03/10/2019

Ook Beleidsplan Provincie Oost-Vlaanderen een eerste keer ter inzage

Ter aanvulling van een eerder blogbericht - waarin ook het belang van provinciale beleidsplannen werd uiteengezet - ligt thans ook het provinciaal Beleidsplan 'Oost-Vlaanderen 2050' een eerste maal ter inzage. 

De relevante documenten vindt u hier.

Eerste opmerkingen kunnen overgemaakt worden tot en met 14 november.

Gepost door Merlijn De Rechter

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Integraal handelsvestigingenbeleid, Lokale besturen, Merlijn De Rechter, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
01/10/2019

Raad voor Vergunningsbetwistingen spreekt zich uit over de melding van de beroepstermijn op het omgevingsloket

Aangezien het Omgevingsvergunningsdecreet en bijhorende uitvoeringsbesluiten niet meer voorzien in een attest van aanplakking - hetgeen de start van de beroepstermijn voor derden akteert - rees de vraag waarop een derde zich dan wel moest beroepen om de laatste dag van de beroepstermijn te weten te komen. 

In een eerder blogbericht wezen wij al op de gevaren. 

De Raad voor Vergunningsbetwistingen is nu onlangs, op 13 augustus 2019, tot een eerste arrest gekomen dienaangaande (RvVb 13 augustus 2019, RvVb-S-1819-1296):

"Het omgevingsvergunningsdecreet voorziet immers niet in een attest van aanplakking, zoals voorheen het geval was, noch omvat artikel 57 OVB de verplichting om op de affiche van aanplakking de startdatum van de aanplakking te vermelden. Bovendien zijn de gegevens over de aanplakking in het omgevingsloket, met name de registratie van de startdatum van aanplakking en eventueel bijgevoegde foto’s, voor een derden zoals de verzoekende partijen via het publiek toegankelijk deel van het omgevingsloket op het eerste gezicht niet raadpleegbaar.

Aangezien de omgevingsvergunningsprocedure in hoofdzaak digitaal verloopt, zoals ook in de regelgeving is vastgelegd, mogen derden er in die concrete omstandigheden dan ook op kunnen vertrouwen dat vermelde einddatum van de beroepstermijn in het omgevingsloket correct is. Er kan van een derde niet in die mate waakzaamheid worden vereist, en de vermelding van een einddatum van de beroepstermijn op het publieke luik in het omgevingsloket ondermijnt de plicht tot waakzaamheid overigens ook, dat hij zelf ook nog steeds bij de gemeente moet verifiëren wanneer de aanplakking in het omgevingsloket is geregistreerd.

Voor zover de gegevens van de aanplakking niet ter inzage liggen op grond van de bepalingen uit het artikel 63 OVB, dat die gegevens op het eerste gezicht niet uitdrukkelijk vermeldt, vallen derden, zoals de verzoekende partijen, terug op de generieke regeling inzake de toegang tot bestuursdocumenten uit het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Gezien de besturen slechts binnen de in het Bestuursdecreet vermelde termijnen moeten beslissen om de inzage al dan niet toe te staan, loopt een derde op die manier het risico dat zijn beroepstermijn reeds is verstreken op het moment hij inzage in de gegevens van de aanplakking verkrijgt."

De laatste dag om beroep in te dienen zou aldus gelijk zijn aan de datum 'einde beroepsperiode derden' zoals in het omgevingsloket is bepaald. 

Een en ander blijkt evenwel niet uitdrukkelijk uit het omgevingsvergunningsdecreet, dus het blijft wel oppassen in de praktijk, maar het kan niet ontkend worden dat de rechten van derden hierdoor wel enigszins versterkt worden. 

Gepost door Merlijn De Rechter

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Lokale besturen, Merlijn De Rechter, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
13/08/2019

Decreet Gemeentewegen gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad

Op 12 augustus 2019 werd het Decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. 

Dit decreet heft de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen op en voorziet in een harmonisatie van de regelgeving met betrekking tot alle gemeentewegen.

Zo heeft de gemeenteraad voortaan de exclusieve bevoegdheid voor de aanleg, wijziging, verplaatsing en opheffing van alle gemeentewegen. De gemeenteraad kan, los van een andere procedure, beslissen over de aanleg, wijziging, verplaatsing en opheffing van alle gemeentewegen. Daarnaast wordt ook voorzien in een integratie van deze beslissing van de gemeenteraad in een ruimtelijke planningsinitiatief of de procedure van de omgevingsvergunning.

Tegen de beslissing van de gemeenteraad kan nu ook administratief beroep worden ingesteld bij de Vlaamse Regering.

Verder bevat het decreet regels over de realisatie van gemeentewegen, de afpaling en het beheer ervan, de verjaring en de voorwaarden voor een vergoeding voor waardevermindering of waardevermeerdering van de gronden waarop de gemeenteweg gesitueerd is.

Het decreet voorziet tot slot in uitgebreide handhavingsmogelijkheden voor de gemeente waaronder de last tot herstel, de bestuursdwang en dwangsommen.

Op 1 september 2019 treedt het decreet nu in werking.

De aangenomen tekst vindt u hier.

Gepost door Merlijn De Rechter

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Lokale besturen, Merlijn De Rechter, Omgevingsvergunning, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
12/08/2019

Een verbod op kleinhandel in een RUP kan niet zomaar!

In ons blogbericht van 19 februari 2018 lichtten we het arrest van het Hof van Justitie van 30 januari 2018 toewaarbij het Hof bevestigde dat detailhandel wordt gevat door de Europese Dienstenrichtlijn. Verder luidde het in het arrest onder meer dat assortimentsbeperkingen in bestemmingsplannen mogelijk zijn, maar dat deze moeten voldoen aan de eisen van artikel 15, 3de lid Dienstenrichtlijn dat in zoveel woorden stelt dat beperkingen in bestemmingsplannen mogelijk zijn mits zij (a) geen discriminatie inhouden; (b) noodzakelijk zijn om redenen van algemeen belang en (c) de beperkingen niet verder gaan dan nodig om het nagestreefde doel - in casu de bescherming van het stedelijk milieu - te bereiken (= evenredigheidstoets).

De Raad voor Vergunningsbetwistingen erkent nu ook deze rechtspraak en toetste onlangs, in een arrest van 2 juli 2019 (RvVb 2 juli 2019, nr. RvVb-A-1819-1167), ex artikel 159 GW een ruimtelijk uitvoeringsplan aan de bepalingen van de Europese Dienstenrichtlijn.

Het arrest luidde:

"Op basis van het tweede middel dient de Raad te onderzoeken of het ruimtelijk uitvoeringsplan op grond van artikel 159 Grondwet buiten beschouwing moet worden gelaten aangezien dit ruimtelijk uitvoeringsplan de toets van artikel 15, derde lid Dienstenrichtlijn niet doorstaat. Op grond van artikel 159 Grondwet is de Raad bevoegd om onrechtstreeks wettigheidsaspecten van een ruimtelijk uitvoeringsplan te beoordelen.

Uit de hierboven vermelde overwegingen volgt dat artikel 9 van het ruimtelijk uitvoeringsplan beperkingen inzake detailhandel vastlegt; deze beperkingen dienen getoetst te worden aan de Dienstenrichtlijn. Krachtens artikel 15, derde lid Dienstenrichtlijn dienen dergelijke territoriale beperkingen cumulatief te voldoen aan volgende drie criteria :

“… 3. De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel;
b) noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
c) evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel
kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt. …”

De opgelegde beperkingen dienen samengevat noodzakelijk, niet-discriminatoir en evenredig te zijn. 

[...]

De Raad dient in het licht van voorgaande vaststellingen evenwel nog na te gaan of het verbod op kleinhandel, gegeven het nagestreefde doel, zowel in feite als in rechte, evenredig kan worden genoemd. Het verbod op kleinhandel in residentieel gebied moet geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken, niet verder gaan dan nodig is om dat doel te bereiken en het doel mag niet met andere, minder beperkende maatregelen gerealiseerd kunnen worden.

In het ruimtelijk uitvoeringsplan zelf kan geen verantwoording gevonden worden aangaande de evenredigheid van het verbod op kleinhandel. In de toelichting bij het ruimtelijk uitvoeringsplan wordt op geen enkele wijze gemotiveerd in hoeverre het uitdrukkelijke verbod op detailhandel, bestaande uit kleinhandel, waaronder de verkoop van (kinder)schoenen, en in tegenstelling tot autonome kantoren en diensten, geschikt is om de baanontwikkeling langs de Nieuwestraat tegen te gaan. Evenmin blijkt hieruit waarom deze maatregel in deze concrete omstandigheden nodig dan wel het meest geschikt is. De mogelijkheid bestaat immers dat door een andere maatregel/maatregelen eenzelfde doel bereikt kan worden.

Het komt de plannende overheid toe om te motiveren op welke wijze de territoriale beperking de evenredigheidstoets doorstaat. Bij gebreke hieraan is het voor de Raad niet mogelijk na te gaan in hoeverre het verbod op detailhandel de toets van de evenredigheid doorstaat." 
[eigen aanduidingen]

De Raad voor Vergunningsbetwistingen stelt bijgevolg dat een beperking van (een assortiment van) kleinhandel wel mogelijk is, maar stelt wel dat het voldaan zijn aan de voorwaarden van de dienstenrichtlijn afdoende moet gemotiveerd worden in het RUP zelf. 

Het arrest vindt u hier.

Hierover is bijgevolg het laatste woord nog niet gezegd...

23/05/2019

Grondwettelijk Hof vernietigt gewijzigde definitie van 'verkavelen'!

Krachtens artikel 4.2.15 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna : de VCRO) is het verkavelen van gronden onderworpen aan de omgevingsvergunningsplicht.

Het begrip verkavelen wordt gedefinieerd in artikel 4.1.1, 14° van de VCRO. Artikel 52, 4°, van het decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving (hierna : het decreet van 8 december 2017) wijzigde deze definitie, waardoor er slechts sprake is van verkavelen indien een grond vrijwillig wordt verdeeld in twee of meer onbebouwde kavels om ten minste één van die kavels te verkopen of te verhuren voor méér dan negen jaar, om er een recht van erfpacht of opstal op te vestigen, of om één van die overdrachtsvormen aan te bieden, zelfs onder opschortende voorwaarde, zulks met het oog op woningbouw of de oprichting van constructies. 

Een en ander had dan tot gevolg dat een «omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden» niet langer verplicht was voor de opsplitsing van een perceel in één bebouwde en één onbebouwde kavel. 

Het Grondwettelijk Hof vernietigt nu deze gewijzigde definitie. Zij motiveert als volgt:

"De bestreden bepaling heeft tot gevolg dat een « omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden » niet langer verplicht is voor de opsplitsing van een perceel in één bebouwde en één onbebouwde kavel. Hierdoor wordt het mogelijk om, zonder beperking qua omvang van de percelen of het aantal ervan, de vergunningsplicht en al de daaruit volgende waarborgen voor het leefmilieu en de goede ruimtelijke ordening, te vermijden door wat in werkelijkheid een grote verkaveling is, op kunstmatige wijze te faseren.

Bijgevolg worden de omwonenden van dergelijke percelen geconfronteerd met een aanzienlijke achteruitgang van het door de vroegere wetgeving geboden beschermingsniveau, die niet kan worden verantwoord door de aan de bestreden bepaling ten grondslag liggende doelstelling van administratieve vereenvoudiging, zoals vermeld in B.1.2."

Een verkavelingsvergunning zal dus terug nodig zijn... 

Het arrest vindt u hier.

Gepost door Merlijn De Rechter

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Merlijn De Rechter, Omgevingsvergunning, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Verkavelingsvergunning
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags