29/11/2019

Beleidsplan Vlaams-Brabant ligt ter inzage

Zoals in een eerder blogbericht reeds aangekondigd http://www.publius.be/nl/wat/publius-blogs/provinciale-beleidsplannen-belangrijk-voor-retailsector/ ligt thans ook de conceptnota ‘Provinciaal Beleidsplan Vlaams-Brabant’ ter inzage. Meer informatie kan teruggevonden worden op https://www.vlaamsbrabant.be/wonen-milieu/wonen-en-ruimtelijke-ordening/structuurplan-uitvoeringsplannen/beleidsplan-ruimte-vlaams-brabant/index.jsp. Input op de conceptnota kan geformuleerd worden van 1 december 2019 tot en met 14 februari 2020. Opmerkingen bij de kennisgevingsnota kunnen geformuleerd worden binnen 60 dagen vanaf 1 december 2019.

Gepost door Günther L'heureux

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Günther L'heureux, RUP, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
14/11/2019

Raad van State bevestigt: planologische regularisatie door RUP is mogelijk

Zo staat het alvast in een arrest nr. 245.859 van 22 oktober 2019:

'Verder dient opgemerkt dat een ‘planologische regularisatie’ middels een gemeentelijk RUP niet a priori onwettig is, op voorwaarde dat een deugdelijke ruimtelijke afweging overeenkomstig artikel 1.1.4. VCRO aan het plan ten grondslag ligt’.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, RUP
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/04/2017

Bij de opmaak van een nieuw RUP moeten alle belangen afgewogen worden, ook als ze zonevreemd of onvergund zouden zijn

Bij de opmaak van een nieuw RUP moeten alle belangen afgewogen worden, ook als ze zonevreemd of onvergund zouden zijn. Zo oordeelt de Raad van State in het arrest nr. 237.834 van 28 maart 2017:

7.1.      Artikel 1.1.4 VCRO luidt:
 
De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit.”
 
 Zoals de Raad van State in zijn arrest Anckaert, nr. 214.329 van 30 juni 2011, in herinnering heeft gebracht blijkt uit de wetsgeschiedenis dat deze bepaling het doel van het ruimtelijk ordeningsbeleid aangeeft, waarbij de duurzame ruimtelijke ordening centraal staat. De vereiste dat de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen benadrukt het facetmatig karakter van de ruimtelijke ordening. Voorts blijkt uit de wetsgeschiedenis dat bij de gelijktijdige onderlinge afweging van deze verschillende maatschappelijke activiteiten één bepaalde behoefte zwaarder kan doorwegen in een bepaalde situatie. Een bepaalde ruimtelijke behoefte kan derhalve na afweging in een bepaalde situatie niet noodzakelijk voorkomen als gelijkwaardig aan een andere ruimtelijke behoefte.
 
Hoewel plannen in essentie toekomstgericht zijn, dient bij de vaststelling ervan uiteraard ook de bestaande toestand in ogenschouw te worden genomen.
 
7.2. In verzoekers bezwaarschrift wordt onder meer aangevoerd dat in strijd met artikel 1.1.4 VCRO niet werd overgegaan tot een afweging van de respectieve maatschappelijke belangen, in het bijzonder wat de bestaande bedrijvigheid op hun percelen betreft.
In de eerste bestreden beslissing wordt met betrekking tot dit bezwaar het volgende antwoord van de Gecoro geciteerd:
 
“Niet alle belangen werden afgewogen. De bestaande bedrijvigheid is niet vergund en kan nooit als vergund geacht worden (zie juridisch kader en uitspraak Hof van Cassatie met nr. p.11.0599.N/1). Ze kan bijgevolg niet de basis vormen voor afwegingen van de verschillende belangen. De huidige functie waarnaar verwezen wordt is volgens het bestaande planologische kader niet mogelijk en niet vergunbaar. Ze vormt dus geen element dat mee dient afgewogen worden conform artikel 1.1.4 van de VCRO.”
 
Nog luidens de eerste bestreden beslissing maakt de gemeenteraad zich “de overwegingen die hebben geleid” tot het advies van de Gecoro, en derhalve ook de voormelde overwegingen, uitdrukkelijk eigen.
 
7.3. De eerste verwerende partij heeft bij de opmaak van het bestreden GRUP de bedrijvigheid op verzoekers’ percelen derhalve uitdrukkelijk niet bij haar belangenafweging op grond van artikel 1.1.4 van de VCRO betrokken. Nochtans verplicht deze bepaling de plannende overheid ertoe om bij de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan ook met de economische gevolgen ervan rekening te houden.
 
7.4. De omstandigheid dat een deel van de gebouwen of bedrijvigheid op verzoekers’ percelen zonevreemd zou zijn, zonder dat met betrekking tot deze zonevreemdheid een veroordeling blijkt voor te liggen, doet aan de voormelde verplichting geen afbreuk. De verwijzing in het advies van de Gecoro naar het arrest van het Hof van Cassatie nr. P.11.0599.N/1 van 6 december 2011 betreft geenszins de toepassing van artikel 1.1.4 van de VCRO bij de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan en mist te dezen pertinentie. 
 
7.5. De door de tweede verwerende partij aangevoerde omstandigheid dat blijkens het richtinggevend gedeelte van het GRS (p. 44), zoals overgenomen in de toelichtende nota bij het GRUP (p. 18), het kwestieuze gebied op basis van de criteria van de omzendbrief RO2000/01 gesitueerd wordt in een zone 1, waarin de ruimtelijke draagkracht beperkt is, waar vanuit ruimtelijk oogpunt de activiteit van een zonevreemd bedrijf niet verenigbaar is met de aanwezige hoofdfunctie of met mogelijk[e] potenties van de zone, de bestaande activiteiten […] de mogelijkheid [dienen] te krijgen om zich op korte of middellange termijn te herlokaliseren naar een lokaal bedrijventerrein binnen de gemeente en bij stopzetting van activiteiten […] geen nieuwe zonevreemde activiteiten meer [kunnen] opgestart worden, houdt voor de eerste verwerende partij nog geen vrijgeleide in om bij de opmaak van het GRUP volledig aan de economische gevolgen van het GRUP voor verzoekers’ percelen voorbij te gaan.
 
Bovendien is luidens het GRS, naast een gebiedsgerichte benadering, ook een bedrijfsspecifieke afweging vereist, waarbij de gebiedsgerichte afweging […] naargelang het bedrijf verder [kan] verfijnd worden, waarbij het afwegingskader gebruikt [kan worden] binnen het specifieke beleidskader voor bedrijven buiten bedrijventerreinen, waarbij bepaalde criteria (aard van de activiteiten, ontsluiting,…) […] reeds [zijn] aangehaald binnen de gebiedsgerichte benadering, en meerdere andere criteria bedrijf per bedrijf [moeten] getoetst worden, waaronder sociaal- en bedrijfseconomische criteria, die onder meer de economische dynamiek en rentabiliteit van het bedrijf (investeringen in de laatste 5 à 10 jaar) en de tewerkstellingsdynamiek van het bedrijf omvatten. Op basis van deze afweging dienen voor elk bedrijf afzonderlijk specifieke ontwikkelingsperspectieven opgesteld te worden, die zullen worden vastgelegd in een ruimtelijk uitvoeringsplan (GRS, richtinggevend gedeelte, p. 45). 
 
7.6.      Het tweede onderdeel van het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond'.

Referentie: pub4798-3

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, RUP
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
13/01/2016

Zijn assortimentsbeperkingen voor detailhandel in ruimtelijke uitvoeringsplannen strijdig met de Dienstenrichtlijn?

Dat weten we niet, maar de Nederlandse Raad van State heeft daarover vandaag prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie.

Hierbij het persbericht van de Nederlandse Raad van State:

'Raad van State wil uitleg over Europese Dienstenrichtlijn

Woensdag 13 januari 2016

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft vandaag (13 januari 2016) prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie in Luxemburg. De Raad van State wil van het Hof uitleg over de Europese Dienstenrichtlijn.

Aanleiding

De gemeenteraad van Appingedam heeft het bestemmingsplan 'Stad Appingedam' vastgesteld. Het bestemmingsplan heeft betrekking op het Woonplein aan de rand van Appingedam. Het Woonplein is een winkelgebied voor omvangrijke detailhandel, zoals meubelen, keukens en bouwmaterialen. Een vastgoedbedrijf is het er niet mee eens dat daar geen schoen- en kledingwinkel mag worden gevestigd. Het vindt dat de gemeenteraad in strijd handelt met de Europese Dienstenrichtlijn door daar alleen detailhandel in omvangrijke goederen toe te staan.

Dienstenrichtlijn van toepassing?

De Afdeling bestuursrechtspraak ziet zich voor de vraag gesteld of de Europese Dienstenrichtlijn van toepassing is. Daarom wil zij allereerst van het Hof weten of detailhandel, die bestaat uit de verkoop van goederen aan consumenten, een dienst is. Daarnaast wil de Afdeling bestuursrechtspraak weten of de Dienstenrichtlijn van toepassing is op ruimtelijke-ordeningsvoorschriften die ertoe strekken de leefbaarheid van het stadscentrum te behouden en leegstand tegen te gaan. Ten derde wil de Afdeling bestuursrechtspraak duidelijkheid over de vraag of in deze zaak sprake is van een zogenoemde 'zuiver interne situatie' en of de Dienstenrichtlijn op zo’n situatie van toepassing is.

Toetsing aan de EU-regels

Als de Dienstenrichtlijn volgens het Hof van Justitie op deze zaak toegepast moet worden, ziet de Afdeling bestuursrechtspraak zich voor de volgende vragen gesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vraagt of de ruimtelijke-ordeningsvoorschriften in deze zaak moeten worden aangemerkt als eisen of als een vergunningstelsel zoals bedoeld in de Dienstenrichtlijn. Afhankelijk van het antwoord op die vraag wil de Afdeling bestuursrechtspraak weten of deze voorschriften dan in strijd zijn met de Dienstenrichtlijn. Mocht de Dienstenrichtlijn niet van toepassing zijn, dan wil de Afdeling bestuursrechtspraak antwoord op de vraag of de algemene verdragsbepalingen voor het vrij verkeer gelden en aan de voorschriften van het bestemmingsplan in de weg staan.

Eerdere vragen

De Afdeling bestuursrechtspraak stelde in juli 2014 al eerder vragen aan het Hof van Justitie over de Dienstenrichtlijn. Het Hof heeft die op 1 oktober 2015 beantwoord. Bij de Afdeling bestuursrechtspraak bestaan echter nog vragen over (onder meer) het toepassingsbereik van de Dienstenrichtlijn. Daarom heeft zij vandaag deze verdere vragen gesteld.

Schorsing behandeling

De behandeling van de zaak bij de Afdeling bestuursrechtspraak wordt geschorst in afwachting van de antwoorden van het Hof in Luxemburg. Dit duurt naar verwachting ongeveer een tot anderhalf jaar. Daarna zal de Afdeling bestuursrechtspraak de behandeling voortzetten en uiteindelijk een definitieve uitspraak doen in deze zaak'.

Lees hier de volledige tekst van de verwijzingsuitspraak met zaak nummer 201309296/4.

En lees ter herinnering nog dit eerdere blogbericht: http://www.handelsvestigingen.info/2014/09/nederlandse-raad-van-state-retail.html
Tags