17/08/2015

Vergunningverlenende overheid gebonden door burgerrechtelijke uitspraak over burenhinder?

De Raad van State lijkt als cassatierechter de mening toegedaan dat het antwoord is: ja.

Concreet was er naar aanleiding van een dispuut aangaande burenhinder de vraag gerezen welke bomen in een tuin buitensporige hinder veroorzaakten voor de aanpalende buren. De rechtbank van eerste aanleg was in graad van beroep van oordeel dat 5 bomen op grond van artikel 544 Burgerlijk Wetboek dienden gerooid te worden nu deze te veel schaduw veroorzaakten voor de eisers, dit op straffe van een dwangsom.

De verweerders vroegen hierop een stedenbouwkundige vergunning voor het rooien van de bedoelde 5 hoogstammige bomen. De stad oordeelde dat het rooien van de kwestieuze esdoorn stedenbouwkundig gezien niet aanvaard kon worden nu deze o.m. deel uitmaakte van een biologisch waardevol tuincomplex. Hierop verleende deze de gevraagde vergunning voor de 4 hoogstammige bomen maar werd deze geweigerd voor de esdoorn.

In graad van beroep werd deze motivatie door de deputatie bijgetreden en werd geoordeeld dat ‘Door toe te staan dat 4 van de 5 bomen mogen gerooid worden […]reeds in belangrijke mate [wordt] tegemoetgekomen aan de verzuchting van de rechterburen om meer zonlicht te ontvangen.’

De aanvragers stelden hierop een vordering tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) stellende dat met een dergelijke uitspraak er sprake was van een schending van o.m. de scheiding der machten.

De RvVb oordeelde hierover als volgt:

‘[…]

4. In de bestreden beslissing stelt de verwerende partij vast dat de aanvraag betrekking heeft op een stadstuin, die tal van hoogstammige bomen bevat en samen met (een deel van) de tuin van de buurpercelen een biologisch waardevolle „parktuin‟ vormt, aangeduid op de biologische waarderingskaart van Gent versie 2009 met symbool 3+. De verwerende partij stelt verder vast dat, behalve de kastanjeboom, de bomen dichtbij de perceelsgrens met de rechter buren staan, maar dat anderzijds de bomen meer dan 30 jaar oud zijn. De verwerende partij overweegt voorts dat in het hiervoor vermeld vonnis van de rechtbank van eerste aanleg beslist wordt dat de bomen moeten gerooid worden omdat ze teveel schaduw veroorzaken voor de verzoekende partijen. De verwerende partij sluit zich vervolgens aan bij de beoordeling van de aanvraag door het college van burgemeester en schepenen, die in eerste administratieve aanleg oordeelde en tot de conclusie kwam dat vier van de vijf bomen in aanmerking komen om te worden gerooid. Deze beoordeling wordt in de bestreden beslissing als volgt hernomen:
de berk groeit volledig over bij de buren en staat dichtbij de achtergevel (volgens ingediend plan op ± 5 m ervan), zodat deze voor zeer veel schaduw zorgt;
- de lijsterbes betreft een kleinere boom die geen esthetische waarde heeft doordat deze drastisch is teruggesnoeid tot op 2,5 m hoogte;
- de taxus betreft een kleine boom die heel dicht bij de zijperceelsgrens staat;
- de tamme kastanje is relatief klein en schuin opgegroeid waardoor deze minder waarde heeft en op termijn een risico op schade inhoudt.

Met betrekking tot de esdoorn overweegt de verwerende partij dat deze boom een hoogte heeft van 17 meter en op een afstand staat van 10 meter van de achtergevels van de betrokken woningen, dat niet betwist wordt dat het om een gezonde en biologisch waardevolle boom gaat en dat de enige reden die verzoekende partijen aanhalen om de boom te rooien is dat de boom schaduw werpt op hun perceel.

De verwerende partij stemt vervolgens in met het standpunt van het college van burgemeester en schepenen dat het rooien van deze grote en zeer oude boom stedenbouwkundig onverantwoord is, dat hiermee het karakter van de betrokken parktuin teveel geschaad wordt, dat de parktuin niet enkel voor de aanvragers belangrijk is, maar tevens een verademing voor het ganse binnengebied waarin de tuin zich bevindt, dat dit gegeven van een andere orde is dan het negatieve effect (ontnemen zonlicht) bij de rechterburen, dat het individueel belang en nadeel niet in verhouding staat tot het veel grotere belang van de gemeenschap, de stad, en het stedelijk weefsel, dat nood heeft aan groen, ook in de dicht bebouwde kernen, dat binnen dergelijke omgevingen steeds elementen aanwezig zijn die het genot van aanpalende percelen beïnvloeden, doch dat er niet kan verwacht worden dat al deze elementen opgeruimd worden, wanneer deze niet resulteren in een maat van burenhinder die de maat van gangbare, te verwachten burenhinder overstijgt, dat wanneer een perceel bewoond wordt dat noordelijk paalt aan een stadstuin waarin sinds jaar en dag een boom voorkomt, men zich dan kan verwachten aan een impact op de bezonning van die tuin, zodat dient geconcludeerd dat de ingeroepen hinder de maat van te verwachten hinder niet overstijgt, dat de esdoorn daarenboven op een ruime afstand staat van de perceelsgrens, dat door toe te staan dat 4 van de 5 bomen mogen gerooid worden - waaronder deze die het dichtst bij de achtergevel en dus de terraszone staan - reeds in belangrijke mate wordt tegemoetgekomen aan de verzuchting van de rechterburen om meer zonlicht te ontvangen, dat het bovendien een situatie betreft die sinds lang mee de plaatselijke aanleg bepaalt, dat de precedentswaarde van een dergelijke ingreep niet te onderschatten is op de groene elementen binnen deze stad, dat het behoud van deze ecosystemen mee zorgt voor kwaliteit in de stad.

5.
Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg, dat overigens slechts een beperkt gezag van gewijsde heeft en alleen inter partes geldt, staat er niet aan in de weg dat de verwerende partij de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning kon en diende te beoordelen overeenkomstig de toepasselijke bepalingen, waaronder artikel 4.3.1 VCRO. Daar waar de burgerlijke rechter exclusief bevoegd is tot het beoordelen van een vordering van een buur op grond van artikel 544 Burgerlijk Wetboek, komt het aan de vergunningverlenende overheid toe om te oordelen over een vergunningsaanvraag die betrekking heeft op het vellen van bomen die aan een vergunningsplicht onderworpen zijn.

De verzoekende partijen kunnen derhalve niet gevolgd worden dat de burgerlijke rechter reeds heeft geoordeeld over dezelfde problematiek en dat het gezag van gewijsde niet toelaat dat de partijen zouden kunnen onderworpen worden aan “hetzelfde geschil”. Een vergunningverlenend orgaan treedt niet op als rechter in een burgerlijk geschil, maar beslist over het al dan niet verlenen van een gevraagde vergunning.

Uit de bespreking onder het vorige randnummer blijkt dat de verwerende partij tot de conclusie is gekomen dat het verlenen van een vergunning voor het rooien van de esdoorn “stedenbouwkundig onverantwoord” is. Het blijkt niet en de verzoekende partijen tonen ook niet aan dat de verwerende partij de grenzen van haar bevoegdheid heeft overschreden bij het beoordelen van de aanvraag.

[…]

7.
De conclusie van het voorgaande is dat de verzoekende partijen geen schending aantonen van de door bepalingen en beginselen. Het middel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond.

[…]’

In graad van cassatie bij de Raad van State werd door de aanvragers geargumenteerd dat ‘het bestreden arrest artikel 144 Gw miskent. De motieven van het bestreden arrest voor de verwerping van het beroep, hebben immers uitsluitend betrekking op de bestanddelen over onrechtmatige burenhinder zoals beoordeeld in artikel 544 BW. Door het bijtreden en overnemen van de argumentatie van de deputatie, heeft de RvVb uitspraak gedaan over het subjectief recht van Maes-Messens, wat de RvVb overeenkomstig artikel 144 Gw niet toekomt. Aangezien deze bepaling van openbare orde is, kan dit middel zelfs voor het eerst voor de Raad van State worden opgeworpen.’.

De Raad van State overwoog middels arrest van 15 juli 2015 met nummer 231.961 het volgende:

‘[…]

7. Overeenkomstig de artikelen 144 en 145 Gw behoort het aan de hoven en rechtbanken en niet aan de vergunningverlenende overheid om zich over de schending van subjectieve rechten uit te spreken.

8. Het middel gaat terug op de ongegrondverklaring van het eerste middel van […] waarin zij onder meer de schending van het beginsel van de scheiding der machten aanvoeren, na de vaststelling door de RvVb dat de bestreden vergunningsbeslissing overweegt “dat de enige reden die […] aanhalen om de boom te rooien is dat de boom schaduw werpt op hun perceel”, dat het rooien van de esdoorn stedenbouwkundig onverantwoord is omdat dit het karakter van de parktuin die “een verademing voor het ganse binnengebied”is, teveel schaadt, “dat het individueel belang en nadeel niet in verhouding staat tot het veel grotere belang van de gemeenschap”, “dat er niet kan verwacht worden dat al deze elementen [die het genot van aanpalende percelen beïnvloeden] opgeruimd worden, wanneer deze niet resulteren in een maat van burenhinder die de maat van gangbare, te verwachten burenhinder overstijgt”, dat “de ingeroepen hinder de maat van te verwachten hinder niet overstijgt”, en de daarop volgende overwegingen dat:

- het vonnis niet belet dat de deputatie de vergunningsaanvraag kon en diende te beoordelen overeenkomstig artikel 4.3.1 en 1.1.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
- […] niet kunnen gevolgd worden “dat de burgerlijke rechter reeds heeft geoordeeld over dezelfde problematiek en dat het gezag van gewijsde niet toelaat dat de partijen zouden kunnen onderworpen worden aan ‘hetzelfde geschil’”
uit de voormelde vaststelling blijkt dat de deputatie tot de conclusie is gekomen dat het verlenen van een vergunning voor het rooien van de esdoorn ‘stedenbouwkundig onverantwoord’ is en niet blijkt dat de deputatie “de grenzen van haar bevoegdheid heeft overschreden bij het boordelen van de aanvraag”.

9. Door aldus te beslissen dat de deputatie, spijts haar uitspraak over de burenhinder, niet haar bevoegdheid heeft overschreden, schendt het bestreden arrest artikel 144 Gw. Het tweede middelonderdeel is gegrond.’
Tags