22/06/2018

Plan-MER voor stedenbouwkundige verordeningen? Als het van minister Schauvliege afhangt alvast wel

We hebben u eerder bericht over arrest van het Hof van Justitie van 7 juni 2018 (nr. C-671/16).  Dit leidt tot ongerustheid binnen de Vlaamse overheid. Zo luidt het bij de minister op de vraag van Vlaams parlementslid Axel Ronse in de plenaire vergadering van 20 juni ll.:

'Axel Ronse: Minister, er is een probleem. Vorig jaar dacht ik dat ook al eventjes. Er is zoiets als een stedenbouwkundige verordening, een instrument waarmee overheden, gemeenten, provincies, Vlaanderen, een kader kunnen maken waartegenover vergunningsaanvragen worden beoordeeld. Bijvoorbeeld als je een huis bouwt, moeten er minstens zoveel parkeerplaatsen zijn, er zijn oppervlaktennormen enzovoort. Bijna elke vergunning wordt afgewogen tegenover zo'n verordening.

De Raad van State heeft vorig jaar, naar aanleiding van een beroep tegen een bouwvergunning, gezegd dat zulke verordeningen, vooraleer ze worden gemaakt, moeten worden getoetst aan de effecten die ze hebben op het milieu, zoniet zijn ze nietig. Ik had u daar een schriftelijke vraag over gesteld. U zei: ‘Neen, ik heb het met mijn administratie onderzocht. We moeten ons daar geen zorgen over maken.’

Nu heeft men dit aangevochten naar aanleiding van een verordening in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest over de Europawijk. De Raad van State heeft advies gevraagd bij het Europees Hof van Justitie en dat heeft gezegd dat elke verordening, elk afwegingskader waartegenover een vergunning moet worden beoordeeld, moet worden voorafgegaan door een milieueffectenrapport. Als dat zo is, kan dat bijzonder problematisch zijn, want wat moet een gemeente dan doen met vergunningsaanvragen tegenover zo'n verordening waar geen milieueffectenrapport voor is gemaakt, of mogen zij nog nieuwe maken? Kortom, het kan een serieuze crisis veroorzaken op vlak van ruimtelijke ordening.

Minister, hebt u daarop al geanticipeerd? Bent u daar al mee bezig?

Minister Joke Schauvliege: Collega Ronse, het klopt dat in juni het Europees Hof van Justitie een uitspraak heeft gedaan op basis van een prejudiciële vraag. De vraag ging over een Brusselse gewestelijke stedenbouwkundige verordening. Wat zegt het Europees Hof van Justitie? Het zegt dat je zo'n verordening moet zien als een plan, een plan dat in het kader van de MER-richtlijn ook plan-MER-plichtig is. Er moet eigenlijk een milieueffectenrapportage worden opgemaakt voor zo'n verordening definitief kan worden aangenomen.

Tot vandaag gingen we ervan uit dat dit niet zo was en hebben wij de regelgeving correct toegepast, denk ik.

Dit kan zeer verregaande gevolgen hebben als er inderdaad bij de toepassing bij ons wordt geoordeeld dat de verordeningen eigenlijk onwettig zijn.

Wat is de situatie vandaag? Er zijn een aantal beroepen lopende die daarop zijn gebaseerd, zowel bij de Raad van State als bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Het is heel belangrijk dat wij die uitspraken afwachten. Als dat wordt doorgetrokken, dan moeten wij actie ondernemen naar de bestaande stedenbouwkundige verordeningen.

Wat doen wij al op dit moment? Bij de nieuwe verordeningen zullen we al verantwoordelijkheid nemen en daarop anticiperen en het voorzorgsprincipe toepassen. We zullen ervoor zorgen dat ze aan een plan-MER worden onderworpen. Voor de bestaande verordeningen wachten wij de uitspraken af van de Raad van State en de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Als er uitspraken zijn in de zin dat ze onwettig zijn, dan zullen deze moeten worden herzien, zal er een plan-MER moeten worden opgemaakt die als basis kan dienen om er een vergunning op te baseren.'

De minister is voorstander om stedenbouwkundige verordeningen - die onder het toepassingsgebied van de Plan-MER-richtlijn zouden kunnen vallen - nu reeds, bij wijze van voorzorgsmaatregel, te onderwerpen aan een Plan-MER. Voor een eventueel decretaal ingrijpen is het evenwel nog wachten op de uitspraken in een aantal lopende procedures voor de Raad van State en de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Leandra Decuyper, MER, Procedure, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
24/01/2017

Binnenkort ook rechtsplegingsvergoeding bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen?

Vandaag werd het decreet van 9 december 2016 houdende wijziging van diverse decreten, wat de optimalisatie van de organisatie en de rechtspleging van de Vlaamse bestuursrechtcolleges betreft in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. 

Dit wijzigingsdecreet voorziet naar analogie met artikel 1022 Ger.W. en artikel 30/1 RvS-wet in de mogelijkheid om een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen. De hoogte van de tegemoetkoming is evenwel niet decretaal bepaald en wordt overgelaten aan de Vlaamse Regering. 

Daarnaast voorziet het decreet in een verhoging van de rolrechten. Zo zal de tussenkomende partij in de toekomst per soort vordering een rolrecht verschuldigd zijn en zullen ook in het geval van UDN-procedures rolrechten verschuldigd zijn.

Het aanpassingsdecreet is voorlopig nog niet in werking getreden. De inwerkingtreding is uitgesteld naar een door de Vlaamse Regering nader te bepalen datum. 

Meer informatie over het aanpassingsdecreet vindt u hier

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Leandra Decuyper, Procedure, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
17/08/2015

Vergunningverlenende overheid gebonden door burgerrechtelijke uitspraak over burenhinder?

De Raad van State lijkt als cassatierechter de mening toegedaan dat het antwoord is: ja.

Concreet was er naar aanleiding van een dispuut aangaande burenhinder de vraag gerezen welke bomen in een tuin buitensporige hinder veroorzaakten voor de aanpalende buren. De rechtbank van eerste aanleg was in graad van beroep van oordeel dat 5 bomen op grond van artikel 544 Burgerlijk Wetboek dienden gerooid te worden nu deze te veel schaduw veroorzaakten voor de eisers, dit op straffe van een dwangsom.

De verweerders vroegen hierop een stedenbouwkundige vergunning voor het rooien van de bedoelde 5 hoogstammige bomen. De stad oordeelde dat het rooien van de kwestieuze esdoorn stedenbouwkundig gezien niet aanvaard kon worden nu deze o.m. deel uitmaakte van een biologisch waardevol tuincomplex. Hierop verleende deze de gevraagde vergunning voor de 4 hoogstammige bomen maar werd deze geweigerd voor de esdoorn.

In graad van beroep werd deze motivatie door de deputatie bijgetreden en werd geoordeeld dat ‘Door toe te staan dat 4 van de 5 bomen mogen gerooid worden […]reeds in belangrijke mate [wordt] tegemoetgekomen aan de verzuchting van de rechterburen om meer zonlicht te ontvangen.’

De aanvragers stelden hierop een vordering tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) stellende dat met een dergelijke uitspraak er sprake was van een schending van o.m. de scheiding der machten.

De RvVb oordeelde hierover als volgt:

‘[…]

4. In de bestreden beslissing stelt de verwerende partij vast dat de aanvraag betrekking heeft op een stadstuin, die tal van hoogstammige bomen bevat en samen met (een deel van) de tuin van de buurpercelen een biologisch waardevolle „parktuin‟ vormt, aangeduid op de biologische waarderingskaart van Gent versie 2009 met symbool 3+. De verwerende partij stelt verder vast dat, behalve de kastanjeboom, de bomen dichtbij de perceelsgrens met de rechter buren staan, maar dat anderzijds de bomen meer dan 30 jaar oud zijn. De verwerende partij overweegt voorts dat in het hiervoor vermeld vonnis van de rechtbank van eerste aanleg beslist wordt dat de bomen moeten gerooid worden omdat ze teveel schaduw veroorzaken voor de verzoekende partijen. De verwerende partij sluit zich vervolgens aan bij de beoordeling van de aanvraag door het college van burgemeester en schepenen, die in eerste administratieve aanleg oordeelde en tot de conclusie kwam dat vier van de vijf bomen in aanmerking komen om te worden gerooid. Deze beoordeling wordt in de bestreden beslissing als volgt hernomen:
de berk groeit volledig over bij de buren en staat dichtbij de achtergevel (volgens ingediend plan op ± 5 m ervan), zodat deze voor zeer veel schaduw zorgt;
- de lijsterbes betreft een kleinere boom die geen esthetische waarde heeft doordat deze drastisch is teruggesnoeid tot op 2,5 m hoogte;
- de taxus betreft een kleine boom die heel dicht bij de zijperceelsgrens staat;
- de tamme kastanje is relatief klein en schuin opgegroeid waardoor deze minder waarde heeft en op termijn een risico op schade inhoudt.

Met betrekking tot de esdoorn overweegt de verwerende partij dat deze boom een hoogte heeft van 17 meter en op een afstand staat van 10 meter van de achtergevels van de betrokken woningen, dat niet betwist wordt dat het om een gezonde en biologisch waardevolle boom gaat en dat de enige reden die verzoekende partijen aanhalen om de boom te rooien is dat de boom schaduw werpt op hun perceel.

De verwerende partij stemt vervolgens in met het standpunt van het college van burgemeester en schepenen dat het rooien van deze grote en zeer oude boom stedenbouwkundig onverantwoord is, dat hiermee het karakter van de betrokken parktuin teveel geschaad wordt, dat de parktuin niet enkel voor de aanvragers belangrijk is, maar tevens een verademing voor het ganse binnengebied waarin de tuin zich bevindt, dat dit gegeven van een andere orde is dan het negatieve effect (ontnemen zonlicht) bij de rechterburen, dat het individueel belang en nadeel niet in verhouding staat tot het veel grotere belang van de gemeenschap, de stad, en het stedelijk weefsel, dat nood heeft aan groen, ook in de dicht bebouwde kernen, dat binnen dergelijke omgevingen steeds elementen aanwezig zijn die het genot van aanpalende percelen beïnvloeden, doch dat er niet kan verwacht worden dat al deze elementen opgeruimd worden, wanneer deze niet resulteren in een maat van burenhinder die de maat van gangbare, te verwachten burenhinder overstijgt, dat wanneer een perceel bewoond wordt dat noordelijk paalt aan een stadstuin waarin sinds jaar en dag een boom voorkomt, men zich dan kan verwachten aan een impact op de bezonning van die tuin, zodat dient geconcludeerd dat de ingeroepen hinder de maat van te verwachten hinder niet overstijgt, dat de esdoorn daarenboven op een ruime afstand staat van de perceelsgrens, dat door toe te staan dat 4 van de 5 bomen mogen gerooid worden - waaronder deze die het dichtst bij de achtergevel en dus de terraszone staan - reeds in belangrijke mate wordt tegemoetgekomen aan de verzuchting van de rechterburen om meer zonlicht te ontvangen, dat het bovendien een situatie betreft die sinds lang mee de plaatselijke aanleg bepaalt, dat de precedentswaarde van een dergelijke ingreep niet te onderschatten is op de groene elementen binnen deze stad, dat het behoud van deze ecosystemen mee zorgt voor kwaliteit in de stad.

5.
Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg, dat overigens slechts een beperkt gezag van gewijsde heeft en alleen inter partes geldt, staat er niet aan in de weg dat de verwerende partij de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning kon en diende te beoordelen overeenkomstig de toepasselijke bepalingen, waaronder artikel 4.3.1 VCRO. Daar waar de burgerlijke rechter exclusief bevoegd is tot het beoordelen van een vordering van een buur op grond van artikel 544 Burgerlijk Wetboek, komt het aan de vergunningverlenende overheid toe om te oordelen over een vergunningsaanvraag die betrekking heeft op het vellen van bomen die aan een vergunningsplicht onderworpen zijn.

De verzoekende partijen kunnen derhalve niet gevolgd worden dat de burgerlijke rechter reeds heeft geoordeeld over dezelfde problematiek en dat het gezag van gewijsde niet toelaat dat de partijen zouden kunnen onderworpen worden aan “hetzelfde geschil”. Een vergunningverlenend orgaan treedt niet op als rechter in een burgerlijk geschil, maar beslist over het al dan niet verlenen van een gevraagde vergunning.

Uit de bespreking onder het vorige randnummer blijkt dat de verwerende partij tot de conclusie is gekomen dat het verlenen van een vergunning voor het rooien van de esdoorn “stedenbouwkundig onverantwoord” is. Het blijkt niet en de verzoekende partijen tonen ook niet aan dat de verwerende partij de grenzen van haar bevoegdheid heeft overschreden bij het beoordelen van de aanvraag.

[…]

7.
De conclusie van het voorgaande is dat de verzoekende partijen geen schending aantonen van de door bepalingen en beginselen. Het middel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond.

[…]’

In graad van cassatie bij de Raad van State werd door de aanvragers geargumenteerd dat ‘het bestreden arrest artikel 144 Gw miskent. De motieven van het bestreden arrest voor de verwerping van het beroep, hebben immers uitsluitend betrekking op de bestanddelen over onrechtmatige burenhinder zoals beoordeeld in artikel 544 BW. Door het bijtreden en overnemen van de argumentatie van de deputatie, heeft de RvVb uitspraak gedaan over het subjectief recht van Maes-Messens, wat de RvVb overeenkomstig artikel 144 Gw niet toekomt. Aangezien deze bepaling van openbare orde is, kan dit middel zelfs voor het eerst voor de Raad van State worden opgeworpen.’.

De Raad van State overwoog middels arrest van 15 juli 2015 met nummer 231.961 het volgende:

‘[…]

7. Overeenkomstig de artikelen 144 en 145 Gw behoort het aan de hoven en rechtbanken en niet aan de vergunningverlenende overheid om zich over de schending van subjectieve rechten uit te spreken.

8. Het middel gaat terug op de ongegrondverklaring van het eerste middel van […] waarin zij onder meer de schending van het beginsel van de scheiding der machten aanvoeren, na de vaststelling door de RvVb dat de bestreden vergunningsbeslissing overweegt “dat de enige reden die […] aanhalen om de boom te rooien is dat de boom schaduw werpt op hun perceel”, dat het rooien van de esdoorn stedenbouwkundig onverantwoord is omdat dit het karakter van de parktuin die “een verademing voor het ganse binnengebied”is, teveel schaadt, “dat het individueel belang en nadeel niet in verhouding staat tot het veel grotere belang van de gemeenschap”, “dat er niet kan verwacht worden dat al deze elementen [die het genot van aanpalende percelen beïnvloeden] opgeruimd worden, wanneer deze niet resulteren in een maat van burenhinder die de maat van gangbare, te verwachten burenhinder overstijgt”, dat “de ingeroepen hinder de maat van te verwachten hinder niet overstijgt”, en de daarop volgende overwegingen dat:

- het vonnis niet belet dat de deputatie de vergunningsaanvraag kon en diende te beoordelen overeenkomstig artikel 4.3.1 en 1.1.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
- […] niet kunnen gevolgd worden “dat de burgerlijke rechter reeds heeft geoordeeld over dezelfde problematiek en dat het gezag van gewijsde niet toelaat dat de partijen zouden kunnen onderworpen worden aan ‘hetzelfde geschil’”
uit de voormelde vaststelling blijkt dat de deputatie tot de conclusie is gekomen dat het verlenen van een vergunning voor het rooien van de esdoorn ‘stedenbouwkundig onverantwoord’ is en niet blijkt dat de deputatie “de grenzen van haar bevoegdheid heeft overschreden bij het boordelen van de aanvraag”.

9. Door aldus te beslissen dat de deputatie, spijts haar uitspraak over de burenhinder, niet haar bevoegdheid heeft overschreden, schendt het bestreden arrest artikel 144 Gw. Het tweede middelonderdeel is gegrond.’
08/05/2014

Bestuurlijke lus bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen vernietigd door het Grondwettelijk Hof

Met het recent arrest van 8 mei 2014 met nummer 74/2014 heeft het Grondwettelijk Hof de bestuurlijke lus door de Raad voor Vergunningsbetwistingen vernietigd.

Naar aanleiding van de beroepen tot vernietiging van de artikelen 4.8.4 en 4.8.28, §2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) heeft het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken over de grondwettelijkheid van de mogelijkheid voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen om tijdens de schorsings- en/of annulatieprocedure de vergunningverlenende overheid te vragen een vastgestelde onregelmatigheid in de bestreden beslissing te herstellen of te laten herstellen, d.i. de bestuurlijke lus.

Het opzet van deze bestuurlijke lus in het procedurereglement van de Raad voor Vergunningsbetwistingen bestond erin dat de Raad een oplossingsgerichte rechtspraak zou ontwikkelen. 

Het Grondwettelijk Hof oordeelt hierover nu als volgt:

‘[…] B.7.2. De beginselen van de onafhankelijkheid van de rechter en van de scheiding der machten zijn fundamentele kenmerken van de rechtsstaat.

B.7.3. Het rechterlijk toezicht dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen uitoefent, betreft de externe en interne wettigheidscontrole, die niet zover gaat dat hij zijn beoordeling in de plaats zou kunnen stellen van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de administratie. Bij zijn controle mag de rechter zich immers niet begeven op het terrein van de opportuniteit, vermits dat onverenigbaar zou zijn met de beginselen die de verhoudingen regelen tussen het bestuur en de rechtscolleges.

Het vaststellen van de inhoud van een discretionaire beslissing, meer bepaald als gevolg van het herstel van de onregelmatigheid, komt niet de rechter maar het bestuur toe. Het vergunningverlenende bestuursorgaan kan beslissen, met name wanneer het van mening is dat het herstel van de onregelmatigheid een weerslag kan hebben op de inhoud van de bestreden beslissing, geen gebruik te maken van de mogelijkheid tot toepassing van de bestuurlijke lus.

B.7.4. Door de Raad voor Vergunningsbetwistingen de mogelijkheid te bieden, wanneer die de toepassing van de bestuurlijke lus voorstelt, zijn standpunt over de uitkomst van het geschil kenbaar te maken, dat nochtans tot dezelfde beslissing moet leiden, doet de bestreden bepaling op discriminerende wijze afbreuk aan het beginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter.

B.8.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling op discriminerende wijze afbreuk doet aan de rechten van verdediging, het recht op tegenspraak en het recht op toegang tot de rechter.

B.8.2. Krachtens de bestreden bepaling kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen het vergunningverlenende bestuursorgaan « in elke stand van het geding met een tussenuitspraak » de mogelijkheid bieden om de bestuurlijke lus toe te passen. Pas nadat het betrokken bestuursorgaan die mogelijkheid heeft benut, kunnen de partijen hun zienswijze meedelen (artikel 4.8.4, § 2, laatste lid).

B.8.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling op discriminerende wijze afbreuk doet aan de rechten van verdediging, het recht op tegenspraak en het recht op toegang tot de rechter.

B.8.2. Krachtens de bestreden bepaling kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen het vergunningverlenende bestuursorgaan « in elke stand van het geding met een tussenuitspraak » de mogelijkheid bieden om de bestuurlijke lus toe te passen. Pas nadat het betrokken bestuursorgaan die mogelijkheid heeft benut, kunnen de partijen hun zienswijze meedelen (artikel 4.8.4, § 2, laatste lid).

Het loutere oordeel door de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat de belanghebbenden door de toepassing van de bestuurlijke lus niet onevenredig kunnen worden benadeeld, kan niet volstaan. Het komt immers de partijen zelf toe, en niet het rechtscollege, om uit te maken of een nieuw element opmerkingen behoeft of niet (zie, mutatis mutandis, EHRM, 18 februari 1997, Nideröst-Huber t. Zwitserland, § 29; 27 september 2011, Hrdalo t. Kroatië, § 36).’

B.8.4. De toepassing van de bestuurlijke lus kan daarenboven gevolgen hebben voor de belanghebbenden, bedoeld in artikel 4.8.11 van de VCRO, die tegen de beslissing geen beroep hebben ingesteld en die niet zijn tussengekomen in het geding.

Het recht op toegang tot de rechter is een algemeen rechtsbeginsel dat met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aan eenieder moet worden gewaarborgd. Een beslissing die met toepassing van de bestuurlijke lus is genomen, kan niet van het recht op toegang tot de rechter worden uitgesloten. De beperking van dat recht, voor een categorie van belanghebbenden, is niet evenredig met de door de decreetgever nagestreefde doelstelling die in essentie erin bestaat de bestuurlijke geschillenbeslechting te stroomlijnen en te versnellen.

B.8.5. Door niet te voorzien in een op tegenspraak gevoerd debat over de mogelijkheid tot toepassing van de bestuurlijke lus, in gevallen waarin zulks nog niet het voorwerp was van debat tussen de partijen, en door niet te voorzien in de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de beslissing die met toepassing van de bestuurlijke lus is genomen, na de kennisgeving of de bekendmaking daarvan, doet de bestreden bepaling op discriminerende wijze afbreuk aan de rechten van verdediging, het recht op tegenspraak en het recht op toegang tot de rechter.
[eigen aanduiding]

De verzoekende partijen voerden tevens aan dat de praktijk van de bestuurlijke maatregel de formele motiveringsplicht uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen zou schenden.

Het Hof valt deze visie bij en overweegt het volgende:

‘[…] B.9.3. Die bepalingen veralgemenen de verplichting om de bestuurshandelingen met individuele draagwijdte uitdrukkelijk te motiveren. De uitdrukkelijke motivering van de betrokken handelingen is een recht van de bestuurde, aan wie aldus een bijkomende waarborg wordt geboden tegen bestuurshandelingen met individuele strekking die willekeurig zouden zijn.

B.9.4. Een gemeenschaps- of gewestwetgever zou, zonder de federale bevoegdheid ter zake te schenden, niet vermogen de bescherming die door de federale wetgeving aan de bestuurden wordt geboden te verminderen door de overheden die optreden in de aangelegenheden waarvoor hij bevoegd is, vrij te stellen van de toepassing van de voormelde wet of door die overheden toe te staan daarvan af te wijken (zie o.a. het arrest nr. 91/2013 van 13 juni 2013).

B.9.5. Doordat zij het betrokken bestuursorgaan toestaat een individuele bestuurshandeling die niet uitdrukkelijk is gemotiveerd na toepassing van de bestuurlijke lus van de vereiste motivering te voorzien, doet de bestreden bepaling afbreuk aan het bij de wet van 29 juli 1991 gewaarborgde recht van de adressaat van de handeling, maar eveneens van elke belanghebbende derde, om onmiddellijk kennis te nemen van de motieven die de beslissing verantwoorden door de vermelding ervan in de handeling zelf. Het recht op de uitdrukkelijke motivering maakt het mogelijk het jurisdictionele toezicht op de bestuurshandelingen met individuele draagwijdte en de inachtneming van het beginsel van de wapengelijkheid in het kader van het administratief contentieux te versterken.

De uitdrukkelijke motiveringsplicht, die de bestuurde in staat moet stellen te beoordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt, zou zijn doel voorbijschieten indien die bestuurde de motieven die de beslissing verantwoorden pas te weten kan komen nadat hij beroep heeft ingesteld.

Overigens vereist artikel 6, lid 9, van het Verdrag van Aarhus, ondertekend op 25 juni 1998, betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden dat de tekst van de betrokken bestuurshandeling, voor zover zij onder het toepassingsgebied van het Verdrag valt, toegankelijk wordt gemaakt voor het publiek « tezamen met de redenen en overwegingen waarop het besluit is gebaseerd »

B.9.6. Bovendien, opdat artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 van toepassing kan zijn, is vereist dat de aangenomen reglementering noodzakelijk is voor de uitoefening van de bevoegdheden van het gewest, dat de aangelegenheid zich leent tot een gedifferentieerde regeling en dat de weerslag van de in het geding zijnde bepalingen op de aangelegenheid slechts marginaal is.

Te dezen echter volstaat het vast te stellen dat de weerslag van de in het geding zijnde bepaling op de federale bevoegdheid inzake uitdrukkelijke motivering niet marginaal is aangezien zij erop neerkomt toe te staan dat de motieven van een beslissing met betrekking tot een aanvraag tot vergunning, validering of registratie niet in de handeling zelf voorkomen en door het bevoegde bestuurlijke gezag pas worden bekendgemaakt in de loop van de procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

B.10. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de bestreden bepaling dient te worden vernietigd.’
[eigen aanduiding]

Met betrekking tot artikel 4.8.28, §2, derde lid van de VCRO (de kostenverdeling naar aanleiding van de toepassing van de bestuurlijke lus) overweegt het Grondwettelijk Hof, in de mate voormeld artikel het artikel 4.8.4 van de VCRO viseert, het volgende:

‘B.12.1. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat het decreet niet enkel de mogelijkheid, maar de verplichting zou moeten inhouden om bij de toepassing van de bestuurlijke lus de kosten ten laste van de vergunningverlenende overheid te leggen. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling, doordat zij niet in een dergelijke verplichting voorziet, in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met internationaalrechtelijke bepalingen.

B.12.2. Het recht op toegang tot de rechter, dat met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aan eenieder moet worden gewaarborgd, kan het voorwerp uitmaken van beperkingen, ook van financiële aard, voor zover die beperkingen geen afbreuk doen aan de essentie zelf van het recht op toegang tot een rechter.

Op zich doet een regeling die de kosten ten laste van een van de partijen legt geen afbreuk aan dat recht (vgl. het arrest nr. 85/2013 van 13 juni 2013, B.3).

Hoewel de kosten in de regel ten laste worden gelegd van de in het ongelijk gestelde partij, staat het recht op toegang tot de rechter evenmin in de weg aan een regeling die de rechter in bijzondere omstandigheden toestaat de kosten geheel of ten dele ten laste te leggen van de partij die in het gelijk wordt gesteld (zie het arrest nr. 57/2006 van 19 april 2006, B.6, alsook het arrest nr. 96/2012 van 19 juli 2012, B.9).

Het recht op toegang tot de rechter dient evenwel op een niet-discriminerende wijze te worden gewaarborgd (zie het arrest nr. 161/2011 van 20 oktober 2011, B.7.2).

B.12.3. Krachtens het eerste lid van artikel 4.8.28, § 2, van de VCRO legt de Raad voor Vergunningsbetwistingen in zijn uitspraak « het geheel of een deel van de kosten ten laste van de partij die ten gronde in het ongelijk gesteld wordt ».

In de regel vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen een bestreden beslissing wanneer zij onregelmatig is. De kosten worden in dat geval geheel of gedeeltelijk ten laste gelegd van het bestuursorgaan dat de onregelmatige beslissing heeft genomen.

Wanneer de Raad evenwel het bestuursorgaan de mogelijkheid biedt om de bestuurlijke lus toe te passen en de onregelmatigheid wordt hersteld, dan kan het beroep worden verworpen. De kosten worden in dat geval geheel of gedeeltelijk ten laste gelegd van de verzoekende partij, die immers « ten gronde in het ongelijk gesteld wordt ».

B.12.4. De decreetgever voert op die manier een verschil in behandeling in tussen twee categorieën van rechtzoekenden die voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen een beslissing hebben aangevochten, waarvan die Raad vervolgens heeft vastgesteld dat zij door een onwettigheid is aangetast. Doordat de decreetgever heeft bepaald dat de kosten niet volledig ten laste kunnen worden gelegd van de verzoekende partijen wanneer de bestreden beslissing wordt vernietigd, maar niet erin heeft voorzien dat de kosten evenmin volledig ten laste kunnen worden gelegd van de verzoekende partijen wanneer hun beroep als gevolg van de toepassing van de bestuurlijke wordt verworpen, heeft hij zonder redelijke verantwoording afbreuk gedaan aan het recht op gelijke toegang tot de rechter.

B.13. Daaruit volgt dat de bestreden bepaling dient te worden vernietigd in zoverre zij van toepassing is op de bestuurlijke lus.
[eigen aanduiding]

Gelet op het feit dat dit arrest vrij verregaande gevolgen zou kunnen hebben en ‘Aangezien de bekommernis van de decreetgever om te komen tot een effectieve en definitieve geschillenbeslechting bijval verdient […]’, werd het voorstel geopperd om de gevolgen van het vernietigde artikel 4.8.4 van de VCRO niet te handhaven gedurende een bepaalde periode ‘teneinde de rechtszekerheid niet in het gedrang te brengen en de decreetgever toe te laten een nieuwe regeling aan te nemen die niet de voormelde grondwettigheidsbezwaren oproept.’.

Hierover oordeelde het Grondwettelijk Hof het volgende:

‘Nu er geen dringende noodzaak bestaat voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen om de bestuurlijke lus in afwachting van het optreden van de decreetgever te kunnen blijven toepassen, dienen de gevolgen van de vernietigde bepaling niet te worden gehandhaafd.’

Benieuwd hoe het Grondwettelijk Hof zal oordelen over de bestuurlijk lus die sinds de hervorming van de procedure voor de Raad van State vanaf 1 maart 2014 ook daar zijn doorgang vond.

Wordt zoals altijd vervolgd…



14/05/2013

Raad voor Vergunningsbetwistingen nuanceert rechtspraak over verslag van PSA

Eerder hebben we u bericht over het gemak waarmede de Raad voor Vergunningsbetwistingen ambtshalve middelen indient, ondermeer voor wat betreft het verslag van de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar (PSA).

Na het cassatiearrest nr. 220.059 van 28 juni 2012 lijkt de rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen in rustiger vaarwater te komen:

- Het middel uitsluitend genomen uit de schending van artikel 4.7.23 VCRO raakt, aldus de RvVb de openbare orde niet en kan bijgevolg niet ambtshalve worden opgeworpen, tenzij tegelijk kan worden aangetoond dat de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening kennelijk onredelijk of onzorgvuldig zou zijn gebeurd

- De verzoeker kan geen belangenschade bij dergelijk middel doen gelden indien het advies van de PSA gelijkluidend is aan de beslissing die door de deputatie is genomen

Floris Sebreghts verwacht dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen nog steeds, en zelfs ambtshalve, een middel kan putten uit de kennelijk onredelijk of onzorgvuldige beoordeling van de goede ruimtelijke ordening, gekoppeld aan een schending van de formele motiveringsplicht uit artikel 4.7.23 § 1 VCRO.
Een algemene, redelijke en draagkrachtige motivatie door de deputatie zou echter volstaan ‘zonder elk punt van beoordeling van de PSA daarom ook individueel te moeten weerleggen’.   Indien er geen verslag is opgesteld door de PSA, dan is er naar zijn mening een substantiële vormvereiste en is de beslissing van de deputatie onwettig, hetgeen eveneens ambtshalve kan opgeworpen worden door de RvVb.

Referentie F. Sebreghts, ‘Het verslag van de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar en de rechtspraak van de RvVb: Na een hobbelig parcours weer op de juiste koers?’, TOO 2013, 8-13.Lees hier het bericht op onze blog Lokale besturen.
Tags