03/10/2016

Vrees voor verkeersproblemen is voor RvVb geen evidente schorsingsgrond

In het arrest nr. RvVb/S1617/0089 overweegt de Raad voor Vergunningsbetwistingen:

‘Hoewel de verzoekende partij stelt veiligheids- en parkeerproblemen te zullen ondervinden als gevolg van de gewijzigde weguitrusting, blijft zij vooreerst in gebreke aan te tonen dat de geschetste nadelen hun oorzaak vinden in de bestreden beslissing zelf.

De geschetste mobiliteit – en parkeerproblematiek lijkt immers in de eerste plaats betrekking te hebben op de wijze waarop verkeer wordt toegelaten in de zone, met name het in de wijk na uitvoering van de werken toegelaten snelheidsregime, richtingsverkeer en/of parkeerbeleid. De realisatie van het wegdek met gracht en naastliggende berm verhindert niet dat het verkeer – indien blijkt dat tweerichtingsverkeer gecombineerd met parkeren op de berm tegen een snelheid van 50 km/u gevaarlijke situaties zou doen ontstaan, op een andere wijze kan worden georganiseerd, zoals bijvoorbeeld snelheidsbeperkingen, eenrichtingsverkeer en/of een verbod om op (bepaalde plaatsen op) de bermen te parkeren. De verzoekende partij lijkt bij de overweging omtrent de ‘onherroepelijkheid van de werken’ niet stil te staan bij de impact van een gewijzigde verkeersorganisatie in de wijk op de door haar geschetste nadelige gevolgen.’

De vordering tot schorsing wordt verworpen'.

30/09/2016

Kan een gewone, anticipatieve schorsing voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen nog?

Na lezing van het arrest nr. RvVb/S1617/0089 van 20 september 2016 zou je daaraan twijfelen:

De bewering dat de vrees bestaat dat ‘de bouwheer de bouwwerken snel zal aanvatten’ – in een voetnoot verwijzend naar de grote vertragingen die het project reeds heeft opgelopen – kan tenslotte niet overtuigen dat de afhandeling van de vernietigingsprocedure te laat zal komen om de geschetste nadelen voor de verzoekende partij persoonlijk te voorkomen. De Raad merkt op dat de werken de heraanleg van de bestrating in een hele wijk behelzen, hetgeen impliceert dat de bestaande bestrating dient te worden opgebroken en wellicht een planmatige aanpak vereist is voor de uitvoering van de stedenbouwkundige vergunning, die ondermeer de aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel omvat, het opbreken van de bestaande inbuizing en de aanleg van een nieuwe brede gracht. De verzoekende partij beperkt zich tot eerder vage bemerkingen waarmee het hoogdringend karakter van de vordering niet wordt aangetoond. De vrees om voor voldongen feiten geplaatst te worden omwille ook van het publiekrechtelijk karakter van de tussenkomende partij, wordt met geen enkel gegeven gestaafd'.

Nu een schorsingsprocedure, ook bij uiterst dringende noodzakelijkheid, lopende de vernietigingsprocedure kan ingediend worden, lijkt de gewone anticipatieve, preventieve schorsingsprocedure in het gedrang te komen.  Het is immers niet gemakkelijk om te bewijzen dat er een reële dreiging is tot aanvang van de werkzaamheden, zeker indien de vergunningshouder zich daarover niet uitspreekt.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Hoogdringendheid&Spoedeisendheid, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/09/2016

Vrees voor verkeersproblemen is voor de RvVb geen evidente reden van hoogdringendheid in schorsingsprocedure

In het arrest nr. RvVb/S1617/0089 overweegt de Raad voor Vergunningsbetwistingen:

Hoewel de verzoekende partij stelt veiligheids- en parkeerproblemen te zullen ondervinden als gevolg van de gewijzigde weguitrusting, blijft zij vooreerst in gebreke aan te tonen dat de geschetste nadelen hun oorzaak vinden in de bestreden beslissing zelf.

De geschetste mobiliteit – en parkeerproblematiek lijkt immers in de eerste plaats betrekking te hebben op de wijze waarop verkeer wordt toegelaten in de zone, met name het in de wijk na uitvoering van de werken toegelaten snelheidsregime, richtingsverkeer en/of parkeerbeleid. De realisatie van het wegdek met gracht en naastliggende berm verhindert niet dat het verkeer – indien blijkt dat tweerichtingsverkeer gecombineerd met parkeren op de berm tegen een snelheid van 50 km/u gevaarlijke situaties zou doen ontstaan, op een andere wijze kan worden georganiseerd, zoals bijvoorbeeld snelheidsbeperkingen, eenrichtingsverkeer en/of een verbod om op (bepaalde plaatsen op) de bermen te parkeren. De verzoekende partij lijkt bij de overweging omtrent de ‘onherroepelijkheid van de werken’ niet stil te staan bij de impact van een gewijzigde verkeersorganisatie in de wijk op de door haar geschetste nadelige gevolgen.’

De vordering tot schorsing wordt verworpen'.

17/09/2015

Zelfs bij een reconstructie van een historische voorgevel kan er volgens de RvVb sprake zijn van ‘visuele hoogdringendheid’

In die zin oordeelde de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het (nog niet gepubliceerde) arrest nr. RvVb/UDN/1516/0010 van 10 september 2015:

‘De verzoekende partijen viseren nadelige gevolgen, die zowel uit de sloop van het bestaand gebouw, als uit de nieuw te bouwen meergezinswoning, voortvloeien.

Het pand, waarop de bestreden beslissing betrekking heeft, vormt samen met de aanpalende gebouwen een homogeen erfgoedensemble. Met betrekking tot de sloop van het pand oordeelt de Raad dat precies het doorbreken van dit homogeen ensemble ernstige visuele hinder veroorzaakt.

Dat de verwerende partij met de bestreden beslissing niet alleen de sloop, maar ook een nieuwbouw met herbouw van de gevel vergunt, doet hier geen afbreuk aan, integendeel: er is discussie over de conformiteit van de (immers niet helemaal identiek aan de originele) vergunde gevel met de originele gevel én over de al dan niet zichtbaarheid, van op de straat, van de met de bestreden beslissing vergunde dakappartementen met terras.

Alhoewel in de aangepaste plannen een hellend dak onder 45° met insnijdingen voor lichttoetreding voorzien is in plaats van een glazen voorgevel op 140 centimeter achter de rooilijn, houdt de verwerende partij in de bestreden beslissing, bij de beoordeling van deze zichtbaarheid van op de straat, geen rekening met de glazen balustrades op 1 meter van de rooilijn, die dus op het eerste gezicht, nog dichter bij de rooilijn staan dan de oorspronkelijke glazen voorgevel. Bovendien blijkt uit geen enkel document dat de verwerende partij haar stelling onderzocht heeft dat de bijkomende bouwlaag niet zichtbaar zal zijn van op de straat, en dat deze stelling correct is.’

Klassieker is de verantwoording van de hoogdringendheid op basis van het verlies aan zonlicht:

‘De verzoekende partijen stellen bovendien dat de nieuwbouw, omwille van de bouwdiepte van, minstens, 15 meter, gecombineerd met een bouwhoogte van meer dan 17 meter, leidt tot vermindering van inval van zonlicht en maken dit met documenten, waaronder foto’s en een simulatie met panelen, voldoende concreet en precies aannemelijk.

Het met de bestreden beslissing vergund project heeft een ernstige impact op het invallend zonlicht, waarvan de vermindering in redelijkheid niet ‘normaal te tolereren’ en dus ‘ernstig’ is.

Er is dan ook voldaan aan de in artikel 40, §2 DBRC-decreet en de artikelen 56 en 57 van het Procedurebesluit gestelde voorwaarde dat een bestreden vergunningsbeslissing alleen geschorst kan worden bij uiterst dringende noodzakelijkheid wanneer de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangetoond.’

Tags