25/10/2011

Plan-MER fnuikt Club Brugge-stadion

In haar arrest van 14 oktober 2011 heeft de Raad van State de schorsing bevolen van de tenuitvoerlegging van het besluit houdende de definitieve vaststelling van het GRUP “afbakening regionaalstedelijk gebied Brugge” (meer specifiek wat de deelgebieden 16 en 24 betreft).

Door de Raad van State wordt een schending ontwaard van artikel 4.1.7 DABM waaruit voortvloeit dat de keuze voor één van het in milieueffectenrapport onderzochte alternatieven, een vergelijking veronderstelt van die alternatieven wat de gevolgen voor mens en milieu betreft.

In casu kon in de plan-MER gelezen worden dat de locatie alwaar het voetbalstadion voorzien was door zijn ligging in de groene gordel rond Brugge een afname, versnippering en verstoring van deze groene gordel met zich meebracht. Evenwel werd onmiddellijk gesteld dat deze negatieve milieueffecten afdoende gemilderd konden worden indien er voldaan zou worden aan een aantal restrictieve randvoorwaarden. Studie van het arrest van de Raad van State leert dat het Vlaamse Gewest in de verdere planopmaakprocedure zonder meer is uitgegaan van de optie om een stadion in te planten op de Chartreuse-site. Van enige effectieve vergelijking met de andere alternatieve locaties lijkt geen sprake te zijn. De Raad van State stelt onomwonden:

Aldus stelt prima facie dat door de verwerende partij na de goedkeuring van het plan-MER onmiddellijk, zonder enige blijkende vergelijking, laat staan verantwoording van het oogpunt van het leefmilieucriterium, de planopmaakprocedure uitsluitend gestuurd is vanuit de optiek om “een gesloten multifunctioneel stadion” in te planten op de “Chartreuse-site”, dus op de locatie met de volgens het MER in principe meeste ongunstige leefmilieueffecten.

Aldus lijkt de verwerende partij tekort te zijn geschoten in haar hoger omschreven verplichting om daadwerkelijk rekening te houden met de conclusies van het MER, en bijgevolg ook met de verplichting “het milieubelang een volwaardige plaats te verschaffen bij de besluitvorming”. Minstens had zij, in de eerstvolgende stap in het besluitvormingsproces volgend op de goedkeuring van het MER, de hoger uiteengezette vergelijking moeten uitvoeren, en in geval van keuze voor de “locatie Chartreuse”, de door het MER bedoelde “zeer restrictieve randvoorwaarden” in die keuze moeten betrekken
.”

Voor verdere informatie over dit arrest: Raad van State nummer 215.768, 14 oktober 2011

Steve Ronse

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Steve Ronse
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags