21/06/2013

Nieuwe wet rechtsbescherming overheidsopdrachten gepubliceerd


Vandaag verscheen in het Belgisch Staatsblad de wet van 17 juni 2013 betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten.

Deze wet herneemt grotendeels de bepalingen van boek IIbis van de wet van 24 december 1993 en vult deze aan met de nodige formaliteiten voor de concurrentiedialoog, het dynamisch aankoopsysteem, de raamovereenkomst en het kwalificatiesysteem.

De wachttermijn blijft bepaald op minimaal 15 kalenderdagen.

De rechtsmiddelen, bevoegde verhaalsinstanties en vervaltermijnen blijven ongewijzigd.

In de wet is ook een titel gewijd aan de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen voor de overheidsopdrachten in de sectoren defensie en veiligheid.

De wet treedt samen met de overige nieuwe regelgeving overheidsopdrachten in werking op 1 juli 2013.





10/06/2013

Wetsontwerp rechtsbescherming overheidsopdrachten is aangenomen in de Kamer

Het is de bedoeling dat er - voor wat betreft de rechtsbescherming - voor 1 juli, datum van inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving overheidsopdrachten, nog een specifieke wet wordt gepubliceerd.

Het wetsontwerp betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten werd op 30 mei 2013 aangenomen in de Kamer.

Dit wetsontwerp zal de bepalingen van boek IIbis van de wet van 24 december 1993 vervangen.


12/08/2011

Overheid kan in geding niet de regelmatigheid betwisten van offerte die zij eerder in aanmerking nam

In arrest nr. 210.969 van 3 februari 2011 sprak de Raad van State zich uit over een exceptie van de aanbestedende overheid dat de vordering van een van de inschrijvers moest worden afgewezen omdat de offerte niet regelmatig was. De reden voor de onregelmatigheid was het gebrek van een exploitatievergunning. Tijdens de gunningsprocedure had de aanbestedende overheid de offerte echter niet afgewezen als onregelmatig.

De Raad van State verwierp de exceptie op grond van volgende overwegingen:

"De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord een exceptie op betreffende het belang van de verzoekende partij. De verwerende partij betoogt dat de verzoekende partij niet doet blijken van het vereiste belang aangezien zij niet aannemelijk maakt dat de vernietiging van de bestreden toewijzingsbeslissing haar tot voordeel kan strekken nu zij niet over de vereiste exploitatievergunningen beschikt om de opdracht te kunnen uitvoeren.

Beoordeling

In de bestreden toewijzingsbeslissing wordt gesteld dat alle inschrijvers voldoen aan de selectiecriteria. De toewijzingsbeslissing zegt niets over de regelmatigheid van de inschrijvers en neemt blijkbaar impliciet aan dat de vier kandidaten regelmatig zijn.

Ook het gunningsverslag spreekt van vier regelmatige inschrijvers, dus ook de verzoekende partij, en stelt ter zake niet vast dat er geen exploitatievergunning is. Er wordt aldus ook in het gunningsverslag geen uitdrukkelijk voorbehoud gemaakt bij de regelmatigheid van de offerte van de verzoekende partij; er wordt enkel in vermeld dat “[d]e duurtijd van de exploitatievergunning van Borchers [...] niet duidelijk vermeld [is]” doch dat deze bemerking niet “weerhouden” werd in de puntentoekenning. Voorts werden de offertes van de verzoekende partij getoetst aan de gunningscriteria. Dienvolgens moet er worden vanuit gegaan dat de verwerende partij de offertes van de verzoekende partij als regelmatig heeft aanvaard, minstens niet als substantieel onregelmatig heeft aangemerkt. Een als substantieel onregelmatig bevonden offerte mag immers niet in aanmerking komen voor de rangschikking met het oog op de toewijzing van de opdracht.

De stelling van de verwerende partij om de offertes van de verzoekende partij thans als onregelmatig te beschouwen, druist in tegen haar eerdere handelwijze.

De exceptie wordt verworpen."

Gepost door Jonas Riemslagh

Blog Overheidscontracten
Tags Overheidsopdrachten overheidscontracten & PPS, Rechtsbescherming overheidsopdrachten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
05/08/2011

Deskundigenonderzoek mogelijk in UDN-schorsingsprocedure?

Geschillen omtrent overheidsopdrachten hebben vaak een erg technisch karakter. Hoven en rechtbanken moeten in dat geval overgaan tot het aanstellen van een deskundige.

De Raad van State oordeelde meermaals dat dergelijke aanstelling van een deskundige niet te verenigingen valt met het spoedeisende karakter van de procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid (zie bijvoorbeeld het recente arrest nr. 208.568 van 28 oktober 2010).

In arrest nr. 213.960 van 17 juni 2011 lijkt de Raad van State echter de deur open te zetten om ook in een UDN-procedure beroep te doen op een deskundige. De Raad acht de aanstelling van een deskundige mogelijk indien (a) de verzoekende partij erom vraagt in het inleidend verzoekschrift, (b) de vraag omstandig gemotiveerd wordt, (c) een deskundige wordt voorgesteld en (d) de deskundige zich zal aanpassen aan de strikte procedure-eisen die eigen zijn aan de UDN-procedure.

De Raad overweegt:

"Elk van de drie aangebrachte middelen vertoont, gelet op de aard van het voorwerp van de opdracht, uiterst technische aspecten waardoor de draagwijdte van deze middelen de Raad van State niet zonder deskundige ondersteuning ten volle duidelijk is.

De rechtspraak van de Raad ten aanzien van dergelijke middelen is tot op heden dat de aanwijzing van een deskundige niet in te passen is in de huidige procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid en dat deze middelen derhalve niet ernstig zijn omdat ze zich niet lenen tot een snelle toetsing vereist in voornoemde procedure.

Gelet op de artikelen 65/15 en 65/31 van de wet van 23 december 2009 tot invoeging van een nieuw boek betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen in de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, die de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid als de enige procedure voor een vordering tot schorsing in de sector overheidsopdrachten voorschrijven, meent de Raad van State dat een dergelijk onderzoek toch niet ondenkbaar is. Dit zou onder andere het geval zijn, wanneer de verzoekende partij dit voorstel zelf formuleert in haar inleidend verzoekschrift, waarbij een deskundigenonderzoek op gemotiveerde wijze gevraagd wordt en waarbij zij een deskundige kan voorstellen die zich ertoe engageert om zijn werkzaamheden strikt in te passen in de contraintes van voornoemde procedure, inzonderheid het binnen de kortste termijn ter beschikking stellen van een deskundigenverslag.

Te dezen echter vragen verzoekende partijen geen deskundigenonderzoek en merken zij ter zitting zelfs op, inzonderheid wat het derde middel betreft, dit in die zin te beoordelen dat een inhoudelijk technische discussie niet aan de orde zou zijn."

Gepost door Jonas Riemslagh

Blog Overheidscontracten
Tags Overheidsopdrachten overheidscontracten & PPS, Rechtsbescherming overheidsopdrachten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
27/07/2011

Grondwettelijk Hof vernietigt uitgestelde inwerkingtreding van nieuwe regels rechtsbescherming

De wet van 23 december 2009 voerde een nieuw boek toe aan de Overheidsopdrachtenwet van 24 december 1993 betreffende de rechtsbescherming bij overheidsopdrachten.

Artikel 7 van deze wet regelt de inwerkingtreding van de nieuwe rechtsbeschermingsregels:

"De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze wet.
De overheidsopdrachten, de opdrachten en de prijsvragen voor ontwerpen bekendgemaakt vóór deze datum of waarvoor, bij ontstentenis van een bekendmaking van aankondiging, vóór deze datum een uitnodiging werd verstuurd om een aanvraag tot deelneming of een offerte in te dienen, blijven onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die gelden op het ogenblik van de aankondiging of van de uitnodiging."

Door het KB van 10 februari 2010 werd de datum van inwerkingtreding vastgesteld op 25 februari 2010.

In arrest nr. 105/2011 van 16 juni 2011 vernietigt het Grondwettelijk Hof het eerste lid van artikel 7. De overgangsbepaling zoals opgenomen in het tweede lid werd niet vernietigd.

Het Grondwettelijk Hof is van oordeel dat er geen enkele reden was om de inwerkingtreding van de wet uit te stellen en de Koning te machtigen om de datum van inwerkingtreding te bepalen. Dit geldt des te meer omdat de nieuwe rechtsbeschermingsregels op grond van richtlijn 2007/66/EG uiterlijk op 20 december 2009 in werking moesten treden.
Tags