07/11/2018

Hof van Justitie heeft zich uitgesproken over (te vrijblijvende?) Nederlandse Programma Aanpak Stikstof (PAS)

De PAS is een programmatische aanpak die ervoor moet zorgen dat de stikstofdeposities dalen en andere maatregelen worden genomen ter verbetering van de staat van instandhouding van stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden, waardoor bijkomend vergunningen kunnen worden verleend zonder een hypotheek te leggen op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden.

Bij onze noorderburen werd een dergelijke Programmatische Aanpak Stikstof eerder al uitgewerkt in wat in de rechtsleer beschouwd werd als een ronduit unieke en innovatieve poging om economische ontwikkelingen te verzoenen met stringente natuureisen.

Vlaanderen volgde later. Op 23 april 2014 keurde de Vlaamse regering de gebiedsgerichte instandhoudingsdoelen (S-IHD) voor de verschillende speciale beschermingszones goed. Wegens de gevolgen voor de vergunningverlening keurde zij eveneens het concept goed van een programmatische aanpak stikstof (PAS).

Het Europese Hof van Justitie werd door de Nederlandse Raad van State bevraagd omtrent de Nederlandse PAS. In het arrest in de gevoegde zaken C-293/17 en C-294/7 van vandaag, 7 november 2018, heeft het Hof zich hierover uitgesproken.

Het heet dat het Nederlandse stikstofbeleid als te vrijblijvend wordt beschouwd.

Een vrijstelling voor bemesten en beweiden is alleen mogelijk als op grond van ‘objectieve gegevens’ is verzekerd dat geen aantasting van het Natura 2000-gebied zal plaatsvinden.

De PAS is toegestaan, maar dan moet de passende beoordeling wel grondig en volledig zijn getoetst en worden gegarandeerd dat er geen wetenschappelijke twijfel is dat er geen schadelijke gevolgen zijn voor de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden.

Bij een passende beoordeling mag geen rekening worden gehouden met maatregelen als de verwachte voordelen niet vaststaan.

Het Hof oordeelde (o.m.):

‘122. De verwijzende rechter wenst met name te vernemen of er bij een passende beoordeling als bedoeld in artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn, alleen rekening kan worden gehouden met dergelijke maatregelen als die maatregelen reeds zijn getroffen en resultaat hebben gehad.

123. Dienaangaande moet worden vastgesteld dat het in strijd met de nuttige werking van artikel 6, leden 1 en 2, van de habitatrichtlijn zou zijn dat naar het effect van maatregelen die krachtens die bepalingen nodig zijn, kan worden verwezen om, voordat die maatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd, op grond van lid 3 van dat artikel een vergunning te verlenen voor een plan of project dat gevolgen heeft voor het betrokken gebied [zie in die zin arrest van 17 april 2018, Commissie/Polen (oerbos van Białowieża), C‑441/17, EU:C:2018:255, punt 213].’

Gepost door Meindert Gees

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Meindert Gees, Milieurecht, Passende beoordeling, Vlaams Gewest, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
27/07/2018

Publieke inspraak Plan-MER watergevoelige openruimtegebieden (tot en met 30 augustus)

De codextrein heeft de Vlaamse Regering de bevoegdheid gegeven om bepaalde gebieden aan te duiden als watergevoelig openruimtegebied. Deze watergevoelige openruimtegebieden zijn gebieden die volgens de bestemmingsvoorschriften ontwikkelbaar zijn, maar waarvoor de ontwikkeling problematisch is in het licht van het integraal waterbeheer.

Binnen deze afgebakende gebieden zal het nagenoeg onmogelijk zijn om te bouwen.

Het plan heeft tot doel watergevoelige openruimtegebieden aan te duiden voor het behoud of de versterking van het open of groene karakter in functie van waterbeheersing in 114 gemeenten.

De eerste fase van de procedure - 'de plan-MER' - is nu aangevat, waarin de milieueffecten zullen onderzocht worden. De Vlaamse Regering heeft hiervoor een (voorlopig) dossier opgesteld. 

Tot en met 30 augustus loopt hiertegen nu een openbaar onderzoek. 

Het dossier is te raadplegen op de website van het departement omgeving. 

Gepost door Merlijn De Rechter

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Merlijn De Rechter, Milieurecht, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/07/2018

Lage drempel bij Raad van State voor milieuverenigingen

Dit blijkt nogmaals uit het arrest nr. 242.009 van 28 juni 2018 waarbij de milieuvergunning van een crematorium werd aangevochten:

'De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen, in rechte optreden ter verdediging
van het doel of de doeleinden waarvoor ze zijn opgericht. Wanneer een VZW, die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor de Raad van State optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en derhalve onderscheiden van het algemeen belang, dat zij optreedt ter verdediging van een collectief belang,dat haar maatschappelijk doel door de bestreden handeling kan worden geraakt, en dat niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.

Anders dan de tussenkomende partij aanneemt is het niet vereist dat er daarenboven ook een band van evenredigheid zou bestaan tussen het actieterrein van de verzoekende partij en de territoriale draagwijdte van de aan de milieuvergunning verbonden milieueffecten.

Zowel het in de statuten van de verzoekende partijen opgenomen maatschappelijk doel, als de strekking van het annulatieberoep dat ze hebben ingediend, is ruimer dan de loutere bescherming van de open ruimte.

De vergunde inrichting is een als hinderlijk ingedeelde inrichting klasse 1 wat op zichzelf volstaat voor de verzoekende partijen die zich precies de bescherming van die leefomgeving tot doel hebben gesteld om het vereiste belang te hebben bij het indienen van een annulatieberoep ongeacht welke administratieve rechtshandelingen zij nog of niet bestrijden ter bevordering van hun maatschappelijk doel.

Het al of niet draagkrachtig karakter van de argumenten van de verzoekende partijen betreft de beoordeling van hun middelen.

De excepties worden verworpen.

Het annulatieberoep is ontvankelijk'.

Referentie: PUB5244-3

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Milieurecht, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
19/10/2017

Beroepsprocedure bij geldboetes inzake meststoffen doorstaat toets Grondwettelijk Hof

Ten bewijze de motivering in het arrest nr. 122/2017 van het Grondwettelijk Hof van 19 oktober 2017:

'Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.3.1. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of artikel 27ter, § 2, eerste lid, van het decreet van 23 januari 1991 de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet schendt in zoverre het bepaalt dat de beslissingstermijn begint te lopen op de datum van de afgifte ter post van de aangetekende brief houdende verzoek tot kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling van de administratieve geldboete.

B.3.2. Het Hof heeft reeds herhaalde malen geoordeeld dat een bepaling krachtens welke de termijn waarover een persoon beschikt om een jurisdictioneel (arresten nrs. 170/2003, 166/2005, 34/2006, 43/2006 en 48/2006) of een administratief beroep (arresten nrs.  5/2007, 123/2007, 162/2007, 178/2009 en 41/2017) in te stellen tegen een beslissing aanvangt op het ogenblik van de verzending van die beslissing, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het recht van verdediging van de geadresseerde op onevenredige wijze wordt beperkt doordat die termijn begint te lopen op een ogenblik dat de geadresseerde nog geen kennis kan hebben van de inhoud van de beslissing.

B.3.3. De in het geding zijnde bepaling dient evenwel te worden onderscheiden van de bepalingen waarover het Hof zich in voormelde arresten heeft uitgesproken. De termijn van zes maanden bepaald in artikel 27ter, § 2, eerste lid, van het decreet van 23 januari 1991 is
geen beroepstermijn, maar een termijn waarover de beroepsinstantie beschikt om zich uit te spreken over de verzoeken ingediend op basis van de artikelen 27 en 27bis van het decreet.

Door van de heffingsplichtige te eisen dat hij zijn verzoek tot kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling indient via aangetekend schrijven, heeft de decreetgever een maatregel genomen die de heffingsplichtige in staat stelt om met zekerheid het aanvangspunt te berekenen van de termijn van zes maanden vermeld in artikel 27ter, § 2, eerste lid, van het decreet van 23 januari 1991. Hij maakt het echter mogelijk dat, op een ogenblik dat de bevoegde ambtenaar geen kennis kan hebben van het bezwaarschrift, een vervaltermijn begint te lopen waarbinnen die administratie moet beslissen om te vermijden dat het bezwaar of het verzoek tot kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling gegrond wordt geacht. Met toepassing van artikel 27ter, § 2, derde lid, van het decreet van 23 januari 1991 kan de bevoegde ambtenaar echter op eigen initiatief de termijn van zes maanden eenmalig bij met redenen omkleed aangetekend schrijven verlengen met een periode van zes maanden. Ook al kan het feit dat de datum van verzending van het verzoek tot kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling als aanvangspunt van de termijn wordt beschouwd, in werkelijkheid die termijn inkorten, toch wordt niet op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de mogelijkheden voor de administratie om het verzoek te beantwoorden, omdat die termijn voldoende lang blijft.

B.4. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.5.1. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht de bestaanbaarheid van de regel van het gegrond geacht bezwaar in geval van ontstentenis van een tijdige beslissing, vervat in artikel 27ter, § 3, van het decreet van 23 januari 1991, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te toetsen, in zoverre die regel enkel van toepassing is op de administratieve geldboeten inzake mestheffing, en niet op de administratieve boeten inzake rijksbelastingen.

Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid dat de verwijzing naar de administratieve boeten inzake rijksbelastingen betrekking heeft op de administratieve beroepsprocedure vermeld in artikel 366 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992,
zoals van toepassing voor de rechter ten gronde.

B.5.2. Nu de prejudiciële vraag is gebaseerd op een vergelijking tussen de administratieve geldboeten inzake meststoffen en de administratieve geldboeten inzake rijksbelastingen, wordt het verschil in behandeling verklaard door de uitoefening, door de federale overheid en het Vlaamse Gewest, van hun respectieve bevoegdheid in een verschillende aangelegenheid. Onverminderd de mogelijke toepassing van het evenredigheidsbeginsel bij de bevoegdheidsuitoefening, zou de autonomie die de gemeenschappen en gewesten door of krachtens de Grondwet is toegekend, geen betekenis hebben indien een verschil in behandeling tussen adressaten van, enerzijds, federale regels en, anderzijds, gewestelijke regels als zodanig strijdig zou worden geacht met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.

B.6. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk recht, Milieurecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
10/08/2016

Vervaltermijn milieuvergunning loopt niet tijdens vernietigingsprocedure voor Raad van State

De Raad van State verwoordt het in het arrest nr. 233.938 van 25 februari 2016  als volgt:

Artikel 28, § 1, 1°, van het milieuvergunningsdecreet bepaalt dat de vergunning van rechtswege vervalt wanneer zij betrekking heeft op een inrichting die “niet in gebruik werd genomen binnen de krachtens artikel 17 bepaalde termijn”. Luidens het derde lid van voormeld artikel 17 mag die termijn geen drie jaar overschrijden.

Blijkens de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet dat het milieuvergunningsdecreet is geworden, beoogt voormelde vervalregeling “vooral de bescherming van de buren en derden, die uit het niet in bedrijf nemen of houden van een inrichting, zouden kunnen afleiden dat de exploitant van zijn voornemen om de inrichting te vestigen of verder te exploiteren heeft afgezien en daarnaar zouden kunnen handelen” (Parl. St. Vl.R. 1984-1985, nr. 291/1, 14).

Artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet moet restrictief worden geïnterpreteerd. Op die wijze geïnterpreteerd kan de verplichting om de inrichting binnen een termijn van maximaal drie jaar in gebruik te nemen, enkel een aanvang nemen vanaf het ogenblik dat vaststaat dat de vergunning voor de houder ervan een zeker en definitief gegeven is. Van de vergunninghouder kan immers niet worden verwacht dat hij een precaire milieuvergunning ten uitvoer brengt, met alle risico’s van dien. Dit is het geval wanneer derden een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State waardoor de vergunning ongedaan kan worden gemaakt of zelfs kan worden ingetrokken.

In voorliggend geval hebben vijf van de huidige verzoekende partijen de nietigverklaring gevorderd van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 27 augustus 2009 waarbij aan de tussenkomende partij de vergunning werd verleend voor het verder exploiteren en veranderen van de rundveehouderij (zaken A. 194.477/VII-37.566 en A. 194.478/VII-37.567). De exploitant is in deze procedures tussengekomen om zijn belangen te vrijwaren. Uit die vaststelling kan bezwaarlijk worden afgeleid dat hij louter door het aanwenden van een rechtsmiddel door derden-belanghebbenden, zou hebben afgezien van de realisatie van het project.

De beroepen tot nietigverklaring werden respectievelijk verworpen bij arrest nr. 217.307 van 19 januari 2012 en arrest nr. 217.682 van 2 februari 2012. Bijgevolg heeft de onzekerheid over de rechtskracht van de basisvergunning pas opgehouden te bestaan na de kennisgeving van laatstvermeld arrest aan de tussenkomende partij. Rekening houdend met dit uitgangspunt, was de termijn voor ingebruikname niet verstreken op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen.


Het enig middel is ongegrond’.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Lokale besturen, Milieurecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags