15/07/2015

RvS herinnert RvVb: ambtshalve exceptie moet onderworpen worden aan tegenspraak

In een recent blogbericht werd uiteengezet dat de Raad van State de problematiek van de ambtshalve excepties en de gebeurlijke tegenspraak in het licht van de rechten van verdediging nog eens op had scherp gesteld.

Minder dan een jaar later herinnert de Raad van State(RvS) de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb) hier opnieuw aan.

De verzoekende partij voor de RvVb had in haar vordering tot nietigverklaring vermeld dat de bestreden vergunningsbeslissing op 8 november 2010 werd aangeplakt op een ‘slecht zichtbare plaats’ en dat zij zulks had opgemerkt eind november 2010. De vordering tot nietigverklaring werd evenwel ingeleid middels aangetekend brief van 20 december 2010 (de indertijd geldende reglementering, later vernietigd door het Grondwettelijk Hof, voorzag in een beroepstermijn van 30 dagen).

De deputatie had in de procedure voor de RvVb aangegeven zich te gedragen naar de wijsheid van de RvVb wat betreft de ontvankelijkheid van de vordering.

Het bestreden arrest van de RvVb oordeelde hierop dat het gegeven dat de verzoekende partij slechts eind november 2010 deze aanplakking zou hebben opgemerkt, geen afbreuk deed aan de conclusie van laattijdigheid van het beroep gelet op reglementering die de aanplakking voorschrijft en het feit dat het Grondwettelijk Hof eerder had ‘geoordeeld dat de aanplakking een geschikte en gerechtvaardigde vorm van bekendmaking is om belanghebbenden op de hoogte te brengen van het bestaan van een vergunningsbeslissing’. In dit opzicht zou de stelling van verzoekende partij dat de beroepstermijn ‘pas zou zijn ingegaan na de kennisname ‘eind november 2010’ […] dan ook niet correct’zijn.

Verzoekende partij trok hierop naar de RvS in zijn hoedanigheid van cassatierechter, o.m. op grond van het beginsel van het recht van verdediging.

De Raad oordeelde in een arrest van 16 juni 2015 met nummer 231.610 als volgt:

‘7. Overeenkomstig het algemeen beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging kan de RvVb geen vordering van een verzoeker afwijzen door te steunen op een exceptie op grond van het toentertijd geldende artikel 4.8.16, § 2, eerste lid, 1°, b), VCRO die niet voor hem is aangevoerd en waarover de partijen geen tegenspraak hebben gevoerd, zonder de partijen de kans te bieden die exceptie te beantwoorden, zo nodig door een heropening van het debat te bevelen.

Een partij die zich wat de ontvankelijkheid van de vordering van een verzoeker betreft, louter gedraagt naar de wijsheid van de RvVb werpt geen exceptie op gesteund op het toentertijd geldende artikel 4.8.16, § 2, eerste lid, 1°, b), VCRO.

8. Het bestreden arrest stelt na behandeling op de openbare terechtzitting van 1 april 2014 vast dat:

- de vordering van S.D. werd “ingesteld met een aangetekende brief van 20 december 2010”;
 - S.D. aangaande de ontvankelijkheid van haar vordering in haar verzoekschrift vermeldt dat de bestreden vergunning op 8 november 2010 werd aangeplakt “op een slecht zichtbare plaats” en dat zij dat “[e]ind november 2010” heeft opgemerkt;
- de deputatie hierop antwoordt “dat zij zich wat betreft de ontvankelijkheid van het verzoekschrift naar de wijsheid van de Raad gedraagt”.

Het bestreden arrest besluit tot de laattijdigheid van het beroep van S.D. na volgende ambtshalve overwegingen:
- S. D. is belanghebbende in de zin van artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO voor wie de beroepstermijn een aanvang neemt de dag na deze van de startdatum van de aanplakking;
- uit het attest van aanplakking dat wordt voorgelegd door S.D. blijkt dat een mededeling van de bestreden beslissing op 8 november 2010 werd aangeplakt;
- het gegeven dat S. D. slechts eind november 2010 deze aanplakking zou hebben opgemerkt, doet geen afbreuk aan de conclusie van laattijdigheid van het beroep gelet op het bepaalde in artikel 4.7.23, § 4, VCRO over de aanplakking en gelet op het arrest nr. 8/2011 van 27 januari 2011 waarin het Grondwettelijk Hof heeft “geoordeeld dat de aanplakking een geschikte en gerechtvaardigde vorm van bekendmaking is om belanghebbenden op de hoogte te brengen van het bestaan van een vergunningsbeslissing” zodat de stelling van S.D. dat de beroepstermijn “pas zou zijn ingegaan na de kennisname ‘eind november 2010’ […] dan ook niet correct” is.

9. De RvVb verklaart aldus de vordering van S.D.onontvankelijk op een rechtsgrond die door geen enkele partij was aangevoerd en waarover de partijen geen tegenspraak hebben gevoerd.

Het bestreden arrest schendt aldus het algemeen beginsel van eerbiediging van het recht van verdediging.

Het eerste middel is in zoverre gegrond.’
15/10/2014

Ambtshalve exceptie RvVb moet onderworpen worden aan tegenspraak

In het cassatiearrest van de Raad van State van 16 september 2014 werd de problematiek van de ambtshalve excepties en de gebeurlijke tegenspraak in het licht van de rechten van verdediging nog eens op scherp gesteld.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb) had in zijn arrest van 12 november 2013 met nummer A/2013/0663 tot de onontvankelijkheid van het beroep besloten op basis van de volgende overwegingen:

‘De verzoekende partij omschrijft in haar verzoekschrift niet het belang dat zij heeft bij de nagestreefde vernietiging.

Uit de aan de Raad meegedeelde stukken blijkt dat de verzoekende partij (mede)eigenaar is van  de woning die paalt aan het perceel waar de aanvraag van de tussenkomende partijen betrekking op heeft.

De verzoekende partij lijkt zonder meer aan te nemen dat de loutere beschikking over zakelijke of persoonlijke rechten met betrekking tot een onroerend goed dat is gelegen naast of in de nabijheid van het project haar op zich het rechtens vereiste belang bij de huidige procedure kan verschaffen. Die stelling kan niet worden bijgetreden. De tekst van artikel 4.8.16, §1, eerste lid, 3° VCRO verzet zich hiertegen en laat de Raad evenmin toe enig belang in hoofde van de verzoekende partij te vermoeden.

Het loutere nabuurschap op zich kan niet zonder meer volstaan om de verzoekende partijen het rechtens vereiste belang bij het beroep te verschaffen.

Ook de middelen die de verzoekende partij aanvoert en de toelichting daarbij verschaffen geen informatie op grond waarvan kan worden aangenomen dat de verzoekende partij rechtstreeks of onrechtstreeks hinder of nadeel ondervindt van de handelingen die het voorwerp van de bestreden beslissing uitmaken.

Het beroep is niet ontvankelijk.’

De verzoekende partij in de procedure voor de RvVb zag zijn beroep aldus stranden, zonder een debat te kunnen voeren over de voormelde ambtshalve exceptie. Deze partij besloot dan ook om (onder meer) op basis van artikel 6 EVRM verhaal te zoeken bij de Raad van State in zijn hoedanigheid van cassatierechter.

De verzoekende partij in cassatie verwoordde zijn tweede middelonderdeel (onder andere) als volgt:

‘[…] Bovendien “was er ten tijde van het indienen van het verzoekschrift geen enkele duidelijkheid over op welke wijze de RvVb de notie ‘belang’ zou gaan invullen” en werd “in latere procedurestukken […] tijdens de procedure voor de RvVb het belang van verzoekende partij nooit betwist en werden er geen excepties opgeworpen” zodat het “de RvVb [betaamt] om - minstens - de debatten te heropenen indien zij (meer) toelichting wenst over het door verzoekende partij ingeroepen belang”.’

De Raad van State verklaarde het tweede middelonderdeel op bondige wijze gegrond:

‘Uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan, blijkt niet dat de verwerende of de tussenkomende partij voor de RvVb heeft aangevoerd dat verzoeker niet het rechtens vereiste belang had of aantoonde voor het instellen van zijn vordering tot vernietiging.

Het arrest dat deze exceptie ambtshalve opwerpt zonder het aan de tegenspraak van de partijen te onderwerpen, om het beroep onontvankelijk te verklaren, miskent het recht van verdediging van verzoeker en schendt het recht op een eerlijke behandeling op grond van artikel 6.1 EVRM.

Het tweede middelonderdeel is in zoverre gegrond.’

Ambtshalve opgeworpen excepties dienen dus eerst aan een debat tussen partijen te worden voorgelegd, alvorens de RvVb - en bij uitbreiding de overige administratieve rechtscolleges - het beroep wegens onontvankelijkheid kan verwerpen. 
Tags