21/06/2016

Bestemmingswijziging kan niet als herstel in natura opgelegd worden

Zo oordeelt de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne, in het vonnis van 9 juni 2016:

‘De aansprakelijkheid van de overheid ten aanzien van de burger is onderworpen aan het gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsregime, zodat er een fout, schade en oorzakelijk verband in die zin van artikel 1382 e.v. BW dient bewezen te worden.

Wanneer de fout, schade en oorzakelijk verband bewezen worden, dient de rechter de overheid te verplichten tot rechtsherstel over te gaan. Dit rechtsherstel dient in principe in natura te gebeuren.

Evenwel is het herstel in natura niet mogelijk wanneer dit onmogelijk is, het rechtsmisbruik vormt, het herstel door het recht wordt uitgesloten of beperkt en wanneer de overheid een appreciatiemarge beschikt.

Wanneer de overheid een appreciatiemarge beschikt en de rechter legt een herstelmaatregel op, dan zou dit de rechtsmacht van de rechter te buiten gaan, aangezien de rechter niet in de plaats kan treden van de overheid.

De veroordeling tot herstel in natura zal slechts mogelijk zijn wanneer het handelen van de overheid kaderde binnen zijn gebonden bevoegdheid en de rechter dan alleen de uitvoering beveelt van wat de overheid had behoren te doen volgens de wettelijke of decretale bepalingen.
Wanneer de overheid daarentegen een appreciatiemarge had en niet op een bepaalde wijze moest optreden, dan kan de rechter de overheid niet verplichten om toch op deze wijze op te treden. 

De door eisers voorgehouden fout in hoofde van verweerders als overheid bestaat er in dat zij verkeerde informatie hebben verstrekt over de stedenbouwkundige bestemming van de percelen.

De rechtbank kan bij het weerhouden van de fout alleen een herstel in natura bevelen, hetgeen in casu zou inhouden de veroordeling van verweerders tot het verstrekken van de juiste informatie naar aanleiding van de aankoop en het behandelen van de vergunningsaanvragen. 
Dit is evenwel onmogelijk, aangezien de aankoop en de vergunningsaanvragen voldongen feiten zijn.

De door eerste verweerster gevraagde veroordeling ten opzichte van haarzelf en tweede verweerster houdt dan ook geen herstel in natura in, maar een compensatiemaatregel om de nadelige gevolgen van de fout op te heffen, te compenseren.
Eerste verweerster vordert te horen zeggen voor recht dat de huidige bestemming van de percelen aangepast moet worden aan de schijn die de overheid heeft gewekt bij de burgers door het verlenen van verkeerde informatie.

Evenwel behoort de bepaling van de bestemming van een perceel tot de uitsluitende bevoegdheid van het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten. Zij bepalen conform het VCRO de ruimtelijke structuurplannen, de ruimtelijke uitvoeringsplannen en de verordeningen. Zij heeft daarbij een discretionaire beoordelingsmacht. De zorg voor de ontwikkeling van de duurzame ruimtelijke ordening zoals omschreven in dit artikel van het VCRO is een gezamenlijke opdracht van deze drie overheden (art. 1.1.3. VCRO).
Maar ook hier kan de rechtbank op grond van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten en het verbod voor de rechter om zijn rechtsmacht te buiten te gaan, de overheid niet opleggen om een perceel een welbepaalde bestemming te geven.
De rechtbank zou enkel kunnen opleggen, nu blijkt dat de stedenbouwkundig ambtenaar de verkeerde stedenbouwkundige informatie heeft verstrekt en dit aan de hand van het plannenregister (bestand met stedenbouwkundige voorschriften, ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg, verordeningen, …), dat het plannenregister dient aangepast te worden aan de werkelijk door de Vlaamse Overheid bepaalde bestemming. De door de Vlaamse Overheid bepaalde bestemming wijzigen zoals gevorderd valt buiten de rechtsmacht van de rechtbank die zich bij de discretionaire bevoegdheid van de overheid niet in de plaats mag stellen.

Het gewettigd vertrouwen dat bij de burger gecreëerd werd door het op vaste basis en gedurende lange tijd verstrekken van eenzelfde verkeerde informatie kan enkel door de burger ingeroepen worden om haar schade te bewijzen, zijnde de schending van haar rechtmatig belang (zie onder).
Eerste verweerster zal, zo zij van oordeel is dat de bestemming dient gewijzigd te worden, de geëigende procedure dienen te volgen tot wijziging van de stedenbouwkundige bestemmingen, zoals bijvoorbeeld het rechten van voorstellen op hoger echelon conform artikel 1.3.3. VCRO.

De vordering van eerste verweerster, waarbij tussenkomende partij aansluit, is ongegrond.’

Referentie: Rb. Veurne, 9 juni 2016, AR 15/244/A, ng. (Pub505288)

17/01/2015

Vlaams Gewest (extracontractueel) in de fout wegens niet-uitvoering van artikel 2.4.10 VCRO

In een opmerkelijk vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel wordt het Vlaams Gewest extra-contractueel aansprakelijk gesteld omdat nog steeds geen uitvoeringsbepalingen werden genomen met betrekking tot de aankoopplicht in artikel 2.4.10 VCRO dat als volgt luidt:

‘§1. De eigenaar van een onroerend goed kan van het Vlaams Gewest de verwerving daarvan eisen indien hij aantoont dat, tengevolge van de vaststelling van één of meer al dan niet opeenvolgende ruimtelijke uitvoeringsplannen, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt (…). 
§2. De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden in de procedure van de aankoopplicht. De Vlaamse regering bepaalt de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs waarop de eigenaar recht heeft. (…)’.

De rechtbank oordeelde als volgt:

‘De Vlaamse regering zou volgens de nv A., de nv P. en de nv R. evenwel de redelijke termijn voor het vaststellen van dit uitvoeringsbesluit hebben overschreden en als zodanig een fout hebben gepleegd in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Zij zouden aldus aanspraak kunnen maken op het herstel van de schade die door deze fout werd ondergaan, en de verplichte aankoop van hun gronden – tegen de werkelijke waarde, zonder rekening te houden met de waardevermindering die volgt uit het GRUP - zou een herstel in natura uitmaken van deze schade.

Het Vlaams Gewest betwist een fout te hebben begaan in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Zij verwijst daartoe naar twee rechterlijke uitspraken waarin werd gesteld dat het uitblijven van uitvoeringsbesluiten niet kan beschouwd worden als een fout omdat de betrokken eiser aanspraak kon maken op een planschadevergoeding.

De rechtbank kan zich daarbij niet aansluiten. De omstandigheid dat de eigenaar die zich op de aankoopplicht wenst te beroepen ook aanspraak kan maken op een planschadevergoeding, heeft geen uitstaans met de vraag of de Vlaamse regering al dan niet een fout beging door geen (tijdige) uitvoering te geven aan artikel 2.4.10 van de VCRO. Artikel 2.4.10, §3 van de VCRO viseert overigens uitdrukkelijk de situatie waarin de eigenaar die een beroep doet op de aankoopplicht, ook aanspraak kan aken op een planschadevergoeding. De omstandigheid dat de eigenaar ook aanspraak kan maken op een planschadevergoeding, ontslaat de Vlaamse regering dan ook niet van haar verplichting om uitvoering te geven aan de opdracht van de decreetgever om de besluiten vast te stellen die de toepassing van artikel 2.4.10 van de VCRO mogelijk maken.

Artikel 2.4.10 van de VCRO is op 1 september 2009, thans reeds meer dan 4 jaar geleden, in werking getreden, zonder dat de uitvoeringsbesluiten werden vastgesteld die het mogelijk maken dat de eigenaars die zich in de decretale toepassingsvoorwaarden bevinden, hun aanspraak op de aankoopverplichting kunnen laten gelden.

Een termijn van 4 à 5 jaar om een uitvoeringsbesluit vast te stellen hoeft niet in alle omstandigheden als overdreven lang te worden beschouwd, doch het behoort de betrokken overheid in dergelijk geval om de redenen aan te geven waarom zij er nog niet in geslaagd is om de nodige besluiten te nemen (bv. technische moeilijkheidsgraad, noodzaak om overleg te plegen met actoren op het terrein, raadpleging van adviesorganen, …).

Het Vlaams Gewest voert in haar conclusies evenwel geen enkele reden aan ter verantwoording van het langdurig stilzetten van zijn regering.

In deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat het Vlaams Gewest een fout begaat in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, door na te laten zonder redelijke verantwoording binnen een redelijke termijn de nodige besluiten vast te stellen ter uitvoering van artikel 2.4.10 van de VCRO.’

Referentie: Rb. Brussel, 7 februari 2014, ng.  (pub505102)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Aankoopplicht, Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Overheidsaansprakelijkheid, Planschade, VCRO
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags