09/09/2018

Kan de onwettigverklaring van een aanleg- of uitvoeringsplan, net zoals bij een nietigverklaring, territoriaal beperkt worden? Jazeker, en dat kan verzoekende partij haar belang kosten

Kan de onwettigverklaring van een aanleg- of uitvoeringsplan, net zoals bij een nietigverklaring, territoriaal beperkt worden? Dit vraagstuk kwam reeds aan bod in onze blog bij de bespreking van het arrest nr.RvVb/A/1617/0356.  De Raad voor Vergunningsbetwistingen bevestigt in het arrest nr. RvVb/A/1718/1199 van 21 augustius 2018 haar rechtspraak naar aanleiding van een belangenexceptie in zeer duidelijke bewoordingen:

'De Raad stelt vast dat het eerste en vierde middelonderdeel enkel betrekking hebben op de motivering betreffende de deelgebieden van het BPA die niet gelegen zijn in de gewestplanbestemming “milieubelastende industrie” volgens het gewestplan van 1979. De verzoekende partij viseert de wettigheid van de motieven die de omvorming van de oorspronkelijke gewestplanbestemming ‘landschappelijke waardevol agrarisch gebied’ en ‘agrarisch gebied’ naar nijverheidszone moeten verantwoorden.

Bij nazicht van de plannen en zoals bevestigd ter zitting door de verzoekende en tussenkomende partij blijkt dat de aangevraagde werken gelegen zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan ‘Roeselare-Tielt’, vastgelegd met koninklijk besluit van 17 december 1979 in een “gebied voor milieubelastende industrieën”.

De vaststelling van het gewestplan uit 1979 wordt in deze middelonderdelen niet betwist door de verzoekende partij, noch vordert zij de buitentoepassingverklaring van dit gewestplan.

Een BPA vormt in beginsel één ondeelbaar geheel. Een partiële vernietiging, of buitentoepassingverklaring, is evenwel mogelijk wanneer zulks de algemene economie van het plan niet aantast en wanneer vaststaat dat de bevoegde overheden het plan ook zouden hebben vastgesteld en goedgekeurd zonder het onderdeel ervan waarvan de onwettigheid is vastgesteld.

Uit de gegevens van het dossier blijk dat het BPA enerzijds uit de oorspronkelijke gewestplanbestemming (milieubelastende industriezone en industriegebied) bestaat en anderzijds delen van het agrarisch gebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied inkleurt als nijverheidszone, terwijl twee andere stukken gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied uit de goedkeuring van het BPA worden gesloten.

Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de visie en het ontwikkelingsperspectief van het bestreden BPA voortkomen uit het uitbreiden van de bestaande bedrijvenzone.

Een mogelijke gedeeltelijke vernietiging heeft niet tot gevolg dat daarmee de algemene economie van het plan wordt aangetast. Het BPA blijft in dat geval bestaan voor de deelgebieden die volgens het gewestplan van 1979 als milieubelastende industrie waren ingekleurd en als industriegebied (wijziging gewestplan in 1998). Deze zone van het BPA is volledig conform de initieel geldende gewestplanbestemming, gezien zij slecht een bevestiging is van een bestaande planologische toestand, en de economie van het plan, dat ook nieuwe gebieden tot nijverheidszone bestemt, niet aantast.

De ter zitting en in de wederantwoordnota opgeworpen argumentatie van de verzoekende partij dat het BPA ondeelbaar is, wordt door de Raad bijgevolg niet bijgetreden. Er is immers een wezenlijk verschil tussen delen van het BPA die agrarische gebieden omzet naar een in wezen totaal verschillende bestemming ‘nijverheid’, en het deel van het BPA dat een bestaande gewestplanbestemming bevestigt. Dat het bedrijf vergunningen heeft verkregen voor uitbreidingen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en agrarisch gebied, doet niet terzake.

De aangevraagde werken bevinden zich binnen de contouren van het oorspronkelijke gewestplan uit 1979 in een gebied voor milieubelastende industrie.

De verzoekende partij voert enkel argumenten aan tegen de delen van het BPA gelegen in agrarisch gebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en niet tegen het deel gelegen in het gebied voor milieubelastende industrieën.

In de mate dat de Raad van oordeel is dat de mogelijke gegrondverklaring van het eerste en/of vierde middelonderdeel enkel moet leiden tot een gebeurlijke buitentoepassing verklaring van de deelgebieden die een bestemmingswijziging hebben ondergaan, maar niet van de deelgebieden die reeds voorafgaand aan het BPA als bestemming industriegebied of milieubelastende industriezone hadden, maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat zij enig voordeel kan halen bij een gebeurlijke gegrondverklaring van beide middelonderdelen.

Het eerste en vierde middelonderdeel zijn niet ontvankelijk bij gebrek aan belang'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Raad voor Vergunningsbetwistingen, Wettigheidsexceptie
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/04/2018

Over de motiveringsplicht van de Raad voor Vergunningsbetwistingen

In het arrest nr. 241.317 van 16 april 2018 licht de Raad van State toe:

'Het arrest van de RvVb moet met redenen worden omkleed.

De aan de RvVb opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet - al ware die redengeving verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering - of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven - maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting.

Het tweede middelonderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Raad van State, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
16/10/2017

Aanzienlijke ongemakken volstaan voor schorsingsberoep bij de RvVb. Onherroepelijke nadelen zijn dus niet vereist

Zo oordeelt de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het arrest nr. RvVb/S/1718/0110 van 3 oktober 2017:

‘Een zaak is alleen maar ‘hoogdringend’ wanneer de vrees voor schade van een zekere omvang dan wel aanzienlijke ongemakken of nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt en wanneer deze nadelige gevolgen niet kunnen opgevangen worden binnen de gebruikelijke termijn van de vernietigingsprocedure. In de regelgeving wordt niet vereist dat de ingeroepen nadelige gevolgen ‘onherroepelijk schadelijk’ zouden zijn, zoals de tussenkomende partij voorhoudt.

De verzoekende partij moet wel, concreet en met voldoende aannemelijke en precieze gegevens, in het licht van de door haar gevreesde nadelige gevolgen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, aantonen dat de afhandeling van de vernietigingsprocedure te laat zal komen om de verwezenlijking van de ingeroepen nadelen te voorkomen. De verzoekende partij dient aan te tonen dat, mocht zij moeten wachten op het resultaat van de vernietigingsprocedure, zij geconfronteerd zal worden met een welbepaalde schade van een zekere omvang, of met aanzienlijke ongemakken of nadelen.’

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/10/2017

Redelijkheidsbeginsel geldt niet voor Raad voor Vergunningsbetwistingen

Zo stelt de Raad van State, als cassatierechter van de RvVb, in het arrest nr. 239.292 van 5 oktober 2017:

'Het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is toepasselijk op bestuurshandelingen van administratieve overheden als bedoeld in artikel 14, § 1, RvS-wet. De RvVb is echter een administratief rechtscollege als bedoeld in artikel 14, § 2, RvS-wet'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
06/10/2017

Tussenkomende partij kan gebrekkig verzoekschrift tot nietigverklaring niet goedmaken

Zo stelt de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het arrest nr. A/1718/0021 van 5 september 2017:

'De tweede tussenkomende partij neemt deel aan het geding om zich aan de zijde van de verzoekende partij te scharen. Haar tussenkomst mag de inzet van de rechtsstrijd niet wijzigen en moet binnen de krijtlijnen van het gerechtelijk debat blijven, zoals die door het inleidend verzoekschrift getrokken zijn. De tweede tussenkomende partij , die van het instellen van een afzonderlijk beroep tot nietigverklaring afgezien heeft, kan geen nieuwe middelen aanvoeren om de vernietiging van de bestreden beslissing te verkrijgen. Zij vermag dus evenmin het ontbreken van een ontvankelijk middel in het verzoekschrift goed te maken.’

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags