14/11/2019

Raad van State bevestigt: planologische regularisatie door RUP is mogelijk

Zo staat het alvast in een arrest nr. 245.859 van 22 oktober 2019:

'Verder dient opgemerkt dat een ‘planologische regularisatie’ middels een gemeentelijk RUP niet a priori onwettig is, op voorwaarde dat een deugdelijke ruimtelijke afweging overeenkomstig artikel 1.1.4. VCRO aan het plan ten grondslag ligt’.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, RUP
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/04/2017

Bij de opmaak van een nieuw RUP moeten alle belangen afgewogen worden, ook als ze zonevreemd of onvergund zouden zijn

Bij de opmaak van een nieuw RUP moeten alle belangen afgewogen worden, ook als ze zonevreemd of onvergund zouden zijn. Zo oordeelt de Raad van State in het arrest nr. 237.834 van 28 maart 2017:

7.1.      Artikel 1.1.4 VCRO luidt:
 
De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit.”
 
 Zoals de Raad van State in zijn arrest Anckaert, nr. 214.329 van 30 juni 2011, in herinnering heeft gebracht blijkt uit de wetsgeschiedenis dat deze bepaling het doel van het ruimtelijk ordeningsbeleid aangeeft, waarbij de duurzame ruimtelijke ordening centraal staat. De vereiste dat de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen benadrukt het facetmatig karakter van de ruimtelijke ordening. Voorts blijkt uit de wetsgeschiedenis dat bij de gelijktijdige onderlinge afweging van deze verschillende maatschappelijke activiteiten één bepaalde behoefte zwaarder kan doorwegen in een bepaalde situatie. Een bepaalde ruimtelijke behoefte kan derhalve na afweging in een bepaalde situatie niet noodzakelijk voorkomen als gelijkwaardig aan een andere ruimtelijke behoefte.
 
Hoewel plannen in essentie toekomstgericht zijn, dient bij de vaststelling ervan uiteraard ook de bestaande toestand in ogenschouw te worden genomen.
 
7.2. In verzoekers bezwaarschrift wordt onder meer aangevoerd dat in strijd met artikel 1.1.4 VCRO niet werd overgegaan tot een afweging van de respectieve maatschappelijke belangen, in het bijzonder wat de bestaande bedrijvigheid op hun percelen betreft.
In de eerste bestreden beslissing wordt met betrekking tot dit bezwaar het volgende antwoord van de Gecoro geciteerd:
 
“Niet alle belangen werden afgewogen. De bestaande bedrijvigheid is niet vergund en kan nooit als vergund geacht worden (zie juridisch kader en uitspraak Hof van Cassatie met nr. p.11.0599.N/1). Ze kan bijgevolg niet de basis vormen voor afwegingen van de verschillende belangen. De huidige functie waarnaar verwezen wordt is volgens het bestaande planologische kader niet mogelijk en niet vergunbaar. Ze vormt dus geen element dat mee dient afgewogen worden conform artikel 1.1.4 van de VCRO.”
 
Nog luidens de eerste bestreden beslissing maakt de gemeenteraad zich “de overwegingen die hebben geleid” tot het advies van de Gecoro, en derhalve ook de voormelde overwegingen, uitdrukkelijk eigen.
 
7.3. De eerste verwerende partij heeft bij de opmaak van het bestreden GRUP de bedrijvigheid op verzoekers’ percelen derhalve uitdrukkelijk niet bij haar belangenafweging op grond van artikel 1.1.4 van de VCRO betrokken. Nochtans verplicht deze bepaling de plannende overheid ertoe om bij de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan ook met de economische gevolgen ervan rekening te houden.
 
7.4. De omstandigheid dat een deel van de gebouwen of bedrijvigheid op verzoekers’ percelen zonevreemd zou zijn, zonder dat met betrekking tot deze zonevreemdheid een veroordeling blijkt voor te liggen, doet aan de voormelde verplichting geen afbreuk. De verwijzing in het advies van de Gecoro naar het arrest van het Hof van Cassatie nr. P.11.0599.N/1 van 6 december 2011 betreft geenszins de toepassing van artikel 1.1.4 van de VCRO bij de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan en mist te dezen pertinentie. 
 
7.5. De door de tweede verwerende partij aangevoerde omstandigheid dat blijkens het richtinggevend gedeelte van het GRS (p. 44), zoals overgenomen in de toelichtende nota bij het GRUP (p. 18), het kwestieuze gebied op basis van de criteria van de omzendbrief RO2000/01 gesitueerd wordt in een zone 1, waarin de ruimtelijke draagkracht beperkt is, waar vanuit ruimtelijk oogpunt de activiteit van een zonevreemd bedrijf niet verenigbaar is met de aanwezige hoofdfunctie of met mogelijk[e] potenties van de zone, de bestaande activiteiten […] de mogelijkheid [dienen] te krijgen om zich op korte of middellange termijn te herlokaliseren naar een lokaal bedrijventerrein binnen de gemeente en bij stopzetting van activiteiten […] geen nieuwe zonevreemde activiteiten meer [kunnen] opgestart worden, houdt voor de eerste verwerende partij nog geen vrijgeleide in om bij de opmaak van het GRUP volledig aan de economische gevolgen van het GRUP voor verzoekers’ percelen voorbij te gaan.
 
Bovendien is luidens het GRS, naast een gebiedsgerichte benadering, ook een bedrijfsspecifieke afweging vereist, waarbij de gebiedsgerichte afweging […] naargelang het bedrijf verder [kan] verfijnd worden, waarbij het afwegingskader gebruikt [kan worden] binnen het specifieke beleidskader voor bedrijven buiten bedrijventerreinen, waarbij bepaalde criteria (aard van de activiteiten, ontsluiting,…) […] reeds [zijn] aangehaald binnen de gebiedsgerichte benadering, en meerdere andere criteria bedrijf per bedrijf [moeten] getoetst worden, waaronder sociaal- en bedrijfseconomische criteria, die onder meer de economische dynamiek en rentabiliteit van het bedrijf (investeringen in de laatste 5 à 10 jaar) en de tewerkstellingsdynamiek van het bedrijf omvatten. Op basis van deze afweging dienen voor elk bedrijf afzonderlijk specifieke ontwikkelingsperspectieven opgesteld te worden, die zullen worden vastgelegd in een ruimtelijk uitvoeringsplan (GRS, richtinggevend gedeelte, p. 45). 
 
7.6.      Het tweede onderdeel van het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond'.

Referentie: pub4798-3

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, RUP
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
13/10/2015

Aangepaste procedure openbaar onderzoek en herstelregeling RUP bij wettigheidsgebrek in VCRO doorstaan toets van het Grondwettelijk Hof

Het decreet van 4 april 2014 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot ruimtelijke ordening en het grond- en pandenbeleid past de procedure voor openbaar onderzoek in het kader van de opmaak van een RUP's aan en voert een mogelijk tot herstel van een wettigheidsgebrek in door het hernemen van de beslissing tot definitieve vaststelling van een RUP. 

Aanpassing aan de procedure voor openbaar onderzoek in het kader van de opmaak van een RUP.
Voor de decreetswijziging van 4 april 2014 diende het openbaar onderzoek in het kader van de opmaak van een RUP aangekondigd te worden door aanplakking, door een bericht in het Belgisch Staatsblad, door publicatie in tenminste 3 dagbladen, door publicatie op de website van de RUP-opmakende overheid. Wat gewestelijke RUP's betrof diende bovendien driemaal een bericht uitgezonden te worden op de openbare radio. 

Het decreet van 4 april 2014 wijzigt de artikelen 2.2.7, 2.2.10 en 2.2.14 VCRO waardoor de wijze van aankondiging van het openbaar onderzoek niet langer in de VCRO zelf, maar door een besluit van de Vlaamse Regering wordt geregeld. De decreetgever was van oordeel dat de concrete manier van bekendmaking en het minimum aantal vermeldingen van een dermate organisatorische aard is, dat de regeling ervan beter kan overgelaten worden aan de Vlaamse Regering.Enkel de verplichte publicatie in het Belgisch Staadsblad bleef behouden in de VCRO. 

De wijziging van deze artikelen is voorlopig nog niet in werking getreden. De inwerkingtreding dient verder geregeld te worden in een uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Regering.

Wat betreft de wijzigingen inzake de bekendmaking van het openbaar onderzoek oordeelde het Grondwettelijk Hof met arrest nr. 118/2015 van 17 september 2015 dat er geenszins sprake is van de schending van het standstillbeginsel daar de decreetgever duidelijk stelt dat de aankondiging van het openbaar onderzoek minstens dient te gebeuren door publicatie in het Belgisch Staatsblad en gezien de inwerkingtreding van huidige wijziging evident pas in werking kan treden nadat de Vlaamse Regering in bijkomende regels voorzien heeft. Daar ook voorzien is in een gelijkaardige regeling voor het openbaar onderzoek in het kader van de opmaak van structuurplannen, oordeelde het Hof dat er een schending was van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Intrekkingsmogelijkheid onregelmatige RUP's.
Het Grondwettelijk Hof heeft in het arrest nr. 118/2015 van 17 september 2015 tevens de intrekkingsmogelijkheid van een gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk RUP, dat behept is met onregelmatigheden conform de Grondwet en het Verdrag van Aarhus bevonden.

Dankzij de artikelen  2.2.7, 2.2.10 en 2.2.14 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening VCRO, zoals gewijzigd bij decreet van het Vlaamse Gewest van 4 april 2014, kan, met het oog op het herstel van een onregelmatigheid, het besluit houdende definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan geheel of gedeeltelijk intrekken en hernemen, waarbij het wettigheidsgebrek wordt rechtgezet.

Het Hof overwoog:

B.13.1. Krachtens de artikelen 2.2.7, § 7, 2.2.10, § 6, en 2.2.14, § 6, van de VCRO dient het gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk RUP in beginsel te worden vastgesteld binnen een termijn van 180 dagen na het einde van het openbaar onderzoek. Het betreft een vervaltermijn : indien het RUP niet definitief wordt vastgesteld binnen die termijn, vervalt het ontwerp van RUP. Bij wijze van uitzondering laten de bestreden bepalingen de bevoegde overheid toe om, met het oog op het herstel van een onregelmatigheid, een besluit houdende definitieve vaststelling van een RUP in te trekken en te hernemen na het verstrijken van deze vervaltermijn. 

B.13.2. Artikel 17, 3°, van het bestreden decreet werd als volgt verantwoord : « De Raad van State heeft in een aantal arresten bevestigd dat de overheid na een vernietigingsarrest van de Raad van State over een nieuwe volle termijn van 180 dagen beschikt om een nieuwe beslissing te nemen, gelet op de terugwerkende kracht van een vernietigingsarrest (zie onder meer R.v.St., 24 februari 2009, nr. 190.762, Van Ermen en vzw Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud). In een aantal arresten heeft de Raad van State overwogen dat bij een intrekking tijdens de procedure voor de Raad van State om een nieuwe beslissing te nemen met het oog op het verhelpen van een wettigheidsgebrek, de overheid niet in dezelfde situatie verkeert als wanneer zijn beslissing wordt vernietigd door de Raad van State. In geval van een vernietiging wordt het bestuur fictief teruggeplaatst in de situatie van vóór het vernietigde besluit. In het geval van een vrijwillige intrekking daarentegen geldt die fictie niet (zie onder meer R.v.St., 21 augustus 2008, nr. 185.771, Barra; R.v.St., 12 november 2008, nr. 187.848, Watelet; R.v.St., 18 juni 2009, nr. 194.330, Barra; R.v.St., 27 oktober 2009, nr. 197.340, Thoeye). Ook na tussenkomst van een schorsingsarrest is de Raad van State van oordeel dat de overheid niet in de mogelijkheid is om, na de intrekking van het geschorste besluit, een nieuwe beslissing te nemen buiten de oorspronkelijke vervaltermijn (R.v.St., 15 januari 2009, nr. 189.472, Timmers). Dit alles heeft tot gevolg dat wanneer de overheid vaststelt dat een ruimtelijk uitvoeringsplan behept is met een wettigheidsgebrek zij het besluit houdende definitieve vaststelling van het RUP wel kan intrekken volgens de klassieke intrekkingsleer, doch de beslissing tot een nieuwe definitieve vaststelling niet kan hernemen indien de oorspronkelijke vervaltermijn van 180 dagen is verstreken. De voorliggende aanpassing van de VCRO geeft de overheid de mogelijkheid om het besluit tot definitieve vaststelling te hernemen wanneer zij beslist om de definitieve vaststelling van het RUP in te trekken om een wettigheidsgebrek te verhelpen. Het nieuwe besluit houdende definitieve vaststelling moet genomen worden samen met de beslissing tot intrekking van de vorige vaststelling. Zo niet, dreigt tussen de datum van intrekking en de datum van nieuwe vaststelling een periode van rechtsonzekerheid te ontstaan. Het spreekt voor zich dat de herneming van de definitieve vaststelling enkel kan voor het rechtzetten van onregelmatigheden/wettigheidsbezwaren. Het hernemen van het besluit kan niet gemotiveerd worden vanuit het feit dat de Vlaamse Regering ‘ van gedachte ’ zou veranderd zijn of om wijzigingen door te voeren die niet voortvloeien uit het openbaar onderzoek. Om die redenen blijven de bepalingen van artikel 2.2.7, § 7, onverminderd van toepassing, met uitzondering van de vervaltermijn van 180 dagen. Dit betekent dat slechts wijzigingen kunnen worden aangebracht, die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde adviezen, opmerkingen en bezwaren » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2013-2014, nr. 2371/3, p. 4). Inzake de artikelen 20, 5°, en 24, 3°, van het bestreden decreet vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Naar analogie met de mogelijkheid tot het hernemen van de beslissing tot definitieve vaststelling van een [gewestelijk] [gewestelijk en provinciaal] RUP om een wettigheidsgebrek te herstellen, wordt ook voor [provinciale] [gemeentelijke] RUP’s een dergelijke bestuurlijke lus ingeschreven » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2013-2014, nr. 2371/3, pp. 5-6). Ter gelegenheid van de algemene bespreking van het ontwerp van decreet werd nog uiteengezet dat « dit amendement over de bestuurlijke lus natuurlijk niet uitsluit dat ook wettigheidsbezwaren die blijken uit een schorsingsarrest van de Raad van State of uit de kennisname van middelen, ontwikkeld voor die Raad, moeten kunnen worden rechtgezet. Met de laatste zin van voormeld citaat wordt bedoeld dat de bestuurlijke lus niet kan worden misbruikt om de inhoud van een GRUP te wijzigen, los van via een openbaar onderzoek of op een andere manier opgemerkte wettigheidsgebreken » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2013-2014, nr. 2371/4, pp. 13-14). Voorts werd benadrukt : « Met dit ontwerp van decreet maken we het ook mogelijk om, op het moment dat er een schorsingsverzoek is of wanneer er al middelen voor de Raad van State voor een verzoek tot schorsing of vernietiging zijn ontwikkeld waaruit men redelijkerwijze kan afleiden dat het vastgestelde RUP kaduuk is, het vaststellingsbesluit in te trekken en de procedure te hernemen op de plaats waar de onwettigheid zich heeft voorgedaan. Als er ergens een ontbrekend advies is, enzovoort, kan de procedure worden hernomen vanaf het moment dat de adviezen moeten worden ingewonnen. Dan kan het ontbrekend advies alsnog worden verleend. De procedure moet dus niet helemaal vanaf het begin, vanaf de vaststelling van een ontwerp-RUP, worden overgedaan. Dat kan een belangrijke tijdwinst met zich meebrengen. De bestaande intrekkingsleer maakt het al mogelijk na een vernietiging van een definitief vaststellingsbesluit, maar met dit ontwerp van decreet maken we het ook mogelijk op het moment dat er een schorsing is van een RUP of op het moment dat er middelen worden ontwikkeld voor de Raad van State zonder dat de Raad van State zich daarover heeft uitgesproken » (Hand., Vlaams Parlement, 2013-2014, nr. 31, p. 45). 

B.14. In het tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de bevoegde overheid vrijstellen van de verplichting tot naleving van de vervaltermijn van 180 dagen waarbinnen een RUP na het einde van het openbaar onderzoek in beginsel definitief moet worden vastgesteld, en dus van de verplichting om een nieuw openbaar onderzoek te organiseren. Doordat aldus niet zou worden gewaarborgd dat de overheid een beslissing neemt met actuele kennis van zaken, zouden de bestreden bepalingen afbreuk doen aan het recht op bescherming van de gezondheid en het recht op bescherming van een gezond leefmilieu, gewaarborgd door artikel 23 van de Grondwet en het Verdrag van 21 Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna : Verdrag van Aarhus). 

B.15.1. Volgens de Vlaamse Regering is het middel niet ontvankelijk in zoverre het de schending aanvoert van het in artikel 23 van de Grondwet vervatte standstill-beginsel, vermits niet wordt uiteengezet waarin de aanzienlijke achteruitgang zou zijn gelegen. 

B.15.2. De verzoekende partijen verwijten de artikelen 17, 3°, 20, 5°, en 24, 3°, van het bestreden decreet dat zij de bevoegde overheid vrijstellen van de verplichting tot naleving van de vervaltermijn van 180 dagen, die waarborgt dat de overheid een beslissing neemt met actuele kennis van zaken. De bestreden bepalingen zouden aldus leiden tot een achteruitgang in de kwaliteit van de besluitvorming, veroorzaakt door een gebrek aan actuele kennis van zaken. 

B.15.3. De verzoekende partijen zetten bijgevolg voldoende uiteen hoe de bestreden bepalingen het in artikel 23 van de Grondwet vervatte standstill-beginsel zouden schenden.

B.16. Er moet worden onderzocht of de vrijstelling van de verplichting tot naleving van de vervaltermijn van 180 dagen afbreuk doet aan artikel 23 van de Grondwet, rekening houdend met de relevante bepalingen van het Verdrag van Aarhus. 

B.17. De bestreden regeling, die betrekking heeft op de procedure tot vaststelling van een RUP, ressorteert onder artikel 7 van het Verdrag van Aarhus inzake « inspraak betreffende plannen, programma’s en beleid betrekking hebbende op het milieu ». Artikel 7 van het Verdrag van Aarhus legt de verplichting op om « de voorbereiding van plannen en programma’s betrekking hebbende op het milieu » te onderwerpen aan een passende inspraakprocedure waarvan het bepaalde modaliteiten vastlegt. Meer bepaald dienen passende praktische en/of andere voorzieningen voor inspraak voor het publiek te worden getroffen, binnen een transparant en eerlijk kader, na het publiek de benodigde informatie te hebben verstrekt. 22 De mogelijkheid tot inspraak betreffende RUP’s, waartoe de decreetgever zich met de goedkeuring van het Verdrag van Aarhus heeft verbonden, biedt een waarborg voor de vrijwaring van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu en een goede ruimtelijke ordening (artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet). De inspraakregeling dient de betrokkenen een effectieve mogelijkheid te bieden om hun opmerkingen en bezwaren kenbaar te maken zodat de bestuursorganen daarmee naar behoren rekening kunnen houden. 

B.18.1. Het aannemen van de bestreden bepalingen is verantwoord door de rechtspraak van de Raad van State inzake de mogelijkheid om een beslissing, die aan een bepaalde termijn gebonden is, te hernemen na het verstrijken van die termijn, wanneer die beslissing wordt vernietigd dan wel ingetrokken. 

B.18.2. Volgens de Raad van State kan de overheid, indien een termijngebonden beslissing wordt vernietigd en het noodzakelijke rechtsherstel vereist dat die beslissing wordt hernomen, een nieuwe beslissing nemen na het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn. In geval van een vernietiging wordt de overheid immers teruggeplaatst in de situatie van vóór het vernietigde besluit, zodat de procedure dient te worden hernomen vanaf het punt waar de vastgestelde onregelmatigheid zich heeft voorgedaan. Na een vernietiging beschikt de overheid aldus opnieuw over de volle termijn om een nieuwe beslissing te nemen (RvSt, 24 februari 2009, nr. 190.762). Nog volgens de Raad van State is een dergelijke hervatting slechts in overeenstemming te brengen met een zinvol bezwaarrecht en met het zorgvuldigheidsbeginsel, indien de gegevens waarop het bestreden besluit steunt niet achterhaald zijn (ibid.). 

B.18.3. Wanneer daarentegen de overheid een termijngebonden beslissing intrekt wegens een onregelmatigheid, beschikt die overheid niet over de mogelijkheid om de beslissing te hernemen indien de oorspronkelijke vervaltermijn reeds is verstreken. Aldus stelde de Raad van State dat « de situatie waarin een bestuur na de intrekking van een beslissing verkeert, niet dezelfde is als wanneer zijn beslissing vernietigd wordt door de toezichthoudende overheid of door de Raad van State. In het laatst vermeld geval wordt het bestuur fictief teruggeplaatst in de situatie van vóór het vernietigd besluit. In geval van vrijwillige intrekking daarentegen 23 geldt die fictie niet. In dergelijk geval kan de ingetrokken beslissing dan ook slechts hernomen worden met inachtneming van de situatie die zich op dat ogenblik aandient » (RvSt, 21 augustus 2008, nr. 185.771). De Raad van State besloot vervolgens dat de ingetrokken beslissing niet opnieuw kon worden hernomen, vermits de oorspronkelijke vervaltermijn reeds was verstreken en de betrokken regelgeving niet toeliet een nieuwe beslissing te nemen na het verstrijken van die termijn (ibid.; zie ook RvSt, 18 juni 2009, nr. 194.330). 

B.19.1. De decreetgever heeft, zonder zijn beoordelingsbevoegdheid te buiten te gaan, kunnen oordelen dat de uit die rechtspraak voortvloeiende beperking van de mogelijkheid om een ingetrokken RUP te hernemen, die het gevolg is van de bestaande decretale vervaltermijn, diende te worden opgeheven. Om die reden voorzien de bestreden bepalingen in de mogelijkheid voor de overheid om een besluit tot definitieve vaststelling van een RUP in het geval van een intrekking te hernemen, ook na het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn. Aldus zetten de bestreden bepalingen de overheid aan om een vastgesteld wettigheidsgebrek zo snel mogelijk vrijwillig te verhelpen zonder een eventuele vernietiging van het gebrekkige besluit door de Raad van State af te wachten. 

B.19.2. De decreetgever heeft die mogelijkheid om een besluit tot definitieve vaststelling van een RUP te hernemen uitdrukkelijk beperkt tot het geval waarin een besluit wordt ingetrokken « met het oog op het herstel van een onregelmatigheid ». Ter gelegenheid van de parlementaire voorbereiding heeft de decreetgever ter zake verduidelijkt dat « de herneming van de definitieve vaststelling enkel kan voor het rechtzetten van onregelmatigheden/wettigheidsbezwaren », dat « slechts wijzigingen kunnen worden aangebracht, die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde adviezen, opmerkingen en bezwaren », en dat « ook wettigheidsbezwaren die blijken uit een schorsingsarrest van de Raad van State of uit de kennisname van middelen, ontwikkeld voor die Raad, moeten kunnen worden rechtgezet » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2013-2014, nr. 2371/3, p. 4, en nr. 2371/4, pp. 13-14). Daarentegen kan het hernemen van het besluit «niet gemotiveerd worden vanuit het feit dat de Vlaamse Regering ‘ van gedachte ’ zou veranderd zijn of om wijzigingen door te voeren die niet voortvloeien uit het openbaar onderzoek », noch « om de inhoud van een GRUP te wijzigen, los van via een openbaar onderzoek of op een andere manier opgemerkte wettigheidsbezwaren » (ibid.). 24 

B.19.3. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, stellen de bestreden bepalingen de overheid niet vrij van de verplichting om het zorgvuldigheidsbeginsel in acht te nemen en een beslissing te nemen met actuele kennis van zaken. Zoals in het geval van een vernietiging, kan een besluit tot definitieve vaststelling van een RUP in het geval van een vrijwillige intrekking dan ook enkel worden hernomen indien de gegevens op grond waarvan de nieuwe beslissing zal worden genomen, niet achterhaald zijn. Het besluit waarbij het besluit tot definitieve vaststelling van het RUP wordt ingetrokken en hernomen, maakt een administratieve rechtshandeling uit die kan worden bestreden bij de Raad van State, zodat de Raad van State in voorkomend geval zal kunnen beoordelen of het nieuwe besluit steunt op actuele juridische en feitelijke gegevens. 

B.20. Gelet op het feit dat er reeds een openbaar onderzoek over het ingetrokken besluit heeft plaatsgevonden, dat de wijzingen van dat besluit enkel betrekking kunnen hebben op vastgestelde onregelmatigheden, en dat het hernomen besluit gebaseerd dient te zijn op actuele juridische en feitelijke gegevens, doet de bestreden regeling geen afbreuk aan artikel 7 van het Verdrag van Aarhus. Om dezelfde redenen houden de bestreden bepalingen geen aanzienlijke achteruitgang in van het bestaande beschermingsniveau. 

B.21. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de bestreden bepalingen niet in strijd zijn met artikel 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Verdrag van Aarhus. Het onderzoek van de bestaanbaarheid van die bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de andere aangevoerde grondwetsbepalingen, verdragsbepalingen, richtlijnen en algemene rechtsbeginselen, leidt niet tot een ander resultaat. 

B.22. De verzoekende partijen voeren voorts een schending aan van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre de procedure zoals daarin is voorzien in de bestreden bepalingen verschilt van de algemene procedure voor de definitieve vaststelling van een RUP, doordat de overheid bij het hernemen van een ingetrokken besluit tot definitieve vaststelling van een RUP is vrijgesteld van de verplichting tot naleving van de vervaltermijn van 180 dagen die in beginsel geldt voor de definitieve vaststelling van een RUP.  Gelet op de doelstelling van de decreetgever om de overheid aan te sporen de vastgestelde wettigheidsgebreken zo spoedig mogelijk te verhelpen zonder een vernietiging door de Raad van State af te wachten, zou de mogelijkheid waarin de bestreden bepalingen voorzien om een besluit tot definitieve vaststelling van een RUP te hernemen zinledig zijn indien de vervaltermijn waarbinnen het RUP in beginsel definitief moet worden vastgesteld van toepassing zou zijn. Het is niet zonder redelijke verantwoording dat de procedure voor het hernemen van een besluit tot definitieve vaststelling van een RUP, wat de toepasselijke vervaltermijn betreft, afwijkt van de algemene procedure voor de definitieve vaststelling van een RUP. 

B.23. Onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.20 is het tweede middel niet gegrond. 

B.24. In het derde middel voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 17, 3°, 20, 5°, en 24, 3°, van het bestreden decreet, in de interpretatie dat zij de overheid die een RUP herneemt niet verplichten om tegelijkertijd alle onregelmatigheden te herstellen, een nietverantwoord verschil in behandeling in het leven roepen tussen de bestreden regeling en de regeling inzake de bestuurlijke lus zoals van toepassing voor de Raad van State en de Raad voor Vergunningsbetwistingen, doordat laatstgenoemde regeling wel verplicht tot het herstel van alle vastgestelde onregelmatigheden. Bovendien menen zij dat die bepalingen in die interpretatie een schending inhouden van de beginselen van proceseconomie, zorgvuldigheid en voorzorg, alsmede van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, het recht van toegang tot een rechter, artikel 9 van het Verdrag van Aarhus en artikel 11 van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, doordat de rechtsonderhorigen zich opnieuw tot de rechter zullen moeten wenden indien het RUP wordt ingetrokken en vervolgens wordt hernomen zonder het herstel van alle onregelmatigheden. 

B.25. Volgens de Vlaamse Regering geven de verzoekende partijen in hun middel een verkeerde draagwijdte aan de bestreden bepalingen. Zij is van oordeel dat, indien een RUP zou zijn aangetast door meerdere onregelmatigheden, de overheid op grond van de bestreden bepalingen zal overgaan tot het herstel van alle vastgestelde en herstelbare onregelmatigheden.  

B.26. Krachtens de artikelen 17, 3°, 20, 5°, en 24, 3°, van het bestreden decreet kan de bevoegde overheid een besluit houdende definitieve vaststelling van een RUP intrekken en hernemen « met het oog op het herstel van een onregelmatigheid ». Uit het gebruik van het weliswaar enkelvoudige begrip « een onregelmatigheid » kan niet worden afgeleid dat de betrokken overheid ermee zou kunnen volstaan om slechts één onregelmatigheid te herstellen indien meerdere onregelmatigheden werden vastgesteld. Ook bij ontstentenis van een uitdrukkelijke wettelijke bepaling gebieden het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel, die elk bestuurlijk optreden kenmerken, dat de overheid die een besluit tot definitieve vaststelling van een RUP op grond van de bestreden bepalingen intrekt en herneemt, alle vastgestelde onregelmatigheden herstelt, binnen de perken aangegeven in B.20. 

B.27. Voorts voeren de verzoekende partijen een schending aan van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met de hoorplicht, doordat de overheid het betrokken publiek dat onregelmatigheden heeft aangeklaagd, niet in staat zou moeten stellen om zijn standpunt over de wijze van herstel mee te delen. De bestreden bepalingen, die een reglementaire bestuurshandeling betreffen, kunnen geen afbreuk doen aan de hoorplicht, die als beginsel van behoorlijk bestuur enkel van toepassing is op individuele bestuurshandelingen. 

B.28. Het derde middel is niet gegrond'.

Lees hier het integrale arrest van het Gronwettelijk Hof.
31/08/2013

Nieuwe adviesregeling bij stedenbouwkundige vergunningen en RUP's wordt op 1 september 2013 van kracht!

Vanaf 1 september 2013 wijzigt de regeling rond adviesvragen voor stedenbouwkundige vergunningen en ruimtelijke uitvoeringsplannen.

Dat is het gevolg van de wijziging van 2 besluiten:

- het besluit van de Vlaamse Regering van 11 mei 2001 tot aanwijzing van de instellingen en administraties die adviseren over voorontwerpen van ruimtelijke uitvoeringsplannen, vervangen door het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013.

- het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot aanwijzing van de instanties die over een vergunningsaanvraag advies verlenen, vervangen door het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013.

Ruimtelijke uitvoeringsplannen.
De wijzigingen zijn van toepassing op voorontwerpen van ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvan de uitnodiging voor de plenaire vergadering wordt verstuurd na de inwerkingtreding van dit besluit, dus 1 september 2013.

Voor het Agentschap Onroerend Erfgoed.
Door het besluit van 12 juli 2013 is er geen adviesverplichting meer wanneer het ruimtelijk uitvoeringsplan ligt in een gezichtsveld van een beschermd monument. De adviesverplichting wordt beperkt tot een adviesverplichting als de gronden of de erop aanwezige constructies, gelegen binnen de grenzen van het plan, geheel of ten dele zijn beschermd als monument, of eraan palen.Nieuw is dat het advies van het Agentschap Onroerend Erfgoed gevraagd moet worden bij ruimtelijke uitvoeringsplannen als de gronden of de erop aanwezige constructies, gelegen binnen de grenzen van het plan, geheel of ten dele zijn afgebakend als erfgoedlandschap.

Voor het Agentschap Ondernemen.
Door het besluit van 12 juli 2013 zal het Agentschap Ondernemen om advies gevraagd moeten worden bij de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan als de gronden, gelegen binnen de begrenzing van het ruimtelijk uitvoeringsplan volgens de bestaande plannen (plannen van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplannen) geheel of ten dele specifiek zijn bestemd voor de vestiging van kleinhandelsbedrijven of voorzien in een concentratie van kleinhandelsbedrijven.   Dit is een voorafname op de nieuwe Vlaamse handelvestigenreglementering, eenmaal de regionalisering een feit is.
 
Voor het Agentschap Wonen-Vlaanderen.
Door het besluit van 12 juli 2013 zal het Agentschap Wonen Vlaanderen niet langer om advies gevraagd worden bij de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen op gronden die gelegen zijn binnen de perimeter van woonvernieuwingsgebieden, zoals afgebakend in uitvoering van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode. Wel zal het advies van het Agentschap moeten worden gevraagd bij de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan als de gronden, gelegen binnen de begrenzing van het uitvoeringsplan,  de bestemming woongebied of een ermee vergelijkbaar gebied verkrijgen, voor zover de bestemmingswijziging betrekking heeft op ten minste een halve hectare.

Stedenbouwkundige vergunningsaanvragen.

De wijzigingen zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die worden ingediend na 1 september 2013.

Voor het Agentschap Onroerend Erfgoed.
Door het besluit van 12 juli 2013 wordt de adviesverplichting van het Agentschap Onroerend Erfgoed op de volgende drie punten aangepast:

1° De adviesverplichting in de buurt van een monument wordt beperkt tot een adviesverplichting voor percelen die palen aan voorlopig of definitief beschermde monumenten. Er is dus geen adviesverplichting meer in het gezichtsveld van een monument

2° Wat betreft de adviesverplichting bij een vergunningsaanvraag voor handelingen in erfgoedlandschappen, zal het Agentschap alleen nog advies verlenen voor aanvragen m.b.t. (a) gebouwen of constructies die zijn opgenomen in de vastgestelde inventaris van het bouwkundig erfgoed, vermeld in artikel 12/1 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten; (b) percelen die in gemengd openruimtegebied met cultuurhistorische waarde liggen; (c) het optrekken of plaatsen van een constructie die in agrarisch gebied in de ruime zin of in ruimtelijk kwetsbaar gebied ligt; (d)  aanmerkelijke reliëfwijzigingen, het aanleggen of wijzigen van recreatieve terreinen of het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond als vermeld in artikel 4.2.1, 5°, VCRO.
Hiermee samenhangend wordt ook het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening aangepast, waardoor de vergunningsplicht voor meldingsplichtige handelingen in erfgoedlandschappen niet langer behouden wordt. Hierdoor wordt de meldingsplicht voortaan ook in erfgoedlandschappen van toepassing

3° Het besluit van 12 juli 2013 voert ten slotte bij werelderfgoed een gradatie van de adviesverplichting in via een zonering van de bufferzone. De bufferzone wordt ingedeeld in een binnen- en een buitenzone, waarbij de binnenzone een strook betreft van 100 meter breed vanaf het werelderfgoed. Het Agentschap Onroerend Erfgoed zal om advies gevraagd moeten worden voor alle vergunningsplichtige handelingen aan de goederen die erkend zijn als werelderfgoed en in de binnenzone van de bufferzone. In de rest van de bufferzone (de zgn. buitenzone), op meer dan 100 meter van het werelderfgoed, wordt de bestaande adviesverplichting ingeperkt tot die handelingen die betrekking hebben op constructies die een hoogte van 15 meter hebben of bereiken

Voor het Departement Landbouw en Visserij. 
Door het besluit van 12 juli 2013 wordt de adviesverplichting van het Departement Landbouw en Visserij beperkt tot die stedenbouwkundige vergunningsaanvragen waarbij er een impact op de agrarische structuur wordt verwacht. Voor vergunningsaanvragen zonder of met een zeer beperkte impact op de agrarische structuur, wordt niet langer in een adviesverplichting van het Departement voorzien. Zo moet er bijvoorbeeld geen advies gevraagd worden voor vellen van bomen in agrarische gebieden. Anderzijds moet geen advies meer gevraagd worden aan het Departement voor verbouwen of herbouwen van zonevreemde constructies, waarbij toepassing wordt gemaakt van de decretale basisrechten (Art. 4.4.10 tot 4.4.22). Wel zal het Departement advies verlenen over aanvragen die verband houden met landbouw, ongeacht de bestemming van het gebied. Alle aanvragen die nieuwe ontwikkelingen in agrarisch gebied mogelijk maken op basis van de afwijkingsmogelijkheden voorzien in de VCRO zullen aan een advies van het Departement onderworpen. Het betreft hier aanvragen met betrekking tot (a) De afwerkingsregel (art. 4.3.3 VCRO); (b) Sociaal-cultureel of recreatief medegebruik (art. 4.4.4 VCRO); (c) Medegebruik inzake natuurschoon (art. 4.4.5 VCRO); (d) Zonevreemde werken aan beschermd erfgoed (art. 4.4.6 VCRO); (e) Handelingen van algemeen belang (art. 4.4.7 VCRO); (f) De zogenaamde “clichering” van de gewestplanvoorschriften (art. 4.4.9 VCRO); (g) Zonevreemde functiewijzigingen (art. 4.4.23 VCRO); (h)  Aanvragen op basis van een planologisch attest. (art. 4.4.26, §2 VCRO).

Met betrekking tot de watertoets.
Het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets voorziet een aantal gevallen waarin het advies van bepaalde instanties moet worden ingewonnen. Om verwarring te vermijden, bepaalt het besluit van 12 juli 2013 dat er advies gevraagd moet worden aan de instanties die worden aangewezen in het besluit inzake de watertoets in de gevallen dat een advies volgens dit besluit van 20 juli 2006 vereist is.

Met betrekking tot machtigingen waterlopen derde categorie.
Door het besluit van 12 juli 2013 moet een vergunningsaanvraag voor advies voorgelegd worden aan de provincie, voor zover een machtiging vereist is voor werken van verbetering en werken van wijziging aan onbevaarbare waterlopen van tweede en derde categorie, tenzij de aanvrager reeds over een machtiging beschikt voor die werken.

Voor het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. 
Door het besluit van 12 juli 2013 moet het advies van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle gevraagd worden bij alle vergunningsaanvragenaanvragen met betrekking tot SEVESO-bedrijven die liggen op een afstand van minder dan 2 kilometer van een nucleaire inrichting, klasse I.
De nucleaire inrichtingen in het Vlaamse Gewest met een vergunning klasse I zijn momenteel: Kerncentrale Doel, Studiecentrum voor Kernenergie (Mol), Belgoprocess (2 sites te Mol en te Dessel), Belgonucleaire (Dessel, in ontmanteling), FBFC-International (Dessel) en Euratom vestiging IRMM (Geel).

Bron. Nieuwberichten Ruimte Vlaanderen

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, RUP, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Stedenbouwkundige vergunning, Watertoets
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags