04/04/2017

Heropening van de debatten in procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid? Het kan

In de mediatieke procedure van het slachthuis van Tielt erkent de Raad van State in het arrest nr. 237.899 van 3 april 2017 dat het voortbestaan van het slachthuis in het gedrang wordt gebracht door de bestreden sluitingsbeslissing. Uit die beslissing vloeit immers voort dat het slachthuis gedurende onbepaalde tijd de activiteiten dient stop te zetten.  Niettemin heropent de Raad van State de debatten, hetgeen toch wel uitzonderlijk is:

‘Door het indienen van een aanvaardbaar actieplan kan de verzoekende partij, die het bestaan van de vastgestelde overtredingen niet ontkent, de beweerde nadelen die voortspruiten uit de ‘tijdelijke’ sluitingsbeslissing echter voorlopig zelf ongedaan maken. De bewering dat het niet zeker is dat de verwerende partij haar goedkeuring zal geven aan een actieplan dat de uitbating in overeenstemming brengt met alle wettelijke bepalingen, is louter hypothetisch. Het ligt immers in de lijn der verwachtingen dat de verwerende partij zal handelen als een verantwoordelijke overheid en bij het uitoefenen van haar overheidstaak de vrijwaring van het algemeen belang ook rekening zal houden met de economische belangen van verzoekende partij. De verwerende en verzoekende partij zijn klaarblijkelijk in onderhandeling met het oog op het bereiken van een situatie waarin de verdere uitbating kan geschieden overeenkomstig de wettelijke bepalingen en meerbepaald overeenkomstig wat is voorgeschreven in de verordening nr. 1099/2009.

In die omstandigheden wil de Raad van State, vooraleer desgevallend de schorsing te bevelen, eerst aan de verzoekende partij de mogelijkheid om zelf, door het voorleggen van een aanvaardbaar actieplan, het nadeel dat voortvloeit uit de sluitingsbeslissing, ongedaan te maken. Indien zou blijken dat verwerende partij geen redelijke of wettelijke motieven heeft om haar goedkeuring daaraan te hechten, en de activiteiten weer toe te laten, zal de Raad van State aan de hand van de thans eds neergelegde en uitgebreid toegelichte procedurestukken nagaan of aan de overige schorsingsvoorwaarden is voldaan’.

Referentie: Pub506497

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Deborah Smets, Raad van State, Steve Ronse, Uiterst dringende noodzakelijkheid
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
21/10/2016

Wanneer mag je als verzoekende partij een replieknota neerleggen in een schorsingsprocedure (ook bij UDN) bij de Raad van State?

Het antwoord werd tijdens een zitting in uiterst dringende noodzakelijkheid gegeven door een auditeur bij de Raad van State. Een replieknota van verzoekende partij is aanvaardbaar wanneer:

- kort en kernachtig wordt ingegaan op de repliek van verwerende (en tussenkomende) partij
- de replieknota aan de Raad, het auditoraat en de betrokken partijen tijdig wordt verstrekt (dus niet op de zitting zelve)
- geen nieuwe middelen worden aangebracht

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Raad van State, Uiterst dringende noodzakelijkheid
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
25/05/2016

College van burgemeester en schepenen kan wel degelijk een uiterst dringende noodzakelijkheid doen gelden voor RvVb

Zo blijkt uit het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen nr. RvVb/UDN/1516/1121 van 23 mei 2016:

‘De belanghebbende partij werpt vergeefs op dat de verzoekende partij onvoldoende persoonlijk nadeel heeft bij de gevorderde schorsingsmaatregel, nu niet de verzoekende partij maar wel de stad titularis is van haar vergunningsbeleid. De verzoekende partij is immers vergunnigverlenend bestuursorgaan in eerste aanleg. Als zodanig waakt zij door het gericht toekennen of weigeren van vergunningsaanvragen over de naleving van het ruimtelijk beleid van de stad, zoals dit onder meer vertaald wordt in stedenbouwkundige verordeningen en de gemeentelijke uitvoeringsplannen. In de mate de verzoekende partij van oordeel is dat een vergunning die in administratief beroep toegekend is, de benaarstiging van haar concreet vergunningenbeleid doorkruist, ondergaat zij wel degelijk een persoonlijk nadeel tengevolge van de bestreden vergunningsbeslissing en wordt zij gehinderd in de uitvoering van haar bestuurlijke taken.

De verzoekende partij verwijst in haar verzoekschrift naar de motivering van haar weigeringsbeslissing genomen op 9 november 2015, waarin zij het behoud van het betrokken hoekpand als volgt motiveert:

‘Het betreft een beeldbepalend pand binnen de historische binnenstad van Kortrijk dat zich bovendien op een bijzondere zichtlocatie langs de Leie bevindt (…).
Dit historisch pand neemt door zijn verhoudingen eenduidig de originele schaal en verhoudingen aan van de oorspronkelijke Vismarkt (…).
Daarom dringen wij aan op het behoud en de integratie van de waardevolle bebouwing in het nieuwbouwproject, omdat dit een meerwaarde zou betekenen tussen als overgang tussen de hoogbouw Handelskaai en de historische bebouwing Kasteelkaai (voormalige Vismarkt). De waardevolle woning vormt nu reeds een passende gevelwand van het te herwaarderen driehoekige plein’.

De verzoekende partij motiveert aldus op afdoende wijze haar persoonlijk en concreet nadeel bij huidige vordering dat ertoe strekt het beeldbepalend en waardevol hoekpand te behouden, minstens te integreren in het voorziene nieuwbouwproject’.
  
Referte: Pub5648-2 

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Raad voor Vergunningsbetwistingen, Uiterst dringende noodzakelijkheid
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
17/09/2015

Zelfs bij een reconstructie van een historische voorgevel kan er volgens de RvVb sprake zijn van ‘visuele hoogdringendheid’

In die zin oordeelde de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het (nog niet gepubliceerde) arrest nr. RvVb/UDN/1516/0010 van 10 september 2015:

‘De verzoekende partijen viseren nadelige gevolgen, die zowel uit de sloop van het bestaand gebouw, als uit de nieuw te bouwen meergezinswoning, voortvloeien.

Het pand, waarop de bestreden beslissing betrekking heeft, vormt samen met de aanpalende gebouwen een homogeen erfgoedensemble. Met betrekking tot de sloop van het pand oordeelt de Raad dat precies het doorbreken van dit homogeen ensemble ernstige visuele hinder veroorzaakt.

Dat de verwerende partij met de bestreden beslissing niet alleen de sloop, maar ook een nieuwbouw met herbouw van de gevel vergunt, doet hier geen afbreuk aan, integendeel: er is discussie over de conformiteit van de (immers niet helemaal identiek aan de originele) vergunde gevel met de originele gevel én over de al dan niet zichtbaarheid, van op de straat, van de met de bestreden beslissing vergunde dakappartementen met terras.

Alhoewel in de aangepaste plannen een hellend dak onder 45° met insnijdingen voor lichttoetreding voorzien is in plaats van een glazen voorgevel op 140 centimeter achter de rooilijn, houdt de verwerende partij in de bestreden beslissing, bij de beoordeling van deze zichtbaarheid van op de straat, geen rekening met de glazen balustrades op 1 meter van de rooilijn, die dus op het eerste gezicht, nog dichter bij de rooilijn staan dan de oorspronkelijke glazen voorgevel. Bovendien blijkt uit geen enkel document dat de verwerende partij haar stelling onderzocht heeft dat de bijkomende bouwlaag niet zichtbaar zal zijn van op de straat, en dat deze stelling correct is.’

Klassieker is de verantwoording van de hoogdringendheid op basis van het verlies aan zonlicht:

‘De verzoekende partijen stellen bovendien dat de nieuwbouw, omwille van de bouwdiepte van, minstens, 15 meter, gecombineerd met een bouwhoogte van meer dan 17 meter, leidt tot vermindering van inval van zonlicht en maken dit met documenten, waaronder foto’s en een simulatie met panelen, voldoende concreet en precies aannemelijk.

Het met de bestreden beslissing vergund project heeft een ernstige impact op het invallend zonlicht, waarvan de vermindering in redelijkheid niet ‘normaal te tolereren’ en dus ‘ernstig’ is.

Er is dan ook voldaan aan de in artikel 40, §2 DBRC-decreet en de artikelen 56 en 57 van het Procedurebesluit gestelde voorwaarde dat een bestreden vergunningsbeslissing alleen geschorst kan worden bij uiterst dringende noodzakelijkheid wanneer de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangetoond.’

Tags