17/03/2017

Binnenkort geen beroepsmogelijkheden meer tegen omgevingsvergunning indien geen bezwaar werd ingediend lopende het openbaar onderzoek?

Als het van de Vlaamse Regering afhangt wel. Zo luidt het alvast in het verslag van de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement van 15 maart 2017:

De voorzitter

De heer Doomst heeft het woord.

Michel Doomst (CD&V)

Voorzitter, minister, collega's, op lokaal niveau is het een beetje zoals in ‘Het leven zoals het is’: men kan geen weg, woningcomplex of school meer bouwen of men krijgt er het actiecomité gratis bij. Dat is ten dele normaal, want men moet zijn rechten kunnen verdedigen. Maar uw aankondiging om onnodige klachtenfases in te dijken, is toch goed.

Het is goed om de ‘niet bij mij’-reflex bij de mensen weg te nemen en om de enorme ‘advocatisering’ van al die dossiers tegen te gaan.

Welke verbeterpunten hebt u daar in de mouw? Wat is uw timing? In hoeverre matcht het met het pionierswerk van de collega’s Ceyssens, Ronse en Peeters dat hier al is gebeurd?

De voorzitter

Minister Schauvliege heeft het woord.

Minister Joke Schauvliege

Mijnheer Doomst, ik denk dat we allebei vinden dat inspraak van de burger belangrijk is. We gaan dat niet echt beknotten. Het is belangrijk dat in de toekomst de burger inspraak blijft hebben.

De voorbije jaren werd er echter vaak misbruik gemaakt van dat recht. Daar wil de Vlaamse Regering toch wel iets aan doen. We willen dat misbruik aan banden leggen. Er is inderdaad een goed voorstel van decreet van dit parlement met betrekking tot het bestuursrechtscollege waar men een rechtsplegingsvergoeding moet betalen. Dat is ondertussen, denk ik, goedgekeurd door het parlement.

Er is nog een initiatief, en dat zal heel snel richting dit parlement komen. In de herziening van de Codex Ruimtelijke Ordening heb ik voorgesteld – en dat staat daar dus in, dat is al twee keer goedgekeurd door de Vlaamse Regering, hopelijk binnenkort ook definitief, zodat het naar het parlement kan – dat wanneer een burger de mogelijkheid heeft in een openbaar onderzoek om een bezwaar in te dienen en hij maakt geen gebruik van dat recht, hij nadien, als de beslissing er is, geen recht meer heeft om in beroep te gaan. De burger moet de mogelijkheden in het openbaar onderzoek benutten en kan alleen op die manier een beroepsprocedure opstarten.

Dat bestaat al in Nederland. Dat werkt daar erg goed. We hebben dat nu opgenomen in die codex. Als het parlement mijn voorstel goedkeurt, zal dat vrij snel, dit jaar nog, realiteit worden.

Het is inderdaad de bedoeling om te zorgen dat er geen misbruik meer wordt gemaakt van een beroepsmogelijkheid, waarna men oeverloos blijft procederen. Dat kost geld aan de overheid en aan de mensen zelf, en alles staat stil. Dat kan niet de bedoeling zijn, daarom doe ik het voorstel dat in Nederland goed werkt.

Michel Doomst (CD&V)

Het is belangrijk dat we de reikwijdte tussen het eigenbelang en het algemeen belang duidelijk definiëren. Ik hoop dat dat eruit komt. Ik hoorde dat het de bedoeling was dat het al volgende maand, na 1 april, naar het parlement komt. Klopt die timing? Want 1 april is altijd gevaarlijk.

De voorzitter

Mevrouw Pira heeft het woord.

Ingrid Pira (Groen)

Minister, we hebben begrip voor een aantal van uw bezorgdheden rond het aanvechten van vergunningen, maar we maken ons ook zorgen over een aantal gevolgen ervan. De rechtsplegingsvergoeding moet al betaald worden, dat is al goedgekeurd, als men in beroep zijn zaak verliest. Maar nu komt er nog een maatregel bij: als men tijdens het openbaar onderzoek niet heeft gereageerd, kan men niet in beroep gaan.

Talloos zijn de gevallen waarbij mensen het gewoon niet gezien hebben dat er iets aangeplakt werd. Onze bezorgdheid gaat dan vooral naar de straten en de pleinen waar eerder sociaal zwakkere mensen wonen, die veel minder nog aandacht hebben daarvoor. Als de cultuur rond aanplakken en verwittigen niet verandert, denken wij dat er meer en meer, samen met de rechtsplegingsvergoeding, een drempel ontstaat. Wij vrezen dat er een sociaal zwakkere groep uit de boot valt. Wat is uw mening daarover?

De voorzitter

De heer Ronse heeft het woord.

Axel Ronse (N-VA)

Minister, ik wil u feliciteren met het nieuwe element in de Codex Ruimtelijke Ordening. Het is bijzonder belangrijk om mensen de mogelijkheid te geven om beroep aan te tekenen. Ze moeten daarvoor transparantie krijgen voor het hele dossier. Men moet consequent zijn en beroepsprocedures mogelijk maken tijdens het openbaar onderzoek. Wanneer men geen bezwaar indient tijdens het openbaar onderzoek, moeten we de mogelijkheid daartoe niet meer bieden.

De Raad van State heeft daar advies over gegeven en heeft er een aantal opmerkingen op geformuleerd. U hebt er een repliek op gegeven. Gaat u ervan uit dat het dat zal overleven? Kan het dan eind april in werking treden? Het is zeer complementair op het parlementaire werk dat ik samen met collega’s Ceyssens en Peeters heb kunnen doen, en dat hier kamerbreed is goedgekeurd.

De voorzitter

Mevrouw Peeters heeft het woord.

Lydia Peeters (Open Vld)

Mijnheer Doomst, ik dank u om het parlementair initiatief dat we hebben genomen, nog eens in the picture te zetten. Iedereen die wil bouwen, heeft er alle baat bij zo snel mogelijk rechtszekerheid te hebben. Daarom zijn alle initiatieven die worden genomen om al die juridische carrousels te vermijden, alleen maar nobel en dragen ze bij aan meer rechtszekerheid voor iemand die wil bouwen.

Minister, onze fractie zal uw initiatief inzake geen bezwaar in het kader van het openbaar onderzoek en dan ook geen beroepsprocedure, zeker mee ondersteunen.

De voorzitter

De heer Tobback heeft het woord.

Bruno Tobback (sp·a)

Mevrouw Peeters, het recht en onze wetten bestaan niet alleen ter bescherming van wie wil bouwen, maar ook van degenen die erdoor zouden kunnen worden gehinderd en legitiem een beroep willen doen op hun rechten. Het recht werkt voor allebei. Dat is evenwicht.

Ik deel de bezorgdheid van heel wat collega's dat nodeloze procedures voor niets nodig zijn en frustratie kunnen opleveren voor een bouwheer, en vaak zelfs ook voor een lokaal bestuur. Anderzijds wil ik toch even herinneren aan waar we deze zitting vandaag mee begonnen zijn: een lofzang op mensen die we jarenlang, vaak vanuit verschillende posities, hebben vervloekt omdat we vonden dat ze maar bleven zeuren met procedures en steeds maar nieuwe procedures. Achteraf moeten we vaststellen dat al die wirwar aan nodeloze procedures – volgens sommigen – uiteindelijk hebben geleid tot een betere beslissing.

Minister en collega's van de meerderheid en van de regering, ik wil u oproepen om het evenwicht in het oog te houden. Het kan niet dat je alleen maar in beroep kunt gaan als je daarvoor de financiële middelen hebt. Het kan ook niet dat je een openbaar onderzoek organiseert dat niet zichtbaar is en waarvan de mensen achteraf zeggen dat de deur tegen hun gezicht is geslagen. Dat is ook geen rechtszekerheid, collega's. (Applaus bij sp.a)

Minister Joke Schauvliege

Mijnheer Tobback en mevrouw Pira, jullie maken een denkfout. Als je zoveel mogelijk wilt procederen om je gelijk te halen, dan kan ik meegaan in die redenering, maar dat is niet wat deze meerderheid wil. Deze meerderheid wil dat de burger die misschien opmerkingen of suggesties of bepaalde bezorgdheden heeft, zo vroeg mogelijk in de procedure de mogelijkheid heeft om die opmerkingen te formuleren, waarna de initiatiefnemer weet dat het gevoelig ligt en daar misschien aan kan tegemoetkomen. De overheid kan de beslissingen of bezwaren in dat openbaar onderzoek zo vroeg mogelijk meenemen en proberen eraan tegemoet te komen.

Als je natuurlijk niet aan het openbaar onderzoek meedoet en nadien een procedureslag begint, dan kom je inderdaad tot situaties zoals we die in het Antwerpse hebben gekend. Het is met dit initiatief dus niet de bedoeling om te zeggen dat er geen inspraak meer is. Het komt zowel wie bezwaren heeft als de initiatiefnemer ten goede dat zo vroeg mogelijk in de procedure de opmerkingen kunnen worden gemaakt, en dat wie de vergunningen verleent, er rekening mee kan houden om op die manier die evenwichten te bewaren. Dat beogen wij met dit voorstel. Het zal er ook voor zorgen dat we heel snel weten wat de gevoeligheden zijn en hoe we daar samen mee aan de slag kunnen om dat op te lossen in plaats van hele procedureslagen voor de rechtbank te voeren. Dat ligt op de tafel.

We zijn niet over één nacht ijs gegaan. Nederland past dat al langer toe en met succes. Waarom zouden wij dat in Vlaanderen niet kunnen doen? Je kunt Nederland er niet van verdenken dat het de inspraak van de burger onmogelijk maakt. Ik denk dus dat het een goed initiatief is om ervoor te zorgen dat er nog inspraak mogelijk is. Maar we willen vermijden dat er oeverloos wordt geprocedeerd zonder dat daar ook maar iets concreets uitkomt, want dat is niet goed voor de initiatiefnemer en het is ook niet goed voor de burger die bedenkingen heeft bij bepaalde initiatieven.

In de Vlaamse Codex formuleren wij een voorstel. Normaal gezien zal dat vrij snel, wellicht volgende week, naar de Vlaamse Regering kunnen gaan, die de codex dan definitief zal goedkeuren, waarna dit parlement er nog heel lang over zal kunnen debatteren. Hopelijk keurt het parlement dit dan ook goed. Dank u wel.

Michel Doomst (CD&V)

Minister, bedankt voor de concrete plannen en timing. Het is nodig. Voor het evenwicht tussen aanval en verdediging inzake vergunningen hoop ik vooral dat bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen de berg werk naar beneden gaat. Daar stropt van alles en het mag geen ‘raad voor vergunningsverkwistingen’ worden.

De voorzitter

De actuele vraag is afgehandeld.’

Deze regeling zal wellicht geïntegreerd worden in de nakende codextrein. 

01/03/2016

Over het hervormingsrecht van de deputatie na de omgevingsvergunning: een reactie van VVSG

VVSG reageert als volgt op het blogbericht 'Hervormingsrecht van de deputaties in de beroepsprocedure tegen stedenbouwkundige vergunningen onder vuur'. N-VA-volksvertegenwoordiger Bart Nevens liet tin het Vlaams Parlement optekenen:

'Het beroep bij de deputatie is tijdrovend, energieverslindend en kost geld. Laat ons ermee stoppen. Laat ons de suggestie van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) volgen. Ze stellen voor dat men bij de deputatie nog in beroep kan gaan, maar niet meer voor het inhoudelijke'. 

VVSG heeft bij ons als volgt gereageerd:

'Wij hebben in de commissie decentralisatie inderdaad (tevergeefs) voorgesteld om het beroep te beperken. (ruimte & leefmilieu fiche 06 = p. 129 in het eindverslag op http://binnenland.vlaanderen.be/decentralisatie )
Wij stelden voor dat het beroep zou beperkt worden tot de gevallen dat de gemeentelijke beslissing juridisch niet correct is, niet wettig is (incl. motiveringsplicht, incl. niet tijdig beslissen = stilzwijgende weigering)

Maar er is een misverstand over wat in ons voorstel de provincie mag doen als de gemeente juridisch in de fout ging. In dat geval moet de provincie zich niet beperken tot het vernietigen van de foutieve gemeentelijke beslissing en het dossier naar de gemeente terug te sturen om opnieuw te beslissen. Als de gemeente in de fout ging, dan mag de provincie zelf het dossier beoordelen en de vergunning al of niet uitreiken, met dezelfde beleidsruimte als de gemeente. Op dat punt hebben we geen wijziging aan de beroepsprocedure voorgesteld. Er is dus geen vertraging omdat het dossier terug naar de gemeente zou moeten om opnieuw te beslissen en er is geen blokkeringsrecht voor de gemeente door haar stilzitten.

Als een gemeentelijke beslissing daarentegen juridisch wél correct is, dan mag de provincie die niet herschrijven omdat zij binnen hetgeen wettelijk mogelijk is (beleidsruimte) een andere keuze wil maken dan de gemeente. Ons voorstel is niet meer dan dat. Anders dan nu zal de provincie dan niet meer kunnen tussenkomen bij goed onderbouwde beslissingen van de gemeente, maar behoudt men het beroepsrecht als de gemeente wel juridisch iets verweten kan worden.

Concreet zou dat kunnen luiden: Omgevingsvergunningsdecreet, art. 63. (onderstreept = toegevoegd t.o.v. huidige tekst)
De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52 (=beroepsoverheid), onderzoekt de wettigheid van de bestreden beslissing.
Als de bestreden beslissing onwettig is, dan onderzoekt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, de vergunningsaanvraag in haar totaliteit. 

Niettemin bedankt om deze discussie onder de aandacht te brengen op uw blog'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Administratief beroep, Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Omgevingsvergunning
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
21/02/2016

Hervormingsrecht van de deputaties in de beroepsprocedure tegen stedenbouwkundige vergunningen onder vuur

Lees hier de vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Bart Nevens (N-VA) aan Joke Schauwvliege en het antwoord van de minister.

Bart Nevens concludeert:

'Het beroep bij de deputatie is tijdrovend, energieverslindend en kost geld. Laat ons ermee stoppen. Laat ons de suggestie van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) volgen. Ze stellen voor dat men bij de deputatie nog in beroep kan gaan, maar niet meer voor het inhoudelijke. Laat het dossier, zoals in het nieuwe decreet staat, dan terugvloeien naar de lokale besturen, na aanpassing. Dan kunnen de plannen terug in openbaar onderzoek worden gebracht. Laat ons het tussenniveau eindelijk aanpakken. Er is de suggestie van de VVSG. Ik vraag u, minister, om aan tafel te gaan zitten met de vertegenwoordigers van de lokale besturen.'

Sommigen pleiten al langer voor het afschaffen  het beroepsrecht van derden voor de deputatie.

Het hervormingsrecht van de deputatie afschaffen is een andere zaak en heeft verregaande consequenties voor de aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning.  Een. De gemeente wordt dan inhoudelijk heer en meester, met slechts een marginale controle (in het licht van de wettigheidscontrole)  door opeenvolgend de deputatie, de Raad voor Vergunningsbetwistingen en de Raad van State.  Twee. Het is maar de vraag of een vernietigingstoezicht van de deputatie leidt tot een versnelling van de procedure. Drie.  In elk geval moet het hervormingsrecht behouden blijven bij een stilzwijgende weigering, zo niet dreigt de facto een 'blokkeringsrecht' voor de gemeente.
17/08/2015

Vergunningverlenende overheid gebonden door burgerrechtelijke uitspraak over burenhinder?

De Raad van State lijkt als cassatierechter de mening toegedaan dat het antwoord is: ja.

Concreet was er naar aanleiding van een dispuut aangaande burenhinder de vraag gerezen welke bomen in een tuin buitensporige hinder veroorzaakten voor de aanpalende buren. De rechtbank van eerste aanleg was in graad van beroep van oordeel dat 5 bomen op grond van artikel 544 Burgerlijk Wetboek dienden gerooid te worden nu deze te veel schaduw veroorzaakten voor de eisers, dit op straffe van een dwangsom.

De verweerders vroegen hierop een stedenbouwkundige vergunning voor het rooien van de bedoelde 5 hoogstammige bomen. De stad oordeelde dat het rooien van de kwestieuze esdoorn stedenbouwkundig gezien niet aanvaard kon worden nu deze o.m. deel uitmaakte van een biologisch waardevol tuincomplex. Hierop verleende deze de gevraagde vergunning voor de 4 hoogstammige bomen maar werd deze geweigerd voor de esdoorn.

In graad van beroep werd deze motivatie door de deputatie bijgetreden en werd geoordeeld dat ‘Door toe te staan dat 4 van de 5 bomen mogen gerooid worden […]reeds in belangrijke mate [wordt] tegemoetgekomen aan de verzuchting van de rechterburen om meer zonlicht te ontvangen.’

De aanvragers stelden hierop een vordering tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) stellende dat met een dergelijke uitspraak er sprake was van een schending van o.m. de scheiding der machten.

De RvVb oordeelde hierover als volgt:

‘[…]

4. In de bestreden beslissing stelt de verwerende partij vast dat de aanvraag betrekking heeft op een stadstuin, die tal van hoogstammige bomen bevat en samen met (een deel van) de tuin van de buurpercelen een biologisch waardevolle „parktuin‟ vormt, aangeduid op de biologische waarderingskaart van Gent versie 2009 met symbool 3+. De verwerende partij stelt verder vast dat, behalve de kastanjeboom, de bomen dichtbij de perceelsgrens met de rechter buren staan, maar dat anderzijds de bomen meer dan 30 jaar oud zijn. De verwerende partij overweegt voorts dat in het hiervoor vermeld vonnis van de rechtbank van eerste aanleg beslist wordt dat de bomen moeten gerooid worden omdat ze teveel schaduw veroorzaken voor de verzoekende partijen. De verwerende partij sluit zich vervolgens aan bij de beoordeling van de aanvraag door het college van burgemeester en schepenen, die in eerste administratieve aanleg oordeelde en tot de conclusie kwam dat vier van de vijf bomen in aanmerking komen om te worden gerooid. Deze beoordeling wordt in de bestreden beslissing als volgt hernomen:
de berk groeit volledig over bij de buren en staat dichtbij de achtergevel (volgens ingediend plan op ± 5 m ervan), zodat deze voor zeer veel schaduw zorgt;
- de lijsterbes betreft een kleinere boom die geen esthetische waarde heeft doordat deze drastisch is teruggesnoeid tot op 2,5 m hoogte;
- de taxus betreft een kleine boom die heel dicht bij de zijperceelsgrens staat;
- de tamme kastanje is relatief klein en schuin opgegroeid waardoor deze minder waarde heeft en op termijn een risico op schade inhoudt.

Met betrekking tot de esdoorn overweegt de verwerende partij dat deze boom een hoogte heeft van 17 meter en op een afstand staat van 10 meter van de achtergevels van de betrokken woningen, dat niet betwist wordt dat het om een gezonde en biologisch waardevolle boom gaat en dat de enige reden die verzoekende partijen aanhalen om de boom te rooien is dat de boom schaduw werpt op hun perceel.

De verwerende partij stemt vervolgens in met het standpunt van het college van burgemeester en schepenen dat het rooien van deze grote en zeer oude boom stedenbouwkundig onverantwoord is, dat hiermee het karakter van de betrokken parktuin teveel geschaad wordt, dat de parktuin niet enkel voor de aanvragers belangrijk is, maar tevens een verademing voor het ganse binnengebied waarin de tuin zich bevindt, dat dit gegeven van een andere orde is dan het negatieve effect (ontnemen zonlicht) bij de rechterburen, dat het individueel belang en nadeel niet in verhouding staat tot het veel grotere belang van de gemeenschap, de stad, en het stedelijk weefsel, dat nood heeft aan groen, ook in de dicht bebouwde kernen, dat binnen dergelijke omgevingen steeds elementen aanwezig zijn die het genot van aanpalende percelen beïnvloeden, doch dat er niet kan verwacht worden dat al deze elementen opgeruimd worden, wanneer deze niet resulteren in een maat van burenhinder die de maat van gangbare, te verwachten burenhinder overstijgt, dat wanneer een perceel bewoond wordt dat noordelijk paalt aan een stadstuin waarin sinds jaar en dag een boom voorkomt, men zich dan kan verwachten aan een impact op de bezonning van die tuin, zodat dient geconcludeerd dat de ingeroepen hinder de maat van te verwachten hinder niet overstijgt, dat de esdoorn daarenboven op een ruime afstand staat van de perceelsgrens, dat door toe te staan dat 4 van de 5 bomen mogen gerooid worden - waaronder deze die het dichtst bij de achtergevel en dus de terraszone staan - reeds in belangrijke mate wordt tegemoetgekomen aan de verzuchting van de rechterburen om meer zonlicht te ontvangen, dat het bovendien een situatie betreft die sinds lang mee de plaatselijke aanleg bepaalt, dat de precedentswaarde van een dergelijke ingreep niet te onderschatten is op de groene elementen binnen deze stad, dat het behoud van deze ecosystemen mee zorgt voor kwaliteit in de stad.

5.
Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg, dat overigens slechts een beperkt gezag van gewijsde heeft en alleen inter partes geldt, staat er niet aan in de weg dat de verwerende partij de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning kon en diende te beoordelen overeenkomstig de toepasselijke bepalingen, waaronder artikel 4.3.1 VCRO. Daar waar de burgerlijke rechter exclusief bevoegd is tot het beoordelen van een vordering van een buur op grond van artikel 544 Burgerlijk Wetboek, komt het aan de vergunningverlenende overheid toe om te oordelen over een vergunningsaanvraag die betrekking heeft op het vellen van bomen die aan een vergunningsplicht onderworpen zijn.

De verzoekende partijen kunnen derhalve niet gevolgd worden dat de burgerlijke rechter reeds heeft geoordeeld over dezelfde problematiek en dat het gezag van gewijsde niet toelaat dat de partijen zouden kunnen onderworpen worden aan “hetzelfde geschil”. Een vergunningverlenend orgaan treedt niet op als rechter in een burgerlijk geschil, maar beslist over het al dan niet verlenen van een gevraagde vergunning.

Uit de bespreking onder het vorige randnummer blijkt dat de verwerende partij tot de conclusie is gekomen dat het verlenen van een vergunning voor het rooien van de esdoorn “stedenbouwkundig onverantwoord” is. Het blijkt niet en de verzoekende partijen tonen ook niet aan dat de verwerende partij de grenzen van haar bevoegdheid heeft overschreden bij het beoordelen van de aanvraag.

[…]

7.
De conclusie van het voorgaande is dat de verzoekende partijen geen schending aantonen van de door bepalingen en beginselen. Het middel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond.

[…]’

In graad van cassatie bij de Raad van State werd door de aanvragers geargumenteerd dat ‘het bestreden arrest artikel 144 Gw miskent. De motieven van het bestreden arrest voor de verwerping van het beroep, hebben immers uitsluitend betrekking op de bestanddelen over onrechtmatige burenhinder zoals beoordeeld in artikel 544 BW. Door het bijtreden en overnemen van de argumentatie van de deputatie, heeft de RvVb uitspraak gedaan over het subjectief recht van Maes-Messens, wat de RvVb overeenkomstig artikel 144 Gw niet toekomt. Aangezien deze bepaling van openbare orde is, kan dit middel zelfs voor het eerst voor de Raad van State worden opgeworpen.’.

De Raad van State overwoog middels arrest van 15 juli 2015 met nummer 231.961 het volgende:

‘[…]

7. Overeenkomstig de artikelen 144 en 145 Gw behoort het aan de hoven en rechtbanken en niet aan de vergunningverlenende overheid om zich over de schending van subjectieve rechten uit te spreken.

8. Het middel gaat terug op de ongegrondverklaring van het eerste middel van […] waarin zij onder meer de schending van het beginsel van de scheiding der machten aanvoeren, na de vaststelling door de RvVb dat de bestreden vergunningsbeslissing overweegt “dat de enige reden die […] aanhalen om de boom te rooien is dat de boom schaduw werpt op hun perceel”, dat het rooien van de esdoorn stedenbouwkundig onverantwoord is omdat dit het karakter van de parktuin die “een verademing voor het ganse binnengebied”is, teveel schaadt, “dat het individueel belang en nadeel niet in verhouding staat tot het veel grotere belang van de gemeenschap”, “dat er niet kan verwacht worden dat al deze elementen [die het genot van aanpalende percelen beïnvloeden] opgeruimd worden, wanneer deze niet resulteren in een maat van burenhinder die de maat van gangbare, te verwachten burenhinder overstijgt”, dat “de ingeroepen hinder de maat van te verwachten hinder niet overstijgt”, en de daarop volgende overwegingen dat:

- het vonnis niet belet dat de deputatie de vergunningsaanvraag kon en diende te beoordelen overeenkomstig artikel 4.3.1 en 1.1.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
- […] niet kunnen gevolgd worden “dat de burgerlijke rechter reeds heeft geoordeeld over dezelfde problematiek en dat het gezag van gewijsde niet toelaat dat de partijen zouden kunnen onderworpen worden aan ‘hetzelfde geschil’”
uit de voormelde vaststelling blijkt dat de deputatie tot de conclusie is gekomen dat het verlenen van een vergunning voor het rooien van de esdoorn ‘stedenbouwkundig onverantwoord’ is en niet blijkt dat de deputatie “de grenzen van haar bevoegdheid heeft overschreden bij het boordelen van de aanvraag”.

9. Door aldus te beslissen dat de deputatie, spijts haar uitspraak over de burenhinder, niet haar bevoegdheid heeft overschreden, schendt het bestreden arrest artikel 144 Gw. Het tweede middelonderdeel is gegrond.’
20/03/2015

Beroepsmogelijkheden van de leidend ambtenaar van het departement RWO ingeperkt

Vanaf  26 maart 2015 kan de leidend ambtenaar van het departement RWO niet langer beroep aantekenen tegen beslissingen van ontvoogde gemeenten over stedenbouwkundige vergunningsaanvragen waarvoor geen openbaar onderzoek vereist is, noch bij de deputatie, noch bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

Daarnaast moeten ontvoogde gemeenten niet langer een afschrift bezorgen van de vergunningsbeslissing en het integrale vergunningsdossier in het geval geen openbaar onderzoek vereist is.

Beide maatregelen zijn het gevolg van de definitieve goedkeuring door de Vlaamse regering van het besluit van 6 maart 2015 tot bepaling van de gevallen waarin ontvoogde gemeenten geen afschrift of kennisgeving moeten bezorgen aan het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed. Het besluit treedt 26 maart a.s. in werking.

Lees de integrale tekst van het besluit hier

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Administratief beroep, Leandra Decuyper, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, VCRO
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags