde geldt wat betreft de bedragen die reeds werden ontvangen ten gevolge van kapitaalschade in de zin van boek 6 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid. 

Wanneer een eigenaar toepassing maakt van deze aankoopplicht, kan hij jegens het Vlaamse Gewest en met betrekking tot hetzelfde onroerend goed geen aanspraak meer maken op schadeloosstellingen ingevolge planschade of patrimoniumverlies of op de toepassing van enige andere aankoopplicht.’

Tot op vandaag is het nog niet gekomen tot een uitvoeringsbesluit. De Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel meent in een vonnis van 10 mei 2016 dat het Vlaams Gewest hierdoor in de fout is gegaan:

‘De rechtbank oordeelt dat:

a) artikel2.4.10 van de VCRO is op 1 september 2009 in werking getreden, bijna zes jaar geleden, zonder dat de uitvoeringsbesluiten werden genomen. In een vonnis van deze van rechtbank 7 februari 2014, dat ten aanzien van het Vlaamse Gewest gezag van gewijsde heeft, werd zijn overheidsaansprakelijkheid weerhouden.

Wij zijn nu twee jaar later en het Vlaams Gewest heeft nog steeds geen uitvoeringsbesluit genomen terwijl hij weet dat zijn aansprakelijkheid in het gedrang is.

Na tussenkomst van voormeld vonnis heeft de heer Dirk Van Mechelen op 24 mei 2012 een parlementaire vraag nr. 647 gesteld aan de Vlaamse minister van financiën, begroting, werk, ruimtelijke ordening en sport die als volgt antwoordde:

‘Artikel 2.4.10 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) voorziet in een aankoopplicht van het Vlaamse Gewest wanneer een onroerend goed door de inwerkingtreding van een of meerdere ruimtelijk uitvoeringsplannen ernstig in waarde vermindert of wanneer de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt. 
De nadere voorwaarden en de procedure van deze aankoopplicht, alsook de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs worden volgens paragraaf 2 van artikel 2.4.10 VCRO vastgelegd in een besluit van de Vlaamse Regering.

Tot op heden werd nog geen dergelijk uitvoeringsbesluit vastgesteld aangezien dit in de praktijk weinig of geen problemen blijkt op te leveren. Sinds de inwerkingtreding van de VCRO is namelijk slechts één gerechtelijk dossier gekend waarin men zich beroept op artikel 2.4.10 van de VCRO. Bij vonnis dd. 17 februari 2012 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde werd deze vordering afgewezen wegens verjaring. Tegen deze uitspraak werd beroep aangetekend door de verzoekende partij.

Het lijkt er bijgevolg op dat de stelling van de vraagsteller dat de voormelde aankoopplicht ‘tegemoet komt aan een reële behoefte’ en dat ‘meerdere bedrijven en landbouwers in de problemen komen’, dient te worden genuanceerd. Klaarblijkelijk volstaan de bestaande vergoedingsregelingen zoals planschade, kapitaalschade en gebruikersschade, om tegemoet te komen aan de meeste verzuchtingen van eigenaars en gebruikers van gronden die geconfronteerd worden met een waardevermindering tengevolge van de inwerkingtreding van een ruimtelijk uitvoeringsplan.

Aangezien het ontbreken van een uitvoeringsbesluit in de praktijk weinig of geen problemen blijkt op te leveren, is het volgens mij op dit ogenblik niet prioritair om hierover een ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering voor te leggen’.

M.a.w. was de minister niet op de hoogte van de uitspraak van het vonnis van 7 februari 2012 en wacht de Vlaamse Regering op problemen in de praktijk om een uitvoeringsbesluit vast te stellen. De rechtbank oordeelt dat het Vlaams Gewest een fout begaat, minstens een nalatigheid in de zin van artikelen 1382 of 1383 BW door na te laten binnen een redelijke termijn, de nodige uitvoeringsbesluiten vast te stellen en eerst te wachten dat er zich in de praktijk problemen zouden voordien in plaats van problemen te vermijden, wat van een openbaar bestuur zou mogen worden verwacht.’

Verder stelt de rechtbank:

‘Artikel 2.4.10 VCRO is niet enkel van toepassing indien de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt maar ook wanneer de waardevermindering van het onroerend goed ernstig is.’ 

(...)

‘Met betrekking tot de vraag of artikel 2.4.10 VCRO beperkt is tot gewestelijk ruimtelijke uitvoeringsplannen stelt de rechtbank vast dat voormeld artikel enkel verwijst naar ruimtelijke uitvoeringsplannen en geen onderscheid maakt tussen gewestelijke, dan wel gemeentelijke uitvoeringsplannen.

Het Vlaams Gewest voegt een onderscheid in het decreet dat door de decreetgever niet is voorzien. Deze stelling wordt door de rechtbank niet weerhouden.’

Referentie: Rb. Brussel, 10 mei 2016, AR 2014/6238/A, ng. (Pub505102)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Aankoopplicht, Dirk Van Heuven, VCRO
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
26/04/2016

Overschrijding redelijke termijn leidt niet tot bevoegdheidsverlies RvVb

De Raad van State, in zijn hoedanigheid als cassatierechter, werd bevraagd omtrent de gevolgen van het langdurig uitblijven van een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb).

Verzoekster in cassatie werd 5,5 jaar na het instellen van het beroep door de Gewestelijke Stedenbouwkundige Ambtenaar bij de RvVb, waaronder 5 jaar na de pleitdatum op 1 september 2010, geconfronteerd met een vernietiging van haar bekomen vergunning.

Zij meende dat het dossier geen elementen bevatte die een dergelijk lange beraadslaging konden verantwoorden. Gelet op het verstrijken van de redelijke termijn, nog volgens verzoekster in cassatie, kon de RvVb niet meer overgaan tot vernietiging van het bestreden deputatiebesluit.

Verzoekster in cassatie voerde daartoe een schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, de artikelen 9.2 en 9.4 van het Verdrag van 25 juni 1998 ‘betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Verdrag van Aarhus), artikel 149 GW en het rechtszekerheidsbeginsel.

De Raad van State oordeelde dienaangaande als volgt:

‘13. Overeenkomstig artikel 14, § 2, RvS-wet doet de afdeling Bestuursrechtspraak uitspraak over de cassatieberoepen tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken “wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen”.

14. De RvVb is een administratief rechtscollege dat uitspraak doet over jurisdictionele beroepen (GwH 27 januari 2011, nr. 8/2011). Als zodanig was hij geroepen uitspraak te doen over het jurisdictioneel beroep van de GSA tot vernietiging wegens onregelmatigheid van de stedenbouwkundige vergunning die de deputatie aan de nv Fun Belgium uitreikte.

15. Op het ogenblik van het instellen van het beroep bij de RvVb bepaalde artikel 4.8.26, § l, tweede lid, VCRO dat de uitspraken van de RvVb worden uitgebracht binnen een ordetermijn van zestig dagen, die ingaat de dag na die van de zitting. Deze bepaling is thans overgenomen in artikel 87 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’.

16. De RvVb is derhalve een administratief rechtscollege dat, op straffe van rechtsweigering, uitspraak moet doen over het bij hem ingestelde jurisdictioneel beroep tegen een vergunningsbeslissing.

De loutere overschrijding van de daarvoor geldende termijn van orde onttrekt de zaak niet aan de bevoegdheid van de RvVb die ook na het overschrijden van de termijn van orde gehouden blijft uitspraak te doen over het jurisdictioneel beroep van de GSA, naar aanleiding waarvan de nv Fun Belgium een tussenkomende partij is.

Zelfs een niet verantwoorde vertraging bij het uitbrengen van een uitspraak kan de RvVb niet ontheffen van de hem door de decreetgever opgelegde verplichting uitspraak te doen over het bij hem aanhangig gemaakt jurisdictioneel beroep tot vernietiging om reden van onregelmatigheid van een vergunningsbeslissing.

Aan het overschrijden van die termijn kan de nv Fun Belgium dan ook geen ontvankelijk cassatiemiddel ontlenen “wegens overtreding van de wet” of “wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen”.

17. Het middel wordt verworpen.’


Tags