29/09/2018

Overheid niet langer strafrechtelijk immuun

Met de wet van 11 juli 2018 tot wijziging van een strafwetboek is de strafrechtelijke immuniteit van publiekrechtelijke rechtspersonen opgeheven.

Artikel 7 bis van het Strafwetboek luidt thans als volgt:

‘De straffen toepasselijk op misdrijven gepleegd door rechtspersonen, met uitsluiting van publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in het derde lid, zijn:

In criminele zaken, in correctionele zaken en in politiezaken:
1° geldboete;
2° bijzondere verbeurdverklaring; de bijzondere verbeurdverklaring, bepaald in artikel 42, 1°, uitgesproken ten aanzien van publiekrechtelijke rechtspersonen kan enkel betrekking hebben op goederen die vatbaar zijn voor burgerlijk beslag.

In criminele en correctionele zaken:
1° ontbinding; deze kan niet worden uitgesproken ten aanzien van de publiekrechtelijke rechtspersoon;
2° verbod een werkzaamheid die deel uitmaakt van het maatschappelijk doel te verrichten, met uitzondering van werkzaamheden die behoren tot een opdracht van openbare dienstverlening;
3° sluiting van een of meer inrichtingen, met uitzondering van de inrichtingen waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een opdracht van openbare dienstverlening;
4° bekendmaking of verspreiding van de beslissing.]1

Ten aanzien van de Federale Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de hulpverleningszones, de prezones, de Brusselse agglomeratie, de gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn kan enkel, met uitsluiting van elke andere straf, de eenvoudige schuldigverklaring worden uitgesproken.’

De wetgever hoopt dat dankzij de (beperkte) strafrechtelijke aansprakelijkheid van overheden, pijnlijke processen tegen in het bijzonder gemeentemandatarissen kunnen vermeden worden. Bekend is het geval van de burgemeester van de stad Damme die na een dodelijk verkeersongeval op een onveilig kruispunt zich moest verantwoorden voor de strafrechter.

Let wel: de overheid kan hoogstens veroordeeld worden tot een eenvoudige schuldigverklaring. Voor de burgerlijke partijen wordt het evewnwel eenvoudiger om schadevergoeding van de betrokken overheid te bekomen, omdat zij niet langer de bewijslast moeten dragen van de fout van de publiekelijke rechtspersoon.

Referentie: S. Keunen, ‘Publiekrechtelijke rechtspersonen genieten niet langer strafrechtelijke immuniteit’, De Juristenkrant, 12 september 2018, 9.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsaansprakelijkheid, Strafrecht & strafvordering
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
05/07/2018

Over de opzettelijke fout, overheidsaansprakelijkheid en verzekeringsdekking

In een arrest van het hof van beroep te Gent van 28 juni 2018 wierp de verzekeringsmaatschappij tegen de verzekerde ambtenaar op dat er sprake was van opzet. Het hof van beroep te Gent wijst in het arrest nr. 2016/AR/949 van 28 juni 2018 deze aanspraak af: de verzekeraar die beweert van dekking bevrijd te zijn, moet bewijzen dat de verzekerde een opzettelijke daad heeft begaan waardoor hij het voordeel van de verzekering heeft verloren.

‘Opzettelijke schuld, die krachtens artikel 8, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst de dekking van de verzekeraar uitsluit, is die welke de wil inhoudt om schade te veroorzaken en niet gewoon de wil om het risico op schade te creëren; opdat de verzekeraar van dekking zou zijn bevrijd, volstaat het, maar is het wel noodzakelijk, dat de schade gewild was, vermits de schuld opzettelijk is, zelfs als de aard of de omvang van het schadegeval niet als dusdanig door de pleger was beoogd (Cass. AR P. 11.0561.F, 26 oktober 2011).

Een opzettelijke fout veronderstelt de wil om een schade te veroorzaken die voortvloeit uit de totstandkoming van een door verzekeringsovereenkomst gedekt risico (Cass. 23 februari 2017, R.W., 2017-18, afl. 17, 665).

Hier heeft [de ambtenaar] zware fouten begaan (in de zin van artikel 2 van de Wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen, … doch [de verzekeringsmaatschappij] toont niet aan dat hij de wil had om schade te veroorzaken, dat hij daadwerkelijk de intentie had om een schade te veroorzaken die voortvloeit uit de totstandkoming van een door de verzekeringsovereenkomst gedekt risico. Het loutere feit dat [de ambtenaar] wist dat hij (onvermijdelijk) schade zou berokkenen volstaat niet. De wil om schade te veroorzaken is niet bewezen.’.

Ref. Pub5206, Gent  28 juni 2018, nr. 2016/AR/949

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Lokale besturen, Overheidsaansprakelijkheid
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
21/06/2018

Kan de burgerlijke rechter bij wege van herstel in natura een bevel aan de overheid opleggen?

Dit is het antwoord van de Nederlandse rechtbank van eerste aanleg Brussel van 14 juni2018:

'Zelfs wanneer een overheid over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, is zij gehouden te handelen binnen de grenzen van wat een normaal zorgvuldige regelgever zou doen. De bevoegdheid mag niet willekeurig of in strijd met hogere rechtsnormen worden uitgevoerd. Indien wordt beweerd dat dat wel het geval is en dat daar schade door geleden werd, kan de beweerde schadelijder zijn subjectief recht op schadevergoeding voorleggen aan de gewone rechtbanken en hoven. Het feit dat het gevorderde herstel neerkomt op een bevel aan de overheid om op deze of gene wijze te handelen, verandert daaraan niets.

Het is pas bij het onderzoek van de gegrondheid van een dergelijke vordering dat kan worden vastgesteld of de overheid op aanvaardbare wijze heeft gehandeld binnen haar discretionaire bevoegdheid. Die vaststelling leidt dan niet tot de afwezigheid van rechtsmacht van de rechtbank, maar tot de ongegrondheid van de vordering'.

Referentie: Rb. Brussel 14 juni 2018, nr. 2018/7278, ng (Pub506271)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsaansprakelijkheid
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/01/2018

Rechtsplegingsvergoedingsregeling voor de Raad van State heeft terugwerkende kracht

Het Gentse hof van beroep moest - na cassatie - in het kader van een aansprakelijkheidsvordering na vernietiging door de Raad van State beslissen of de reële dan wel de geforfaitiseerde advocatenkosten konden aangerekend worden aan de in het ongelijk gestelde overheid.  Het betrof oudere dossiers, dus van voor de rechtsplegingsvergoedingsregeling.  Het hof beslist:

'Anders dan de eerste rechter en het hof van beroep te Brussel beslisten is dit hof van oordeel dat uit hoofde van verdedigingskosten voor wat betreft de procedures voor de Raad van State slechts de ‘geforfaitiseerde analoge rechtsplegingsvergoedingen’ kunnen worden toegekend.

Het hof verwijst daartoe naar het arrest van het Grondwettelijk Hof van 16 juli 2009 (nr. 118/2009). Dat alle procedures voor de Raad van State werden afgesloten voor de inwerkingtreding van de verhoogde rechtsplegingsvergoeding voor de gewone rechtbanken (dus voor de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat; op 1 januari 2008) doet hier geen afbreuk aan. Overeenkomstig art. 13 van de wet van 21 april 2007 zijn de bepalingen ervan onmiddellijk (vanaf haar inwerkingtreding) van toepassing op de hangende zaken. Onder ‘hangende zaken’ worden bedoeld, de zaken waarover nog uitspraak moet worden gedaan bij de inwerkingtreding van de nieuwe wet (Cass. 19 mei 2011, C.10.0573.F). Het betreft dus zaken waarin nog uitspraak moet worden gedaan over de vergoeding voor de verdedigingskosten (zie J.F. Van Droogenbroeck en B. De Coninck, “La loi du 21 avril 2007 sur la répétibilité des frais et honoraries d’avocat”, J.T. 2008, 56, nr. 91), zoals in huidig dossier.

De in hoofdorde door de nv K. gestelde vordering is derhalve ongegrond.

De nv K. voerde 5 schorsings- en vernietigingsprocedures voor de Raad van State. Ze vordert ondergeschikt de maximale rechtsplegingsvergoeding van 1.400,00EUR per procedure, hetzij (5X1.400,00 EUR of) 7.000,00EUR, en meer ondergeschikt het basisbedrag, hetzij (5x700,00 EUR of) 3.500,00EUR.

De NV K.toont niet aan dat de diverse procedures een dermate hoge moeilijkheidsgraad hadden dat ze (telkens) de maximum rechtsplegingsvergoeding rechtvaardigen. Aldus kan aan de nv K. het basisbedrag aan rechtsplegingsvergoeding worden toegekend, hetzij (5 x 700,00 EUR of) 3.500,00 EUR (...)'..
 
Referentie: Gent 25 januari 2017, AR 2016/AR/180 (PUBD7468/1-3 ).

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Gerechtskosten, Overheidsaansprakelijkheid, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
13/10/2017

Geen schadevergoedingsaanspraak in overheidsopdrachten mogelijk zonder voorafgaande procedure voor de Raad van State?

Zeer kort geleden hebben wij verwezen naar een uitspraak van het hof van beroep te Brussel van 12 september 2017 waarin wordt gesteld dat de omstandigheid dat eiseres geen beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State instelde geen beletsel vormt om de illegaliteit van een gunningsbeslissing in overheidsopdrachten voor de burgerlijke rechter in te roepen in het kader van een schadeaanspraak.

De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, denkt er in een vonnis van 16 juli 2017 anders over. Onder verwijzing naar de Europese regelgeving wordt gesteld dat het louter toekennen van een schadevergoeding in het kader van een rechtsbeschermingsrichtlijn geen doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sanctie is, en dit omdat de aanbestedende overheid er niet wordt toe aangezet alsnog de selectiebeslissing of de gunningsbeslissing in te trekken en een nieuwe beslissing te nemen'. De Belgische overheidsopdrachtenwet zo interpreteren dat het zou toelaten dat een belanghebbende een vordering tot schadevergoeding instelt en hoewel hij geen schorsings- en/of vernietigingsberoep heeft aangetekend bij de Raad van State, zou, aldus de rechter, ‘dan ook niet toelaten om het door de rechtsberschermingsrichtlijn beoogde doel te bereiken, met name het voorzien in doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties'.

De rechter beslist dan ook dat ‘geen schadevergoedingsprocedure kan ingeleid worden dan nadat voorafgaandelijk de Raad van State of in uitzonderlijke omstandigheden: de burgerlijke rechter in een schorsings- en vernietigingsberoep, wanneer de overheidsopdracht niet van een overheid in de zin van artikel 14 RvS-wet uitgaat’.

Zonder een voorafgaandelijk schorsings- en vernietigingsberoep gaat de rechter uit van de ‘formele onaantastbaarheid’ van de gunningsbeslissing. Het staat, aldus nog steeds de Dendermondse rechter, niet vast dat artikel 159 GW toelaat a posteriori sancties op te leggen.

Benieuwd of deze uitspraak in graad van beroep kan standhouden…

Referentie: Rb. Dendermonde 16 juli 2017, AR 14/2006/A, ng. (ADM999205)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsaansprakelijkheid, Overheidscontracten, Schadevergoeding overheidsopdrachten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags