26/04/2016

Overschrijding redelijke termijn leidt niet tot bevoegdheidsverlies RvVb

De Raad van State, in zijn hoedanigheid als cassatierechter, werd bevraagd omtrent de gevolgen van het langdurig uitblijven van een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb).

Verzoekster in cassatie werd 5,5 jaar na het instellen van het beroep door de Gewestelijke Stedenbouwkundige Ambtenaar bij de RvVb, waaronder 5 jaar na de pleitdatum op 1 september 2010, geconfronteerd met een vernietiging van haar bekomen vergunning.

Zij meende dat het dossier geen elementen bevatte die een dergelijk lange beraadslaging konden verantwoorden. Gelet op het verstrijken van de redelijke termijn, nog volgens verzoekster in cassatie, kon de RvVb niet meer overgaan tot vernietiging van het bestreden deputatiebesluit.

Verzoekster in cassatie voerde daartoe een schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, de artikelen 9.2 en 9.4 van het Verdrag van 25 juni 1998 ‘betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Verdrag van Aarhus), artikel 149 GW en het rechtszekerheidsbeginsel.

De Raad van State oordeelde dienaangaande als volgt:

‘13. Overeenkomstig artikel 14, § 2, RvS-wet doet de afdeling Bestuursrechtspraak uitspraak over de cassatieberoepen tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken “wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen”.

14. De RvVb is een administratief rechtscollege dat uitspraak doet over jurisdictionele beroepen (GwH 27 januari 2011, nr. 8/2011). Als zodanig was hij geroepen uitspraak te doen over het jurisdictioneel beroep van de GSA tot vernietiging wegens onregelmatigheid van de stedenbouwkundige vergunning die de deputatie aan de nv Fun Belgium uitreikte.

15. Op het ogenblik van het instellen van het beroep bij de RvVb bepaalde artikel 4.8.26, § l, tweede lid, VCRO dat de uitspraken van de RvVb worden uitgebracht binnen een ordetermijn van zestig dagen, die ingaat de dag na die van de zitting. Deze bepaling is thans overgenomen in artikel 87 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’.

16. De RvVb is derhalve een administratief rechtscollege dat, op straffe van rechtsweigering, uitspraak moet doen over het bij hem ingestelde jurisdictioneel beroep tegen een vergunningsbeslissing.

De loutere overschrijding van de daarvoor geldende termijn van orde onttrekt de zaak niet aan de bevoegdheid van de RvVb die ook na het overschrijden van de termijn van orde gehouden blijft uitspraak te doen over het jurisdictioneel beroep van de GSA, naar aanleiding waarvan de nv Fun Belgium een tussenkomende partij is.

Zelfs een niet verantwoorde vertraging bij het uitbrengen van een uitspraak kan de RvVb niet ontheffen van de hem door de decreetgever opgelegde verplichting uitspraak te doen over het bij hem aanhangig gemaakt jurisdictioneel beroep tot vernietiging om reden van onregelmatigheid van een vergunningsbeslissing.

Aan het overschrijden van die termijn kan de nv Fun Belgium dan ook geen ontvankelijk cassatiemiddel ontlenen “wegens overtreding van de wet” of “wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen”.

17. Het middel wordt verworpen.’


15/10/2014

Ambtshalve exceptie RvVb moet onderworpen worden aan tegenspraak

In het cassatiearrest van de Raad van State van 16 september 2014 werd de problematiek van de ambtshalve excepties en de gebeurlijke tegenspraak in het licht van de rechten van verdediging nog eens op scherp gesteld.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb) had in zijn arrest van 12 november 2013 met nummer A/2013/0663 tot de onontvankelijkheid van het beroep besloten op basis van de volgende overwegingen:

‘De verzoekende partij omschrijft in haar verzoekschrift niet het belang dat zij heeft bij de nagestreefde vernietiging.

Uit de aan de Raad meegedeelde stukken blijkt dat de verzoekende partij (mede)eigenaar is van  de woning die paalt aan het perceel waar de aanvraag van de tussenkomende partijen betrekking op heeft.

De verzoekende partij lijkt zonder meer aan te nemen dat de loutere beschikking over zakelijke of persoonlijke rechten met betrekking tot een onroerend goed dat is gelegen naast of in de nabijheid van het project haar op zich het rechtens vereiste belang bij de huidige procedure kan verschaffen. Die stelling kan niet worden bijgetreden. De tekst van artikel 4.8.16, §1, eerste lid, 3° VCRO verzet zich hiertegen en laat de Raad evenmin toe enig belang in hoofde van de verzoekende partij te vermoeden.

Het loutere nabuurschap op zich kan niet zonder meer volstaan om de verzoekende partijen het rechtens vereiste belang bij het beroep te verschaffen.

Ook de middelen die de verzoekende partij aanvoert en de toelichting daarbij verschaffen geen informatie op grond waarvan kan worden aangenomen dat de verzoekende partij rechtstreeks of onrechtstreeks hinder of nadeel ondervindt van de handelingen die het voorwerp van de bestreden beslissing uitmaken.

Het beroep is niet ontvankelijk.’

De verzoekende partij in de procedure voor de RvVb zag zijn beroep aldus stranden, zonder een debat te kunnen voeren over de voormelde ambtshalve exceptie. Deze partij besloot dan ook om (onder meer) op basis van artikel 6 EVRM verhaal te zoeken bij de Raad van State in zijn hoedanigheid van cassatierechter.

De verzoekende partij in cassatie verwoordde zijn tweede middelonderdeel (onder andere) als volgt:

‘[…] Bovendien “was er ten tijde van het indienen van het verzoekschrift geen enkele duidelijkheid over op welke wijze de RvVb de notie ‘belang’ zou gaan invullen” en werd “in latere procedurestukken […] tijdens de procedure voor de RvVb het belang van verzoekende partij nooit betwist en werden er geen excepties opgeworpen” zodat het “de RvVb [betaamt] om - minstens - de debatten te heropenen indien zij (meer) toelichting wenst over het door verzoekende partij ingeroepen belang”.’

De Raad van State verklaarde het tweede middelonderdeel op bondige wijze gegrond:

‘Uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan, blijkt niet dat de verwerende of de tussenkomende partij voor de RvVb heeft aangevoerd dat verzoeker niet het rechtens vereiste belang had of aantoonde voor het instellen van zijn vordering tot vernietiging.

Het arrest dat deze exceptie ambtshalve opwerpt zonder het aan de tegenspraak van de partijen te onderwerpen, om het beroep onontvankelijk te verklaren, miskent het recht van verdediging van verzoeker en schendt het recht op een eerlijke behandeling op grond van artikel 6.1 EVRM.

Het tweede middelonderdeel is in zoverre gegrond.’

Ambtshalve opgeworpen excepties dienen dus eerst aan een debat tussen partijen te worden voorgelegd, alvorens de RvVb - en bij uitbreiding de overige administratieve rechtscolleges - het beroep wegens onontvankelijkheid kan verwerpen. 
Tags