26/04/2016

Overschrijding redelijke termijn leidt niet tot bevoegdheidsverlies RvVb

De Raad van State, in zijn hoedanigheid als cassatierechter, werd bevraagd omtrent de gevolgen van het langdurig uitblijven van een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb).

Verzoekster in cassatie werd 5,5 jaar na het instellen van het beroep door de Gewestelijke Stedenbouwkundige Ambtenaar bij de RvVb, waaronder 5 jaar na de pleitdatum op 1 september 2010, geconfronteerd met een vernietiging van haar bekomen vergunning.

Zij meende dat het dossier geen elementen bevatte die een dergelijk lange beraadslaging konden verantwoorden. Gelet op het verstrijken van de redelijke termijn, nog volgens verzoekster in cassatie, kon de RvVb niet meer overgaan tot vernietiging van het bestreden deputatiebesluit.

Verzoekster in cassatie voerde daartoe een schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, de artikelen 9.2 en 9.4 van het Verdrag van 25 juni 1998 ‘betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Verdrag van Aarhus), artikel 149 GW en het rechtszekerheidsbeginsel.

De Raad van State oordeelde dienaangaande als volgt:

‘13. Overeenkomstig artikel 14, § 2, RvS-wet doet de afdeling Bestuursrechtspraak uitspraak over de cassatieberoepen tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken “wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen”.

14. De RvVb is een administratief rechtscollege dat uitspraak doet over jurisdictionele beroepen (GwH 27 januari 2011, nr. 8/2011). Als zodanig was hij geroepen uitspraak te doen over het jurisdictioneel beroep van de GSA tot vernietiging wegens onregelmatigheid van de stedenbouwkundige vergunning die de deputatie aan de nv Fun Belgium uitreikte.

15. Op het ogenblik van het instellen van het beroep bij de RvVb bepaalde artikel 4.8.26, § l, tweede lid, VCRO dat de uitspraken van de RvVb worden uitgebracht binnen een ordetermijn van zestig dagen, die ingaat de dag na die van de zitting. Deze bepaling is thans overgenomen in artikel 87 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’.

16. De RvVb is derhalve een administratief rechtscollege dat, op straffe van rechtsweigering, uitspraak moet doen over het bij hem ingestelde jurisdictioneel beroep tegen een vergunningsbeslissing.

De loutere overschrijding van de daarvoor geldende termijn van orde onttrekt de zaak niet aan de bevoegdheid van de RvVb die ook na het overschrijden van de termijn van orde gehouden blijft uitspraak te doen over het jurisdictioneel beroep van de GSA, naar aanleiding waarvan de nv Fun Belgium een tussenkomende partij is.

Zelfs een niet verantwoorde vertraging bij het uitbrengen van een uitspraak kan de RvVb niet ontheffen van de hem door de decreetgever opgelegde verplichting uitspraak te doen over het bij hem aanhangig gemaakt jurisdictioneel beroep tot vernietiging om reden van onregelmatigheid van een vergunningsbeslissing.

Aan het overschrijden van die termijn kan de nv Fun Belgium dan ook geen ontvankelijk cassatiemiddel ontlenen “wegens overtreding van de wet” of “wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen”.

17. Het middel wordt verworpen.’


10/11/2014

Bezwaarindienende derden hebben het recht om gehoord worden bij een stedenbouwkundig administratief beroep

De Raad van State heeft zich in zijn hoedanigheid als cassatierechter uitgesproken over de draagwijdte van het horen in de administratieve beroepsprocedure uit de VCRO bij de deputatie.

In een procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) was de vraag gerezen of een derde-belanghebbende die een bezwaar met betrekking tot het nationale milieurecht strijdig geacht handelen en nalaten had ingediend in het kader van het openbaar onderzoek, maar geen administratief beroep tegen de uiteindelijke vergunningsbeslissing, en alsnog vroeg om gehoord te worden tijdens de hoorzitting betreffende het administratief beroep, daadwerkelijk diende uitgenodigd te worden voor de hoorzitting.

De deputatie van de provincieraad van Limburg vond alvast van niet. Deze derde-belanghebbenden trokken hierop naar de Raad voor Vergunningsbetwistingen en vingen ook daar bot.

De RvVb oordeelde dat:

‘[…] de verwerende partij […] krachtens artikel 4.7.23, §1, eerste lid VCRO, waarvan de tekst voldoende duidelijk is, alleen verplicht [is] (passend) gevolg te geven aan een verzoek om te worden gehoord van de “betrokken partijen” en dat zijn (eerst en vooral) de indiener(s) van het administratief beroep, zoals bepaald in artikel 4.7.21, §2 VCRO, evenals de aanvrager(s) van de vergunning en het college van burgemeester en schepenen, aan wie de indiener van het administratief beroep, krachtens artikel 4.7.21, §4 VCRO, een afschrift van het administratief beroepschrift bezorgt.

De indiener(s) van het administratief beroep, het college van burgemeester en schepenen en/of de aanvrager(s) van de vergunning zijn dan ook, alhoewel de Vlaamse regering, ter uitvoering van artikel 4.7.23, §1, tweede lid VCRO, nog geen “nadere regelen met betrekking tot de hoorprocedure” bepaald heeft, en artikel 4.7.23, §1 VCRO niet belet dat de verwerende partij ook andere dan de bij de administratieve beroepsprocedure betrokken partijen zou kunnen horen, de enige verplicht te horen ‘betrokken partijen‘ in de administratieve beroepsprocedure.

De verzoekende partijen zijn noch de indieners van het administratief beroep, noch de aanvragers van de vergunning, noch het college van burgemeester en schepenen.

De verwerende partij schendt dan ook, door niet in te gaan op de vraag van de verzoekende partijen om te worden gehoord, artikel 4.7.23, § 1, eerste lid VCRO niet.

Dat de derde en de vierde verzoekende partij procespartijen waren in een eerdere procedure bij de Raad tegen een eerdere, na administratief beroep, door de verwerende partij genomen beslissing over de eerdere aanvraag van de tussenkomende partij, en dat de verzoekende partijen een bezwaar hebben ingediend tijdens het openbaar onderzoek over de aanvraag, die tot de bestreden beslissing geleid heeft, maakt van hen nog geen bij de administratieve beroepsprocedure „betrokken partij‟, zoals bepaald in artikel 4.7.23, §1, eerste lid VCRO.

De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing overigens, zoals hierna blijkt uit de beoordeling van de andere middelen van de verzoekende partijen, de bezwaren van de verzoekende partijen afdoende weerlegd.’

De Raad van State oordeelt hier door de verzoekende partijen bij de RvVb ingeleide cassatievoorziening tegen het bovenvermelde standpunt evenwel anders over:

''Artikel 4.7.21, § 2, VCRO bepaalt dat een georganiseerd administratief beroep tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing van het college van burgemeester en schepenen omtrent de vergunningsaanvraag kan worden ingesteld bij de deputatie van de provincie waarin de gemeente is gelegen, door onder meer volgende belanghebbenden:
“1° de aanvrager van de vergunning;
2° elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden ingevolge de bestreden beslissing;
3° procesbekwame verenigingen die optreden namens een groep wiens
collectieve belangen door de bestreden beslissing zijn bedreigd of geschaad, voor zover zij beschikken over een duurzame en effectieve werking overeenkomstig de statuten.”

“Een belangrijk principieel uitgangspunt” van deze regeling van de decreetgever “is dat het administratief beroep (ook) open staat voor derdenbelanghebbenden” hetgeen volgens de decreetgever “moet worden gekaderd in artikel 9, derde lid, van het Verdrag van Aarhus, volgens hetwelk de overheid dient te waarborgen dat burgers ‘wanneer zij voldoen aan de eventuele in het nationale recht neergelegde criteria, toegang hebben tot bestuursrechterlijke of rechterlijke procedures om het handelen en nalaten van privé-personen en overheidsinstanties te betwisten die strijdig zijn met bepalingen van haar nationale recht betreffende het milieu’” (Memorie van toelichting, Vl. Parl., 2008-2009, stuk nr. 2011/1, 184; zie ook verslag, Vl. Parl., 2008-2009, stuk nr. 2011/6, 57).

De decreetgever heeft aldus op zich de verplichting genomen om voor de burgers de toegang tot bestuursrechtelijke procedures te verzekeren ingeval zij met de bepalingen van het nationale milieurecht strijdig geacht handelen en nalaten van privé-personen en overheidsinstanties willen betwisten, voor zover zij daartoe voldoen aan de in het nationale recht neergelegde criteria.
Die criteria mogen niet zodanig worden omschreven of uitgelegd dat zij de toegang van deze burgers in dergelijk geval onmogelijk maken. De Raad van State als cassatierechter vermag de in het nationale recht vastgelegde criteria uit te leggen in overeenstemming met de doelstellingen van artikel 9.3 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden.

Artikel 4.7.24 VCRO bepaalt dat “[d]e deputatie […] beroepen tegen dezelfde beslissing verplicht samen[voegt]” en dat “[a]lle betrokken partijen […] onverwijld in kennis [worden] gesteld van de samenvoeging”.

Artikel 4.7.21, § 1, VCRO bepaalt dat de deputatie, bij het behandelen van het beroep, de aanvraag in haar volledigheid onderzoekt.

Artikel 4.7.23, § 2, eerste lid, VCRO bepaalt dat de vervaltermijn van vijfenzeventig dagen om een beslissing te nemen tot honderdvijftig dagen wordt verlengd als over de aanvraag in graad van beroep nog een openbaar onderzoek moet worden gevoerd of indien toepassing wordt gemaakt van het mondelinge of schriftelijke hoorrecht.

Artikel 4.7.23, § 1, VCRO bepaalt dat “[d]e deputatie […] haar beslissing omtrent het ingestelde beroep […] [neemt] nadat zij of haar gemachtigde de betrokken partijen op hun verzoek schriftelijk of mondeling heeft gehoord” en dat “[d]e Vlaamse Regering […] nadere regelen met betrekking tot de hoorprocedure [kan] bepalen”.

De Vlaamse regering heeft geen nadere regelen met betrekking tot de hoorprocedure bepaald.

Indien een natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden ingevolge het inwilligen van de vergunningsaanvraag en die in de reguliere administratieve procedure in eerste aanleg (artt. 4.7.12 – 4.7.20 VCRO) een bezwaarschrift indient in de loop van het openbaar onderzoek en in de administratieve beroepsprocedure (artt. 4.7.21 – 4.7.25 VCRO) de deputatie verzoekt om schriftelijk of mondeling te worden gehoord, en indien zulks ertoe strekt het met de bepalingen van het nationale milieurecht strijdig geacht handelen en nalaten van privé-personen en overheidsinstanties te betwisten, is die persoon een in artikel 4.7.23, § 1, VCRO bedoelde “betrokken [partij]”.

Het bestreden arrest verklaart het eerste onderdeel van het eerste middel van verzoekster ongegrond op de volgende gronden:
- “de indiener(s) van het administratief beroep, het college van burgemeester en schepenen en/of de aanvrager(s) van de vergunning” zijn “de enige verplicht te horen ‘betrokken partijen’ in de administratieve beroepsprocedure”;
- verzoekster is “noch de indiener[…] van het administratief beroep, noch de aanvrager[…] van de vergunning, noch het college van burgemeester en schepenen”;
- verwerende partij “schendt dan ook, door niet in te gaan op de vraag van de verzoekende partij[…] om te worden gehoord, artikel 4.7.23, § 1, eerste lid VCRO niet”;
- “dat de verzoekende partij[…] een bezwaar” heeft “ingediend tijdens het openbaar onderzoek over de aanvraag, die tot de bestreden beslissing geleid heeft, maakt van” haar “nog geen bij de administratieve beroepsprocedure ‘betrokken partij’, zoals bepaald in artikel 4.7.23, § 1, eerste lid VCRO”;
- “de verwerende partij heeft in de bestreden beslissing overigens, […], de bezwaren van de verzoekende partij[…] afdoende weerlegd”.

Door aldus te beslissen schendt de RvVb het artikel 4.7.23, § 1, eerste lid, VCRO.

[...]’
08/05/2014

Bestuurlijke lus bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen vernietigd door het Grondwettelijk Hof

Met het recent arrest van 8 mei 2014 met nummer 74/2014 heeft het Grondwettelijk Hof de bestuurlijke lus door de Raad voor Vergunningsbetwistingen vernietigd.

Naar aanleiding van de beroepen tot vernietiging van de artikelen 4.8.4 en 4.8.28, §2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) heeft het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken over de grondwettelijkheid van de mogelijkheid voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen om tijdens de schorsings- en/of annulatieprocedure de vergunningverlenende overheid te vragen een vastgestelde onregelmatigheid in de bestreden beslissing te herstellen of te laten herstellen, d.i. de bestuurlijke lus.

Het opzet van deze bestuurlijke lus in het procedurereglement van de Raad voor Vergunningsbetwistingen bestond erin dat de Raad een oplossingsgerichte rechtspraak zou ontwikkelen. 

Het Grondwettelijk Hof oordeelt hierover nu als volgt:

‘[…] B.7.2. De beginselen van de onafhankelijkheid van de rechter en van de scheiding der machten zijn fundamentele kenmerken van de rechtsstaat.

B.7.3. Het rechterlijk toezicht dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen uitoefent, betreft de externe en interne wettigheidscontrole, die niet zover gaat dat hij zijn beoordeling in de plaats zou kunnen stellen van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de administratie. Bij zijn controle mag de rechter zich immers niet begeven op het terrein van de opportuniteit, vermits dat onverenigbaar zou zijn met de beginselen die de verhoudingen regelen tussen het bestuur en de rechtscolleges.

Het vaststellen van de inhoud van een discretionaire beslissing, meer bepaald als gevolg van het herstel van de onregelmatigheid, komt niet de rechter maar het bestuur toe. Het vergunningverlenende bestuursorgaan kan beslissen, met name wanneer het van mening is dat het herstel van de onregelmatigheid een weerslag kan hebben op de inhoud van de bestreden beslissing, geen gebruik te maken van de mogelijkheid tot toepassing van de bestuurlijke lus.

B.7.4. Door de Raad voor Vergunningsbetwistingen de mogelijkheid te bieden, wanneer die de toepassing van de bestuurlijke lus voorstelt, zijn standpunt over de uitkomst van het geschil kenbaar te maken, dat nochtans tot dezelfde beslissing moet leiden, doet de bestreden bepaling op discriminerende wijze afbreuk aan het beginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter.

B.8.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling op discriminerende wijze afbreuk doet aan de rechten van verdediging, het recht op tegenspraak en het recht op toegang tot de rechter.

B.8.2. Krachtens de bestreden bepaling kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen het vergunningverlenende bestuursorgaan « in elke stand van het geding met een tussenuitspraak » de mogelijkheid bieden om de bestuurlijke lus toe te passen. Pas nadat het betrokken bestuursorgaan die mogelijkheid heeft benut, kunnen de partijen hun zienswijze meedelen (artikel 4.8.4, § 2, laatste lid).

B.8.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling op discriminerende wijze afbreuk doet aan de rechten van verdediging, het recht op tegenspraak en het recht op toegang tot de rechter.

B.8.2. Krachtens de bestreden bepaling kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen het vergunningverlenende bestuursorgaan « in elke stand van het geding met een tussenuitspraak » de mogelijkheid bieden om de bestuurlijke lus toe te passen. Pas nadat het betrokken bestuursorgaan die mogelijkheid heeft benut, kunnen de partijen hun zienswijze meedelen (artikel 4.8.4, § 2, laatste lid).

Het loutere oordeel door de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat de belanghebbenden door de toepassing van de bestuurlijke lus niet onevenredig kunnen worden benadeeld, kan niet volstaan. Het komt immers de partijen zelf toe, en niet het rechtscollege, om uit te maken of een nieuw element opmerkingen behoeft of niet (zie, mutatis mutandis, EHRM, 18 februari 1997, Nideröst-Huber t. Zwitserland, § 29; 27 september 2011, Hrdalo t. Kroatië, § 36).’

B.8.4. De toepassing van de bestuurlijke lus kan daarenboven gevolgen hebben voor de belanghebbenden, bedoeld in artikel 4.8.11 van de VCRO, die tegen de beslissing geen beroep hebben ingesteld en die niet zijn tussengekomen in het geding.

Het recht op toegang tot de rechter is een algemeen rechtsbeginsel dat met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aan eenieder moet worden gewaarborgd. Een beslissing die met toepassing van de bestuurlijke lus is genomen, kan niet van het recht op toegang tot de rechter worden uitgesloten. De beperking van dat recht, voor een categorie van belanghebbenden, is niet evenredig met de door de decreetgever nagestreefde doelstelling die in essentie erin bestaat de bestuurlijke geschillenbeslechting te stroomlijnen en te versnellen.

B.8.5. Door niet te voorzien in een op tegenspraak gevoerd debat over de mogelijkheid tot toepassing van de bestuurlijke lus, in gevallen waarin zulks nog niet het voorwerp was van debat tussen de partijen, en door niet te voorzien in de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de beslissing die met toepassing van de bestuurlijke lus is genomen, na de kennisgeving of de bekendmaking daarvan, doet de bestreden bepaling op discriminerende wijze afbreuk aan de rechten van verdediging, het recht op tegenspraak en het recht op toegang tot de rechter.
[eigen aanduiding]

De verzoekende partijen voerden tevens aan dat de praktijk van de bestuurlijke maatregel de formele motiveringsplicht uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen zou schenden.

Het Hof valt deze visie bij en overweegt het volgende:

‘[…] B.9.3. Die bepalingen veralgemenen de verplichting om de bestuurshandelingen met individuele draagwijdte uitdrukkelijk te motiveren. De uitdrukkelijke motivering van de betrokken handelingen is een recht van de bestuurde, aan wie aldus een bijkomende waarborg wordt geboden tegen bestuurshandelingen met individuele strekking die willekeurig zouden zijn.

B.9.4. Een gemeenschaps- of gewestwetgever zou, zonder de federale bevoegdheid ter zake te schenden, niet vermogen de bescherming die door de federale wetgeving aan de bestuurden wordt geboden te verminderen door de overheden die optreden in de aangelegenheden waarvoor hij bevoegd is, vrij te stellen van de toepassing van de voormelde wet of door die overheden toe te staan daarvan af te wijken (zie o.a. het arrest nr. 91/2013 van 13 juni 2013).

B.9.5. Doordat zij het betrokken bestuursorgaan toestaat een individuele bestuurshandeling die niet uitdrukkelijk is gemotiveerd na toepassing van de bestuurlijke lus van de vereiste motivering te voorzien, doet de bestreden bepaling afbreuk aan het bij de wet van 29 juli 1991 gewaarborgde recht van de adressaat van de handeling, maar eveneens van elke belanghebbende derde, om onmiddellijk kennis te nemen van de motieven die de beslissing verantwoorden door de vermelding ervan in de handeling zelf. Het recht op de uitdrukkelijke motivering maakt het mogelijk het jurisdictionele toezicht op de bestuurshandelingen met individuele draagwijdte en de inachtneming van het beginsel van de wapengelijkheid in het kader van het administratief contentieux te versterken.

De uitdrukkelijke motiveringsplicht, die de bestuurde in staat moet stellen te beoordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt, zou zijn doel voorbijschieten indien die bestuurde de motieven die de beslissing verantwoorden pas te weten kan komen nadat hij beroep heeft ingesteld.

Overigens vereist artikel 6, lid 9, van het Verdrag van Aarhus, ondertekend op 25 juni 1998, betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden dat de tekst van de betrokken bestuurshandeling, voor zover zij onder het toepassingsgebied van het Verdrag valt, toegankelijk wordt gemaakt voor het publiek « tezamen met de redenen en overwegingen waarop het besluit is gebaseerd »

B.9.6. Bovendien, opdat artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 van toepassing kan zijn, is vereist dat de aangenomen reglementering noodzakelijk is voor de uitoefening van de bevoegdheden van het gewest, dat de aangelegenheid zich leent tot een gedifferentieerde regeling en dat de weerslag van de in het geding zijnde bepalingen op de aangelegenheid slechts marginaal is.

Te dezen echter volstaat het vast te stellen dat de weerslag van de in het geding zijnde bepaling op de federale bevoegdheid inzake uitdrukkelijke motivering niet marginaal is aangezien zij erop neerkomt toe te staan dat de motieven van een beslissing met betrekking tot een aanvraag tot vergunning, validering of registratie niet in de handeling zelf voorkomen en door het bevoegde bestuurlijke gezag pas worden bekendgemaakt in de loop van de procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

B.10. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de bestreden bepaling dient te worden vernietigd.’
[eigen aanduiding]

Met betrekking tot artikel 4.8.28, §2, derde lid van de VCRO (de kostenverdeling naar aanleiding van de toepassing van de bestuurlijke lus) overweegt het Grondwettelijk Hof, in de mate voormeld artikel het artikel 4.8.4 van de VCRO viseert, het volgende:

‘B.12.1. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat het decreet niet enkel de mogelijkheid, maar de verplichting zou moeten inhouden om bij de toepassing van de bestuurlijke lus de kosten ten laste van de vergunningverlenende overheid te leggen. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling, doordat zij niet in een dergelijke verplichting voorziet, in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met internationaalrechtelijke bepalingen.

B.12.2. Het recht op toegang tot de rechter, dat met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aan eenieder moet worden gewaarborgd, kan het voorwerp uitmaken van beperkingen, ook van financiële aard, voor zover die beperkingen geen afbreuk doen aan de essentie zelf van het recht op toegang tot een rechter.

Op zich doet een regeling die de kosten ten laste van een van de partijen legt geen afbreuk aan dat recht (vgl. het arrest nr. 85/2013 van 13 juni 2013, B.3).

Hoewel de kosten in de regel ten laste worden gelegd van de in het ongelijk gestelde partij, staat het recht op toegang tot de rechter evenmin in de weg aan een regeling die de rechter in bijzondere omstandigheden toestaat de kosten geheel of ten dele ten laste te leggen van de partij die in het gelijk wordt gesteld (zie het arrest nr. 57/2006 van 19 april 2006, B.6, alsook het arrest nr. 96/2012 van 19 juli 2012, B.9).

Het recht op toegang tot de rechter dient evenwel op een niet-discriminerende wijze te worden gewaarborgd (zie het arrest nr. 161/2011 van 20 oktober 2011, B.7.2).

B.12.3. Krachtens het eerste lid van artikel 4.8.28, § 2, van de VCRO legt de Raad voor Vergunningsbetwistingen in zijn uitspraak « het geheel of een deel van de kosten ten laste van de partij die ten gronde in het ongelijk gesteld wordt ».

In de regel vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen een bestreden beslissing wanneer zij onregelmatig is. De kosten worden in dat geval geheel of gedeeltelijk ten laste gelegd van het bestuursorgaan dat de onregelmatige beslissing heeft genomen.

Wanneer de Raad evenwel het bestuursorgaan de mogelijkheid biedt om de bestuurlijke lus toe te passen en de onregelmatigheid wordt hersteld, dan kan het beroep worden verworpen. De kosten worden in dat geval geheel of gedeeltelijk ten laste gelegd van de verzoekende partij, die immers « ten gronde in het ongelijk gesteld wordt ».

B.12.4. De decreetgever voert op die manier een verschil in behandeling in tussen twee categorieën van rechtzoekenden die voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen een beslissing hebben aangevochten, waarvan die Raad vervolgens heeft vastgesteld dat zij door een onwettigheid is aangetast. Doordat de decreetgever heeft bepaald dat de kosten niet volledig ten laste kunnen worden gelegd van de verzoekende partijen wanneer de bestreden beslissing wordt vernietigd, maar niet erin heeft voorzien dat de kosten evenmin volledig ten laste kunnen worden gelegd van de verzoekende partijen wanneer hun beroep als gevolg van de toepassing van de bestuurlijke wordt verworpen, heeft hij zonder redelijke verantwoording afbreuk gedaan aan het recht op gelijke toegang tot de rechter.

B.13. Daaruit volgt dat de bestreden bepaling dient te worden vernietigd in zoverre zij van toepassing is op de bestuurlijke lus.
[eigen aanduiding]

Gelet op het feit dat dit arrest vrij verregaande gevolgen zou kunnen hebben en ‘Aangezien de bekommernis van de decreetgever om te komen tot een effectieve en definitieve geschillenbeslechting bijval verdient […]’, werd het voorstel geopperd om de gevolgen van het vernietigde artikel 4.8.4 van de VCRO niet te handhaven gedurende een bepaalde periode ‘teneinde de rechtszekerheid niet in het gedrang te brengen en de decreetgever toe te laten een nieuwe regeling aan te nemen die niet de voormelde grondwettigheidsbezwaren oproept.’.

Hierover oordeelde het Grondwettelijk Hof het volgende:

‘Nu er geen dringende noodzaak bestaat voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen om de bestuurlijke lus in afwachting van het optreden van de decreetgever te kunnen blijven toepassen, dienen de gevolgen van de vernietigde bepaling niet te worden gehandhaafd.’

Benieuwd hoe het Grondwettelijk Hof zal oordelen over de bestuurlijk lus die sinds de hervorming van de procedure voor de Raad van State vanaf 1 maart 2014 ook daar zijn doorgang vond.

Wordt zoals altijd vervolgd…



05/08/2013

Grondwettelijk Hof vernietigt het validerende artikel 7.4.1/2 VCRO

Op rechtstreeks vernietigingsberoep heeft het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 114/2013 van 31 juli 2013 uitspraak gedaan over de verenigbaarheid van het validerende artikel 7.4.1/2 VCRO met het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel.

Artikel 7.4.1/2 luidt als volgt:

‘§1. De gewestelijke, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden geldig verklaard met ingang van de datum van inwerkingtreding ervan. De geldigverklaring is beperkt tot de schending van het gelijkheidsbeginsel, doordat het definitief vastgestelde plan tot stand gekomen is met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 april 2008 betreffende het integratiespoor voor de milieueffectrapportage over een ruimtelijk uitvoeringsplan. Dat besluit zou een onverantwoorde ongelijke behandeling inhouden van personen die wensen betrokken te worden bij de publieke consultatie over de inhoudsafbakening van een plan-MER voor een ruimtelijk uitvoeringsplan dat wordt opgemaakt volgens de regels die gelden wanneer het integratiespoor wordt gevolgd, en de personen die wensen betrokken te worden bij de publieke consultatie over een plan-MER volgens de algemene regeling. De geldigverklaring geldt voor gewestelijke, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvoor de beslissing van de dienst Mer over de volledigheid van de nota voor publieke consultatie genomen werd vóór de inwerkingtreding van dit artikel. De geldigverklaring geldt tot het tijdstip van de inwerkingtreding van een ruimtelijk uitvoeringsplan dat, voor het gebied waarop het betrekking heeft, het geldig verklaarde ruimtelijke uitvoeringsplan vervangt.

§ 2. De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd de besluiten houdende definitieve vaststelling van gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die volgens een vernietigingsarrest van de Raad van State aangetast zijn door een schending, vermeld in § 1, voor de toekomst ongewijzigd vast te stellen voor de percelen waarop het arrest betrekking heeft.
De provincieraad is ertoe gemachtigd de besluiten houdende definitieve vaststelling van provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen die volgens een vernietigingsarrest van de Raad van State aangetast zijn door een schending, vermeld in § 1, voor de toekomst ongewijzigd vast te stellen voor de percelen waarop het arrest betrekking heeft. De Vlaamse Regering is er tevens toe gemachtigd deze besluiten opnieuw goed te keuren.’

Het Grondwettelijk Hof vernietigde deze validerende bepaling op grond van hiernavolgende motivering:
‘B.7. De voorliggende beroepen tot vernietiging bewijzen dat, hoewel het optreden van de decreetgever de verzoekende partijen verhindert om het door de Raad van State onwettig bevonden Integratiespoorbesluit buiten toepassing te doen laten in zoverre het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, dat optreden hun evenwel niet het recht ontzegt de ongrondwettigheid van het decreet waarmee wordt beoogd de gewestelijke, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen onvatbaar te maken voor de onwettigheid waardoor zij zijn aangetast, hetzij door die plannen geldig te verklaren (§ 1), hetzij door te machtigen die plannen ongewijzigd opnieuw vast te stellen wanneer zij reeds door de Raad van State zijn vernietigd (§ 2), aan het Hof voor te leggen. Doordat het Hof een gelijkwaardige toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet uitoefent, doet de bestreden bepaling geen verschil in behandeling inzake jurisdictionele waarborgen ontstaan.
B.8. Anders dan de Vlaamse Regering betoogt, betreft de bestreden bepaling geen validatie van een louter vormgebrek. De bestreden bepaling bestendigt het door de Raad van State vastgestelde verschil in behandeling, wat de mogelijkheid tot inspraak over de inhoudsafbakening van een plan-MER voor een ruimtelijk uitvoeringsplan betreft, naargelang de procedure van het Integratiespoorbesluit of de algemene procedure wordt gevolgd. De mogelijkheid tot inspraak betreffende ruimtelijke uitvoeringsplannen, waartoe de decreetgever zich met de goedkeuring van het Verdrag van Aarhus « betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden » heeft verbonden, betreft geen louter vormvereiste. Zij biedt een waarborg voor de vrijwaring van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu en een goede ruimtelijke ordening (artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet) en voor de duurzame ontwikkeling die de decreetgever dient na te streven (artikel 7bis van de Grondwet). De inspraakregeling dient de betrokkenen een effectieve mogelijkheid te bieden om hun opmerkingen en bezwaren kenbaar te maken zodat de bestuursorganen daarmee naar behoren rekening kunnen houden. De bestendiging van het voormelde verschil in behandeling dient, zoals het verschil in behandeling zelf, bestaanbaarte zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.


B.9. In de parlementaire voorbereiding wordt de bestreden bepaling als volgt verantwoord:

« Zonder het belang te willen minimaliseren van de verplichting om elke ongelijke  behandeling te weren bij de totstandkoming van regelgeving, moet worden gesteld dat de […] mogelijke nasleep van een door de Raad van State vastgestelde ongelijke behandeling niet in verhouding staat tot de door de Raad van State in het arrest van 12 augustus 2011 weerhouden ongelijke behandeling. Elk gemeentelijk, provinciaal of gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en elke beslissing die steunt op een ruimtelijk uitvoeringsplan dat is tot stand gekomen na een procedure waarbij toepassing werd gemaakt van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 april 2008 betreffende het integratiespoor voor de milieueffectrapportage, kan, door middel van een beroep op artikel 159 van de Grondwet, in het geding worden gebracht. De ruimtelijke ordening zoals ze is uitgetekend in de gemeentelijke, provinciale en gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen wordt door de beweerde onwettigheid van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 april 2008 betreffende het integratiespoor voor de milieueffectrapportage ernstig gehypothekeerd.

Een mogelijke manier om de ontstane rechtsonzekerheid te verhelpen, zou erin bestaan geen stedenbouwkundige vergunningen of milieuvergunningen meer te verlenen voor bouwwerken of bedrijven die mogelijk gemaakt werden door gemeentelijke, provinciale of gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, in afwachting dat die plannen kunnen worden bevestigd na een volledige herneming van de goedkeuringsprocedure, ditmaal met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 betreffende milieueffectrapportage. De herneming van al die goedkeuringsprocedures waarin nochtans een milieueffectbeoordeling werd uitgevoerd, zou zeer tijdrovend zijn, zeer veel mankracht vergen en zeer hoge maatschappelijke kosten met zich meebrengen, terwijl de baten voor het leefmilieu onzeker zijn.

[…]
De enige manier om de rechtsonzekerheid zonder aanzienlijke vertraging en zonder al te hoge kosten te verhelpen, is een ingrijpen van de decreetgever. Deze regeling is verantwoord omdat de gevalideerde ongelijke behandeling niet opweegt tegen de ernstige en langdurige impact die de effectieve of potentiële nietigverklaring van bovenvermelde plannen, door het cascade-effect ervan op de geldigheid van andere plannen en vergunningen, heeft op het beleid inzake Ruimtelijke Ordening, de openbare rust en het economische klimaat, en dat zowel vanuit het oogpunt van een behoorlijke overheidswerking als op het vlak van de rechtszekerheid van de burgers. Tevens wordt erop gewezen dat de regeling niet het ongedaan maken of de beïnvloeding van een werkzame rechtsbescherming tot doel heeft, en dat de invloed die ze daarop niettemin heeft, gezien de afbakening van haar toepassingsgebied, beperkt blijft.

De regeling in de eerste paragraaf is preventief. Door de geldigverklaring van de goedgekeurde en vastgestelde ruimtelijke uitvoeringsplannen wordt verhinderd dat in de toekomst nog een middel tot nietigverklaring of een exceptie van onwettigheid, op basis van artikel 159 van de Grondwet en ontleend aan de schending van het gelijkheidsbeginsel voortvloeiend uit de toepassing van het besluit van 18 april 2008 betreffende het integratiespoor voor de milieueffectrapportage, gegrond wordt verklaard. De validatie wordt daartoe beperkt. De Raad van State en de burgerlijke rechter blijven met andere woorden bevoegd om zich uit te spreken over elke andere onregelmatigheid die tegen een gemeentelijk, provinciaal of gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt aangevoerd. Alleen de schending van het gelijkheidsbeginsel voortvloeiend uit de toepassing van het besluit van 18 april 2008 wordt afgedekt


De tweede paragraaf van dit artikel is remediërend. De Vlaamse Regering, de provincieraad en de gemeenteraad worden bevoegd verklaard om een ruimtelijk uitvoeringsplan dat volgens een vernietigingsarrest van de Raad van State door het bedoelde vormgebrek is aangetast, voor de toekomst opnieuw ongewijzigd vast te stellen voor de percelen waarop het arrest betrekking heeft » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1494/1, pp. 19-20).
B.10. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de bestreden bepaling werd aangenomen om de rechtsonzekerheid die het gevolg zou zijn van een arrest van de Raad van State weg te nemen en om het tijdverlies en de hoge kosten die het opnieuw goedkeuren van de ruimtelijke uitvoeringsplannen met zich zou meebrengen, te vermijden. Die dwingende motieven van algemeen belang kunnen te dezen niet verantwoorden dat op discriminerende wijze afbreuk wordt gedaan aan de rechten van de betrokken belanghebbenden. Weliswaar vermag de decreetgever ruimtelijke uitvoeringsplannen onvatbaar te maken voor de onwettigheid waardoor zij zijn aangetast, hetzij door die plannen geldig te verklaren, hetzij door te machtigen die plannen ongewijzigd opnieuw vast te stellen wanneer zij reeds door de Raad van State zijn vernietigd, maar een dergelijke validatie kan, wanneer zij niet louter een vormgebrek betreft, slechts als uiterste redmiddel worden aangewend In het voorliggende geval wordt niet aangetoond dat het opnieuw goedkeuren, door de bevoegde overheden, van de ruimtelijke uitvoeringsplannen die op onwettige wijze tot stand zijn gekomen, nadat de betrokkenen een effectieve mogelijkheid werd geboden om hun opmerkingen en bezwaren kenbaar te maken over de inhoudsafbakening van een plan-MER voor een ruimtelijk uitvoeringsplan, of het voorzien in een afwijkende procedure, door de decreetgever, waarin dezelfde mogelijkheid voor de betrokken personen wordt gewaarborgd, onmogelijk of uiterst moeilijk zou zijn.
B.11. Zoals de Raad van State, stelt het Hof vast dat het verschil in behandeling van de categorieën van personen die aan de ene of de andere procedure zijn onderworpen niet redelijk kan worden verantwoord aangezien daardoor op onevenredige wijze afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid tot inspraak van bepaalde belanghebbenden bij de totstandkoming van de betrokken ruimtelijke uitvoeringsplannen.
B.12. De bestreden bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.’
Lees hier het bericht op onze blog Grondwettelijk recht.Lees hier het bericht op onze blog Grondwettelijk recht.
Tags