08/08/2018

Beslissing inzake de zaak van de wegen: gemeenteraad mag niet toetsen aan de goede ruimtelijke ordening

De artikelen 2 en 42 van het Gemeentedecreet bepalen dat de gemeenteraad beschikt over de volheid van bevoegdheid in zaken die voor de gemeente van belang zijn. Deze bevoegdheid is dus ruim geformuleerd. Volgens rechtsleer en rechtspraak omvatten die artikels in het kader van de zaak van de wegen onder meer (i) de aanleg van nieuwe gemeentewegen, (ii) de tracéwijziging, (iii) de verbreding of opheffing en (iv) de uitrusting van deze wegen.

Deze volheid van bevoegdheid maakt evenwel niet dat de gemeenteraad zich kan uitspreken over andere zaken dan deze die betrekking hebben op de zaak der wegen. Zij kan enkel gemotiveerd uitspraak doen over het tracé van de wegen, alsook de uitrusting ervan en de motieven van deze beslissing mogen enkel daarop betrekking hebben. Deze motiveringsplicht volgde eerder uit het toentertijd geldende artikel 10 van het Besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsaanvragen en aanvragen tot verkavelingswijziging. Thans volgt deze motiveringsplicht uit artikel 47 van Omgevingsvergunningsbesluit.

In het arrest van de Raad van State van 5 juli 2018 met nr. 242.076 van 5 juli 2018 wordt hier aan herinnerd. De Raad wijst op het toentertijd geldende artikel 4.2.25, eerste lid VCRO (nu: artikel 31, eerste lid Omgevingsvergunningsdecreet) en overweegt als volgt:

‘[…]

De gemeenteraad is niet bevoegd om de overeenstemming van de verkavelingsaanvraag met een goede ruimtelijke beoordeling , zoals bedoeld in artikel 4.3.1, §§ 1 en 2, VCRO, te beoordelen.

Het komt het vergunningverlenende bestuursorgaan, zijnde in eerste administratieve aanleg het college van burgemeester en schepenen, toe om de overeenstemming van een verkavelingsaanvraag met een goede ruimtelijke ordening te beoordelen.

Het toentertijd geldende artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 stelt dat in geval van een vergunningsaanvraag die wegeniswerken omvat als vermeld in artikel 4.2.25 VCRO, de gemeenteraad een gemotiveerd besluit over de zaak van de wegen neemt. Aan die motiveringsplicht is voldaan wanneer deze overheid in haar besluit duidelijk de met de zaak van de wegen verband houdende redenen uiteenzet waarop het is gesteund, zodat een belanghebbende met kennis van zaken tegen dit besluit kan opkomen en de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen, namelijk kan nagaan of de overheid haar beslissing heeft gesteund op in rechte en in feite aanvaardbare motieven.

11. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de tuinstroken niet rechtstreeks palen aan het ontworpen wegtracé, doch dat zich tussenin achtereenvolgens de bouwvrije voortuinstrook en de bouwstrook waarin de woningen zullen worden opgericht bevinden. Logischerwijs volgt de diepte van de tuinstrook uit de totale diepte van de kavels minus de dieptes van de voortuinstrook en de bouwstrook.

12. Terecht wijst verzoeker er op dat de enige verantwoording van de bestreden weigeringsbeslissing de te beperkte diepte van de tuinstroken is, waardoor “ernstige problemen” rond het gebruik van deze tuinstroken en het onderhoud van de waterloop zouden ontstaan. Nagaan of de in verzoekers verkavelingsaanvraag voorziene tuinstroken diep genoeg zijn komt evenwel, in eerste administratieve aanleg, het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nijlen toe, binnen haar toetsing van de overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening en met het toepasselijke gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Kern van Nijlen”.

13. De conclusie is dat de gemeenteraad zijn bevoegdheid heeft overschreden door de bestreden weigering te steunen op een motief waarvan niet blijkt dat het de zaak van de wegen betreft.

14. Het enig middel is in de aangegeven mate gegrond.’

01/06/2018

Niet de formele, maar wel de materiële motiveringsplicht geldt voor stilzwijgende weigeringsbeslissingen

Zo blijkt uit het arrest nr. RvVb/A/1718/0863 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 15 mei 2018:

‘De Raad merkt op dat de verzoekende partij in haar betoog de schending opwerpt van artikel 2 en 3 van de Motiveringswet. Anders dan wat verzoekende partij poneert, is deze wet echter niet van toepassing op stilzwijgende beslissingen en kan er bijgevolg geen sprake zijn van de schending van de formele motiveringsplicht.

Op een stilzwijgende beslissing is wel de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van toepassing samen met het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als onderdeel van de materiële motiveringsplicht. Het beginsel van de materiële motiveringsplicht houdt in dat er voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan, wat ondermeer betekent dat die motieven moeten steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld.’.

Vervolgens stelt de Raad voor Vergunningsbetwistingen vast dat ‘verwerende partij, door haar stilzwijgende weigeringsbeslissing,  zonder enige motivering de beroepsargumenten van verzoekende partij en de administratieve procedure heeft afgewezen.
Bovendien wordt de stilzwijgende weigeringsbeslissing van verwerende partij gekenmerkt door een kennelijk onzorgvuldigheid van de toetsing van het aangevraagde project aan de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening. Elke toets van de verenigbaarheid van het aangevraagde project met de stedenbouwkundige voorschriften en met de goede ruimtelijke ordening zoals voorgeschreven in artikel 4.3.1, §1 VCRO en een onderzoek van de argumentatie van de verzoekende partij hierover ontbreekt immers in de beslissing.

Het gegeven dat de provinciale stedenbouwkundig ambtenaar in een gemotiveerd verslag voorstelde om het beroep af te wijzen en de gevraagde stedenbouwkundige vergunning te weigeren, kan aan de voormelde gebreken in de bestreden beslissing niet verhelpen. De verzoekende partij heeft in haar replieknota overigens uitgebreid geantwoord op het verslag van de provinciale stedenbouwkundig ambtenaar. De Raad kan niet beoordelen in welke mate de vergunningverlenende overheid het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar is bijgetreden en in welke mate rekening is gehouden met de tegenargumentatie van verzoekende partij. Dit blijkt immers nergens uit de stilzwijgende beslissing.’.

Referentie: Pub1601-11

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Motivering, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
25/01/2015

De Raad voor Vergunningsbetwistingen is gebonden door de eerdere feitenbeoordeling van de Raad van State

De Raad van State heeft zich in zijn hoedanigheid als cassatierechter ten aanzien van de Raad voor Vergunningsbetwistingen uitgesproken over de doorwerking van een feitenbeoordeling in een eerder arrest van de Raad van State.

Meer bepaald besliste de Raad van State dat het gezag van gewijsde zich uitstrekt tot de onverbrekelijk met het dictum verbonden motieven waarover betwistingen bestonden en waarover de partijen tegenspraak hebben gevoerd. In casu sloeg het gewijsde op het oordeel van de Raad van State over de vraag of er al dan niet sprake was van herbouw.

In het cassatiearrest van de Raad van State van 2 december 2014 met nummer 229.436 wordt het volgende overwogen:

‘7. Het arrest nr. 212.238 van 25 maart 2011 van de toen nog bevoegde Raad van State dat het beroep van verweerders tegen het besluit van 23 december 2008 van de (toen bevoegde) vergunningverlenende overheid (in graad van administratief beroep) verwerpt, heeft gezag van gewijsde dat zich uitstrekt tot de onverbrekelijk met het dictum verbonden motieven waarover betwistingen bestonden en de partijen tegenspraak hebben gevoerd.

De in dat verwerpingsarrest in één van de verwerpingsgronden gedane vaststellingen dat “uit de gegevens van de zaak blijkt dat onder meer ongeveer de helft van de dragende buitenmuren, alle dragende binnenmuren en de draagstructuur van de vloeren werden vervangen, de funderingen en het volledige dak werden vernieuwd” zijn aldus niet zonder gezag van gewijsde en vormen dus een onweerlegbaar vermoeden.

De thans bevoegde RvVb is gehouden door het gezag van gewijsde van dit verwerpingsarrest van de voordien bevoegde Raad van State bij de beoordeling van het beroep van verweerders tegen het besluit dat de (thans bevoegde) vergunningverlenende overheid (in graad van administratief beroep, in casu verzoekster) heeft genomen omtrent een nieuwe (stedenbouwkundige) regularisatievergunningsaanvraag van verweerders waarin zij voorhouden dat “70 % van de buitenmuren werden bewaard”.

Aldus verbiedt te dezen het gezag van gewijsde dat de RvVb bij de beoordeling van het beroep van verweerders tegen de beslissing van verzoekster deze laatste een onzorgvuldige feitenvinding aan te wrijven, daarbij voorbijgaand aan het onweerlegbaar vermoeden dat “ongeveer de helft van de dragende buitenmuren […] werden vervangen”, anders gezegd dat minder dan 60% van de buitenmuren werden behouden.

8. De middelonderdelen gaan terug op de beoordeling van het eerste middel van verweerders waarin de schending wordt aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van motiveringswet evenals “het gebrek aan rechtens vereiste feitelijke grondslag” omdat
- de beslissing van verzoekster de regularisatievergunning weigert “op basis van de motivering dat bij de te regulariseren werken beweerdelijk ca 50% van de bestaande muren vervangen (ca 95 m² op een totaal van 194 m²) werden”;
- de beslissing van verzoekster “zonder enig motief voorbijgaat aan de duidelijke berekening die door de architect bij de bouwaanvraag werd gevoegd, en louter voortgaat op louter approximatieve gegevens die zijn opgenomen in een Ministerieel Besluit dd. 23 december 2008 […] en op basis van deze louter approximatieve gegevens dan nog komt tot een mathematisch verkeerd besluit”;
- artikel 4.1.1, 12° VCRO “een precieze kwantificering inhoudt, meer bepaald de bewering dat bij [de] uitvoering van de werken meer dan 40 % van de buitenmuren van het gebouw zou zijn vervangen”.

Het bestreden arrest verklaart het middel gegrond na een verwijzing in de feitenuiteenzetting van het in randnummer 7 aangehaalde arrest van de Raad van State en na het in herinnering brengen van de aangehaalde decretale definities van ver- en herbouwen en van het aan “hem opgedragen legaliteitstoezicht”, op grond van volgende overwegingen:
- “de notie ‘verbouwingswerken’ … [is] verankerd […] aan het percentage van de buitenmuren dat behouden blijft bij het uitvoeren van aanpassingswerken”;
- met toepassing van “artikel 145bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals van toepassing op het moment van de eerste regularisatieaanvraag” dat “geen precieze criteria [had] gedefinieerd […] en aan de hand [van] een eerder approximatieve berekening van de uitgevoerde aanpassingswerken”, kwam het ministerieel “besluit van 23 december 2008 tot de vaststelling […] dat deze werken dermate ingrijpend waren dat er geen sprake meer was van ‘verbouwen’”;
- vastgesteld wordt dat “er onduidelijkheid bestaat omtrent dat gedeelte van de buitenmuren dat behouden is gebleven en dat er manifeste verschillen bestaan tussen de berekening” van verweerders “in het vergunningsaanvraagdossier […] en deze waarop de bestreden beslissing zich baseert”;
- verzoekster kon op basis van “een aantal benaderende gegevens […] uit het ministerieel besluit van 23 december 2008 en door de door [verweerders] aangedragen gegevens louter te weerleggen als ‘dit in tegenstelling tot wat wordt beweerd door de aanvrager (70 %)’” in de bestreden beslissing “niet in redelijkheid, en aan de hand van de vereiste zorgvuldige feitenvinding, tot het besluit […] komen dat de uitgevoerde werken moeten worden beschouwd als een herbouw”.

9. Door aldus te besluiten tot een onzorgvuldige feitenvinding miskent het bestreden arrest het gezag en gewijsde van de in randnummer 7 vermelde vaststellingen in het arrest van de Raad van State en schendt het artikel 4.8.2 VCRO.

10. De middelonderdelen zijn in de gegeven mate gegrond.’‘7. Het arrest nr. 212.238 van 25 maart 2011 van de toen nog bevoegde Raad van State dat het beroep van verweerders tegen het besluit van 23 december 2008 van de (toen bevoegde) vergunningverlenende overheid (in graad van administratief beroep) verwerpt, heeft gezag van gewijsde dat zich uitstrekt tot de onverbrekelijk met het dictum verbonden motieven waarover betwistingen bestonden en de partijen tegenspraak hebben gevoerd.

De in dat verwerpingsarrest in één van de verwerpingsgronden gedane vaststellingen dat “uit de gegevens van de zaak blijkt dat onder meer ongeveer de helft van de dragende buitenmuren, alle dragende binnenmuren en de draagstructuur van de vloeren werden vervangen, de funderingen en het volledige dak werden vernieuwd” zijn aldus niet zonder gezag van gewijsde en vormen dus een onweerlegbaar vermoeden.

De thans bevoegde RvVb is gehouden door het gezag van gewijsde van dit verwerpingsarrest van de voordien bevoegde Raad van State bij de beoordeling van het beroep van verweerders tegen het besluit dat de (thans bevoegde) vergunningverlenende overheid (in graad van administratief beroep, in casu verzoekster) heeft genomen omtrent een nieuwe (stedenbouwkundige) regularisatievergunningsaanvraag van verweerders waarin zij voorhouden dat “70 % van de buitenmuren werden bewaard”.

Aldus verbiedt te dezen het gezag van gewijsde dat de RvVb bij de beoordeling van het beroep van verweerders tegen de beslissing van verzoekster deze laatste een onzorgvuldige feitenvinding aan te wrijven, daarbij voorbijgaand aan het onweerlegbaar vermoeden dat “ongeveer de helft van de dragende buitenmuren […] werden vervangen”, anders gezegd dat minder dan 60% van de buitenmuren werden behouden.

8. De middelonderdelen gaan terug op de beoordeling van het eerste middel van verweerders waarin de schending wordt aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van motiveringswet evenals “het gebrek aan rechtens vereiste feitelijke grondslag” omdat
- de beslissing van verzoekster de regularisatievergunning weigert “op basis van de motivering dat bij de te regulariseren werken beweerdelijk ca 50% van de bestaande muren vervangen (ca 95 m² op een totaal van 194 m²) werden”;
- de beslissing van verzoekster “zonder enig motief voorbijgaat aan de duidelijke berekening die door de architect bij de bouwaanvraag werd gevoegd, en louter voortgaat op louter approximatieve gegevens die zijn opgenomen in een Ministerieel Besluit dd. 23 december 2008 […] en op basis van deze louter approximatieve gegevens dan nog komt tot een mathematisch verkeerd besluit”;
- artikel 4.1.1, 12° VCRO “een precieze kwantificering inhoudt, meer bepaald de bewering dat bij [de] uitvoering van de werken meer dan 40 % van de buitenmuren van het gebouw zou zijn vervangen”.

Het bestreden arrest verklaart het middel gegrond na een verwijzing in de feitenuiteenzetting van het in randnummer 7 aangehaalde arrest van de Raad van State en na het in herinnering brengen van de aangehaalde decretale definities van ver- en herbouwen en van het aan “hem opgedragen legaliteitstoezicht”, op grond van volgende overwegingen:
- “de notie ‘verbouwingswerken’ … [is] verankerd […] aan het percentage van de buitenmuren dat behouden blijft bij het uitvoeren van aanpassingswerken”;
- met toepassing van “artikel 145bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals van toepassing op het moment van de eerste regularisatieaanvraag” dat “geen precieze criteria [had] gedefinieerd […] en aan de hand [van] een eerder approximatieve berekening van de uitgevoerde aanpassingswerken”, kwam het ministerieel “besluit van 23 december 2008 tot de vaststelling […] dat deze werken dermate ingrijpend waren dat er geen sprake meer was van ‘verbouwen’”;
- vastgesteld wordt dat “er onduidelijkheid bestaat omtrent dat gedeelte van de buitenmuren dat behouden is gebleven en dat er manifeste verschillen bestaan tussen de berekening” van verweerders “in het vergunningsaanvraagdossier […] en deze waarop de bestreden beslissing zich baseert”;
- verzoekster kon op basis van “een aantal benaderende gegevens […] uit het ministerieel besluit van 23 december 2008 en door de door [verweerders] aangedragen gegevens louter te weerleggen als ‘dit in tegenstelling tot wat wordt beweerd door de aanvrager (70 %)’” in de bestreden beslissing “niet in redelijkheid, en aan de hand van de vereiste zorgvuldige feitenvinding, tot het besluit […] komen dat de uitgevoerde werken moeten worden beschouwd als een herbouw”.

9. Door aldus te besluiten tot een onzorgvuldige feitenvinding miskent het bestreden arrest het gezag en gewijsde van de in randnummer 7 vermelde vaststellingen in het arrest van de Raad van State en schendt het artikel 4.8.2 VCRO.

10. De middelonderdelen zijn in de gegeven mate gegrond.'
Tags