20/01/2015

Raad van State legt kosten ten laste van verwerende partij na afstand van vergunning

In een eerder blogbericht werd gewezen op een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen waarbij de kosten ten laste werden gelegd van de tussenkomende partij, wanneer deze afstand heeft gedaan van de bestreden vergunningsbeslissing.

In een arrest van 25 november 2014 met nummer 229.330 oordeelt de Raad van State hier anders over. In dit geval was het de verwerende partij die meldde dat de tussenkomende partij had verzaakt aan de bestreden stedenbouwkundige vergunningsbeslissing (van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest) en dat het beroep aldus zonder voorwerp was komen te vallen.

De Raad verwoordt het als volgt:

‘3. Met een brief van 8 juli 2014 vraagt de eerste verwerende partij “het beroep te verwerpen bij gebrek aan voorwerp”. Reden daarvoor is dat de begunstigde van de bestreden beslissing liet weten dat die beslissing, evenals het besluit dat met het beroep gekend onder nr. A. 211.578/X-15.669 wordt bestreden, tot wettigheidsbezwaren en -betwistingen aanleiding geeft (vaststelling van een inbreuk; vorderingen tot schorsing en beroepen tot nietigverklaring bij de Raad van State), waaraan zij een einde wil maken door te verzaken aan de vergunningen die door de betrokken besluiten worden verleend.

4. De Raad van State valt de zienswijze bij dat het beroep in de gegeven omstandigheden zonder voorwerp is gevallen, maar meent dat er niettemin reden is de bestreden beslissing, zoals door verzoeker gevraagd, te vernietigen ter wille van de rechtszekerheid.

Het verzet daartegen van de eerste verwerende partij, ter terechtzitting, omdat een nietigverklaring volgens haar noodzakelijk de onwettigheid van de bestreden beslissing en dus een onderzoek van de aangevoerde middelen vereist, wordt niet gevolgd.

De “vernietiging met het oog op de rechtszekerheid” is een jurisprudentiële techniek die er, in een geval als het voorliggende, toe strekt datgene wat geacht moet worden het gevolg te zijn van de verzaking door de begunstigde van de bestreden beslissing – namelijk, naar de eigen mening van de eerste verwerende partij, dat de beslissing verdwenen is zodat het beroep “zonder voorwerp” is geworden – ook te formaliseren, ten behoeve van de duidelijkheid erga omnes in het rechtsverkeer, door de beslissing middels een vernietiging expliciet uit het rechtsverkeer weg te halen.

Als zodanig doet deze vernietiging de eerste verwerende partij geen enkel nadeel lijden en is zij zonder belang bij een betwisting ervan.

5. Waar het verdwijnen van het voorwerp waarop de eerste verwerende partij zich in haar brief van
8 juli 2014 beroept finaal teruggaat op de wettigheidsproblemen die de bestreden beslissing doet rijzen, is het passend de kosten ten laste van de verwerende partijen te leggen.

Dat in de Franstalige arresten waarnaar de eerste verwerende partij verwijst de kosten ten laste van de verzoekende of de tussenkomende partij worden gelegd, is niet van aard te dezen tot een ander oordeel te bewegen of tot een verwijzing naar de algemene vergadering. Het blijkt immers niet dat, zoals hier, ook in de zaken die aan deze arresten ten grondslag liggen, de verzaking aan de bestreden vergunning was ingegeven door de onwettigheid waarmee de vergunningsbeslissing behept zou zijn geweest.


BESLISSING

[…]

2. De verwerende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft.’

Gepost door Meindert Gees

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Gerechtskosten, Meindert Gees, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/08/2013

Rolrechten Raad voor Vergunningsbetwistingen altijd voor in het ongelijk gestelde partij

Zo oordeelt de Raad voor Vergunningsbetwistingen in een arrest A/20132/0438 van 6 augustus 2013:

'De Raad verwerpt de vraag van de verzoekende partij om het rolrecht terug te betalen, omdat "het onderzoek van de vordering tot schorsing beperkt bleef tot het onderzoek van het MTHEN en het onderzoek van de vordering tot nietigverklaring nog volledig moet worden aangevat".

Artikel 4.8.26, §2 VCRO bepaalt dat de Raad "in zijn uitspraak het geheel van de kosten ten laste (legt) van de partij die ten gronde in het ongelijk gesteld wordt" en dat zijn, omwille van de door verzoekende partij gevraagd afstand van geding, zeker niet de verwerende partij of één van de tussenkomende partijen.

De Raad legt de kosten van het beroep, zoals vermeld in artikel 4.8.18 VCRO dan ook ten laste van de verzoekende partij'.

Referentie: PUB 1734-4.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Gerechtskosten, Lokale besturen, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
10/03/2012

Gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur immuun voor rechtsplegingsvergoeding

In een recent arrest nr. 43/2012 van 8 maart 2012 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur (GSI) die een herstelmaatregel vordert voor de burgerlijke rechter en in het ongelijk wordt  gesteld, niet kan veroordeeld worden tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding. Het Hof was van oordeel dat de GSI de herstelmaatregel uitsluitend vordert in naam van het algemeen belang en deze taak in volle onafhankelijkheid moet kunnen uitoefenen, zonder rekening te houden met het financieel risico verbonden aan het proces.

Omgekeerd wordt ook aangenomen dat de GSI geen recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding wanneer hij in het gelijk wordt gesteld door de burgerlijke rechter.   

Gepost door Gilles Dewulf

Blog Grondwettelijk Recht, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Gerechtskosten, Grondwettelijk recht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
25/07/2011

De stedenbouwkundig inspecteur is geen burgerlijk partij

In een arrest van 24 mei 2011 verbrak het Hof van Cassatie een arrest van het hof van beroep te Brussel omdat de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur ten onrechte werd gelijkgesteld aan een burgerlijke partij voor de betaling van de rechtsplegingsvergoeding.

De rechtsplegingsvergoeding is een door de wetgever vastgestelde forfaitaire vergoeding voor de advocatenkosten die moet worden betaald aan de in het gelijk gestelde partij. In strafzaken wordt deze geregeld door artikel 162bis Wetboek Strafvordering. Wanneer een beklaagde niet wordt veroordeeld, dient de burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard een rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de beklaagde. Het Hof van Cassatie oordeeld dat dit niet geldt voor herstelvorderingen ingesteld door de gewestelijke stedenbouwkundig inspecteur:

"Artikel 162bis Wetboek van Strafvordering beperkt de verhaalbaarheid van de rechtsplegingsvergoeding in strafzaken tot de verhoudingen tussen eensdeels de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij, anderdeels de burgerlijke partij.

De herstelmaatregel beoogt niet zoals de schadevergoeding, de vergoeding van schade aan particuliere belangen, maar strekt ertoe een einde te maken aan de met de wet strijdige toestand die uit het misdrijf is ontstaan en waardoor het algemeen belang wordt geschaad.
Het optreden van de stedenbouwkundig inspecteur, die een wettelijke opdracht in het algemeen belang uitoefent en geen particulier belang nastreeft, kan niet worden gelijkgesteld met het optreden van een burgerlijke partij in de zin van artikel 162bis Wetboek van Strafvordering.

De appelrechters, na de herstelvordering van de eisers ongegrond te hebben verklaard, veroordelen hen tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding in hoofde van iedere verweerder. Zodoende schenden zij voormelde wetsbepalingen."

Volgens deze zienswijze lijkt het omgekeerde eveneens het geval: de burger die in het kader van een herstelvordering wordt veroordeeld is evenmin een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd aan de stedenbouwkundig inspecteur.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Gerechtskosten, Handhaving stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags