03/07/2014

Enkel gedeputeerden mogen horen in stedenbouwkundige beroepsprocedure

De Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft zich onlangs uitgesproken over de vraag of de deputatie in het kader van een stedenbouwkundig administratief beroep zelf de betrokkenen dient te horen of dat zij deze taak kan delegeren. 

Deze vraag werd gesteld naar aanleiding van een hoorzitting georganiseerd door een deputatie waarbij enkel de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar aanwezig was die de betrokkenen hoorde. Hiertoe beschikte deze over een delegatiebesluit van de deputatie.

In de procedure voor de Raad beriep de deputatie zich op artikel 4.7.23, §1 VCRO dat vooropstelt dat de deputatie haar beslissing neemt omtrent het ingestelde beroep op grond van het verslag van de PSA en nadat zij of haar gemachtigde de betrokken partijen op hun verzoek schriftelijk dan wel mondeling heeft gehoord.

Nu dit artikel niet voorschrijft dat enkel één of meer leden van de deputatie kunnen optreden als ‘gemachtigde’ zou de deputatie niet verplicht zijn om in persoon aanwezig te zijn ter hoorzitting. De deputatie wees op haar beslissing waarbij zij beslist had om enerzijds elk lid van de deputatie individueel en anderzijds de PSA te machtigen tot het horen van betrokkenen in het kader van een stedenbouwkundige administratieve beroepsprocedure.

Nog wees de deputatie op artikel 55, §2 van de stedenbouwwet volgens dewelke de ‘minister of zijn gemachtigde hoort’ en betoogde dat het artikel 4.7.23, §23 VCRO in diezelfde zin diende te worden begrepen.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft deze visie met de volgende bewoordingen verworpen:

‘1. Bij artikel 36 van decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid, werd onder meer de bepaling die thans is opgenomen in artikel 4.7.23, § 1 VCRO, ingevoegd. Deze bepaling luidt als volgt:

“De deputatie neemt haar beslissing omtrent het ingestelde beroep op grond van het verslag van de provinciaal stedenbouwkundige ambtenaar en nadat zij of haar gemachtigde de betrokken partijen op hun verzoek schriftelijk of mondeling heeft gehoord.”

Artikel 105 van hetzelfde decreet, opgenomen onder “Boek IX. – aanpassing van het provinciedecreet van 9 december 2005”, luidt als volgt:

“Aan artikel 57, § 1, tweede lid, van het Provinciedecreet van 9 december 2005 wordt volgende zinsnede toegevoegd :
"onder meer wat betreft het horen van betrokkenen bij een administratieve beroepsprocedure".”

Artikel 57, § 1 van het provinciedecreet, dat na het decreet van 27 maart 2009 nog gewijzigd werd bij decreet van 30 april 2009, luidt thans als volgt:

“De deputatie bereidt de beraadslagingen en de besluiten van de provincieraad voor.
Zij voert haar eigen beslissingen en die van de raad uit. Ze kan een van de gedeputeerden daarmee belasten. Ze kan eveneens één of meer gedeputeerden belasten met een opdracht en het onderzoek van een zaak, onder meer wat betreft het horen van betrokkenen bij een administratieve beroepsprocedure.
Ze beslist over alle zaken die tot het dagelijks bestuur van de provincie behoren.”

Artikel 57, § 1, tweede lid, zoals gewijzigd bij decreet van 29 juni 2012, van het Provinciedecreet van 9 december 2005 bepaalt:

“Zij voert haar eigen beslissingen en die van de raad uit. Ze kan een van de gedeputeerden daarmee belasten. Ze kan eveneens één of meer gedeputeerden belasten met een opdracht en het onderzoek van een zaak, onder meer wat betreft het horen van betrokkenen bij een administratieve beroepsprocedure.”

In de parlementaire voorbereiding - bespreking van amendement nr. 125 - bij het ontwerp van het vermeld decreet van 27 maart 2009, wordt de wijziging van artikel 57 van het provinciedecreet als volgt toegelicht (Parl. St., Vl. Parl., 2008-2009, nr. 2011/3, p. 73-74):
“...
Het ontwerp van decreet bepaalt dat de deputatie een beslissing over een administratief beroep in vergunningsaangelegenheden neemt “nadat zij of haar gemachtigde de betrokken partijen op hun verzoek of mondeling heeft gehoord”.
Bij sommige provincies bestaat de vrees dat het horen aldus enkel kan worden opgedragen aan de provinciegriffier, bij gebrek aan andersluidende bepalingen. De deputaties menen evenwel terecht dat ook een delegatie aan één of meer leden van de deputatie moet kunnen worden verleend.
Het is wenselijk om eerst een duidelijk overzicht te bieden van de delegatiemogelijkheden in hoofde van een deputatie.
Artikel 58 van het Provinciedecreet verleent aan de deputatie inderdaad de mogelijkheid om bevoegdheden op te dragen aan de provinciegriffier. De deputatie kan dienaangaande bepalen dat deze bevoegdheden verder kunnen worden „gesubdelegeerd‟ aan andere personeelsleden van de provincie.
Artikel 57, §1, tweede lid, van het Provinciedecreet voorziet nog in een andere delegatiemogelijkheid. Deze mogelijkheid bestaat erin om één of meer gedeputeerden te belasten met een bepaalde opdracht, die betrekking heeft op hetzij de uitvoering van een beslissing van de provincieraad of de deputatie, hetzij het onderzoek van een zaak; enkel een bevoegdheid om te beslissen kan niet worden gedelegeerd aan een gedeputeerde.
Er wordt door voorliggend amendement verduidelijkt dat het horen in een administratieve beroepsprocedure (zoals een beroep inzake een vergunningsbeslissing) effectief als „het
onderzoek van een zaak‟ mag worden beschouwd.
Dat betekent meteen dat het horen aan één of meer gedeputeerden kan worden opgedragen.
Aangezien deze lezing van het Provinciedecreet een algemene waarde heeft, ook buiten het vergunningencontentieux, werd het verantwoord geacht om één en ander te verankeren in het Provinciedecreet en niet in de specifieke ruimtelijkeordeningsregelgeving.
...”

Artikel 58 van het provinciedecreet luidt thans als volgt:

“Met behoud van de toepassing van artikel 155 en titel VII en behoudens bij uitdrukkelijke toewijzing van een bevoegdheid als vermeld in artikel 2, derde lid, aan de deputatie, kan de deputatie bij reglement de uitoefening van bepaalde bevoegdheden aan de provinciegriffier toevertrouwen.
De bevoegdheden van de deputatie, vermeld in het vierde lid en in artikel 57, § 1, eerste zin, en de op basis van § 2, gedelegeerde bevoegdheden door de provincieraad met betrekking tot het aanwijzen, het ontslaan en de sanctie- en tuchtbevoegdheden van de personeelsleden, als vermeld in artikel 92, tweede lid, die andere functies vervullen waaraan het organogram het lidmaatschap van het managementteam verbindt, en de bevoegdheden, vermeld in artikel 57, § 3, 7°, [2 8°, b) en c)]2, 9°, 10° en 11°, a), kunnen evenwel niet aan de provinciegriffier worden toevertrouwd. Hetzelfde geldt voor de bevoegdheden van de deputatie inzake financieel beheer, als vermeld in artikelen 151, 153, 155, § 2, eerste en tweede lid, en § 3, artikel 156, § 4, artikelen 157, 159, § 2, en artikel 164.
Met behoud van de toepassing van artikel 155 oefent de provinciegriffier de overeenkomstig het eerste lid toevertrouwde bevoegdheden persoonlijk uit. De provinciegriffier kan de uitoefening van die gedelegeerde bevoegdheid toevertrouwen aan andere personeelsleden van de provincie. Een subdelegatie van de bevoegdheid tot het aanstellen en het ontslaan van het personeel, alsook de sanctie- en de tuchtbevoegdheid ten aanzien van het personeel, aan andere personeelsleden dan de provinciegriffier, is evenwel niet mogelijk.
In afwijking van artikel 43 kan de deputatie in gevallen van dwingende en onvoorziene omstandigheden op eigen initiatief de bevoegdheden betreffende de vaststelling van de wijze van gunning en de voorwaarden van overheidsopdrachten, het voeren van de gunningsprocedure, de gunning en de uitvoering van overheidsopdrachten uitoefenen. Die bevoegdheid is niet voor delegatie vatbaar.”

2. Uit het voorgaande blijkt en volgt dat de delegatiemogelijkheid van artikel 57, § 1, tweede lid provinciedecreet te onderscheiden is van de delegatiemogelijkheid van 58 provinciedecreet en dat “het horen van betrokkenen bij een administratieve beroepsprocedure” te beschouwen is als “het onderzoek van een zaak”, zoals bedoeld in artikel 57, § 1, tweede lid provinciedecreet.

Uit artikel 57, § 1 volgt dat het “onderzoek van een zaak”, waaronder het horen van betrokkenen bij een administratieve beroepsprocedure, in principe toekomt aan de deputatie, maar dat de deputatie één of meer gedeputeerden met dit onderzoek kan belasten.

3. De verwerende partij stelt in de antwoordnota dat de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar, mevrouw […], aanwezig was op de hoorzitting als gemachtigde voor de deputatie, hetgeen tevens blijkt uit het verslag van de hoorzitting (stuk 15 administratief dossier).

Uit artikel 57, § 1, tweede lid provinciedecreet volgt echter dat slechts gedeputeerden kunnen worden belast met het horen van betrokkenen'.

Nu het horen van de betrokken partijen wordt beschouwd als een onderdeel van het onderzoek van de zaak, oordeelt de Raad dat enkel de deputatie of één of meer gedeputeerden die hiertoe worden gelast deze taak mogen uitvoeren.  Dit belet o.i. niet dat de provinciaal stedenbouwkundige ambtenaar aanwezig is op de hoorzitting.


Tags