05/05/2017

And now something different: Droppiloot mag niet landen zolang niet alle parachutisten geland zijn

Dit is de uitspraak van een merkwaardige aansprakelijkheidszaak voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, die beslecht werd met vonnis van 3 april 2017 en waarbij zowel de parachutist, een ambtenaar, als zijn werkgever, de Belgische Staat, een aansprakelijkheidsvordering hadden ingesteld tegen de droppiloot (= piloot van het vliegtuigje die de parachutisten gedropt heeft).  Bij het landen van de parachutist werd deze gehinderd door de droppiloot met lichamelijke schade als gevolg.

De rechtbank van eerste aanleg beslist als volgt:

‘Artikel 21 van de wet van 27 juni 1937 tot regeling van de luchtvaart stelt strafbaar elke gezagvoerder die de voorschriften betreffende de lichten en seinen, alsmede betreffende het verkeer der luchtvoertuigen, overtreedt. Op grond van deze bepaling wordt elke gezagsdrager geacht zich te vergewissen omtrent het bestaan plaatselijke voorschriften die gelden op een vliegveld of in een luchtruim, alvorens aldaar vliegactiviteiten uit te voeren. De plaatselijke regels voor Moorsele EBMO paracentrum zijn vastgelegd in het vliegtuighandboek.

Er bestaat geen enkel beletsel dat de voorschriften zouden worden vastgelegd in een vliegtuighandboek bevattende de lokale regels van het vliegveld, voor zover het bestaan van deze codificatie voor de betrokkenen/gebruikers bekend is en zij hiervan ook daadwerkelijk vooraf kennis konden nemen.

K.M. bevestigt ter terechtzitting zijn lange ervaring als militair piloot. Hij zet uiteen zeer vertrouwd te zijn met het vliegveld te Moorsele. Gemiddeld een drietal dagen per maand voert hij er vluchten uit voor paradrops. Dit kan oplopen tot 20 vluchten per dag. K.M. had kennis van het bestaan van het vliegtuighandboek en bevestigt ook dit te hebben ingezien.

K.M. wordt dan ook geacht de plaatselijke voorschriften te kennen en na te leven.

Artikel 3.7 Vliegtuighandboek van Moorsele (versie ERR 5 dd. 01.09.2009, overgenomen als bijlage 5 aan de Operations Manual van Para Centrum Vlaanderen) bepaalt dat valschermen absolute prioriteit hebben op luchtvaartuigen en de piloten rond en op het luchtverkeersgebied voorrang dienen te verlenen en stelt verder (stuk 13): ‘het overvliegen van het vliegveld op welke hoogte dan ook is tijdens de parachutageactiviteiten alsdusdanig verboden. Er mag ook niet getaxied worden en de motoren van vliegtuigen op het terrein moeten stilgelegd worden’.

Vliegveldoverste J.V. verklaart trouwens dat iedereen in Moorsele bekend is met de procedure dat tijdens de paradrop het dropvliegtuig niet mag landen, opstijgen of taxiën (pv 000031 dd. 13.06.2016).

De bewering dat de vliegveldoverste of de CTL nooit is opgetreden tegen het landen van dropvliegtuigen tijdens de sprongen en hierdoor een praktijk in strijd met het vliegveldhandboek heeft toegelaten en bestendigd, kan desgevallend hun aansprakelijkheid in het gedrang brengen, doch ontslaat de piloten er niet van om zelf de veiligheidsvoorschriften na te leven. Het verweer omtrent het al dan niet ontstoken oranje knipperlicht of de moeilijkheid voor de piloot om na te gaan of alle springers geland zijn, is in casu niet relevant bij de beoordeling van de inbreuk, aangezien dit geen invloed had op het vlieggedrag van K.M. die de gewoonte heeft om hoedanook vóór de springers te landen (ongeacht het knipperlicht of de aanwezigheid van valschermen in de lucht) e,n niet betwist op 13.09.2015 zich volgens deze gewoonte gedragen te hebben.

K.M. heeft na het droppen van de parachutisten, dadelijk zijn landing ingezet. Hij zette zijn toestel op de grond en taxiede over de baan toen minstens M.L. nog in de lucht was, zodat hij laatstgenoemde hinderde tijdens zijn landing. Deze vliegbeweging maakt een inbreuk uit op de algemene zorgvuldigheidsplicht en miskende daarenboven artikel 21 van de wet van 27.06.1937 tot regeling van de luchtvaart.

Er dient vastgesteld te worden dat het taxiën van K.M. rechtstreeks verband houdt met de lichamelijke letsels bij M.L.  De aanwezigheid van het vliegtuig was de directe aanleiding voor het aanpassen van de landingsbeweging door M.L.  Het uitwijkmaneuver heeft de landing van deze onervaren valschermspringer ontregeld met een slechte landing tot gevolg.

De feiten omschreven onder tenlastelegging A en B komen dan ook bewezen voor.’

Wij begrijpen dat dit een van de eerste uitspraken, zoniet de eerste uitspraak is in deze materie. Vandaar dat we dit wat exotisch bericht publiceren. Beroep is inmiddels aangekondigd...

Referentie: Rb. Kortrijk, 3 april 2017, ng. (Pub506294).

Blog Publius Nieuws
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsaansprakelijkheid
Stel hier je vraag bij dit blogbericht