25/05/2016

Gemeente kan maar informeren wat zij weet

In een arrest van 13 mei 2016 verwerpt het hof van beroep te Gent de aansprakelijkheidsvordering die door een koper werd ingeleid tegen de gemeente. Het heette dat de gemeente gebrekkige informatie zou hebben verstrekt.

Het Gentse hof overweegt:

‘Van welkdanige fout in hoofde van de gemeente O. of het Vlaamse Gewest is evenwel geen sprake.

Inzonderheid werd naar aanleiding van de onderhandse overeenkomst geen fout begaan bij de informatieverstrekking.

De kopers waren reeds op de hoogte van het onteigeningsrisico en zoals reeds aangehaald bestond er op datum van het ondertekenen van de onderhandse verkoopovereenkomst geen zekerheid over de onteigening, laat staan over de concrete uitwerking daarvan.

De na het ondertekenen van de compromis door de gemeente verstrekte stedenbouwkundige inlichtingen waren evenzeer correct.Op dat ogenblik was er een geldige verkavelingsakte voorhanden en geen onteigeningsplan zodat de aan de notaris overgemaakte inlichtingen wel juist en afdoende waren. Op heden ligt trouwens nog steeds geen onteigeningsmachtiging voor zodat niet valt in te zien welke andere gegevens hadden moeten zijn meegedeeld.

Tot op vandaag is niet duidelijk of en wanneer de onteigening daadwerkelijk zal aanvangen. Er ligt nu wel een onteigeningsplan voor maar dat dateert inmiddels ook al van twee jaar geleden en sindsdien is er kennelijk niets meer gebeurd.

Zoals blijkt uit de evolutie van het dossier is de concrete uitvoering afhankelijk van tal van factoren en kan van de overheid niet verwacht worden dat zij zich vastpint op één of andere datum daar waar zij hier kennelijk zelf nog geen zicht op had en heeft.  Dit alles heeft niets te maken met het niet willen of weigeren of beantwoorden van vragen.

Zoals reeds aangehaald, betreft de aanleg van de rotonde een evolutief proces, werd in 2010-2011 slechts de aanzet tot de herinrichting van het kruispunt gegeven en is de concrete uitwerking ervan pas geleidelijk in de jaren nadien gevolgd.

Er is dus geen schending van informatieplicht en evenmin van het rechtzekerheidsbeginsel en het verbod van willekeur nu de kopers heel goed wisten dat een onteigening zich mogelijkerwijze zou aandienen. Er kan hier niet gewaagd worden van verworven rechten ingevolge de goedgekeurde verkaveling waaruit zelfs niet concreet de gebeurlijk te onteigenen oppervlakte kon worden afgeleid.

Dat F.W. en M.-H. S. ‘vandaag’ moeten aankopen en ‘morgen’ zouden worden onteigend, staat nog steeds niet vast. Zoals gezegd is het voorwerp van de overeenkomst nog altijd voorhanden.

Het is in dit verband ook niet relevant dat de overheid zou meedelen welke impact de werken op het onroerend goed zullen hebben nu deze werken pas sedert april 2012 geconcretiseerd werden en dit op 13 juli 2011 nog geenszins het geval was.

Welkdanige onderzoeksmaatregel (‘nadat de onteigeningsbesluiten zullen zijn genomen’) of voorbehoud wordt dan ook afgewezen en de vrijwaringsvorderingen zijn ongegrond.’

 Referentie: Gent 13 mei 2016, nr. 2013/AR/2555 en 2013/AR/2636, ng. (Pub503431)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Bekendmaking, Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Onteigeningen, Openbaarheid van bestuur
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
06/05/2015

Geen openbaarheid van bestuur voor adviezen advocaten

Zo oordeelde de beroepsinstantie op 13 juni 2014:

'Overwegende dat in overeenstemming met artikel 7, tweede lid van het decreet van 26 maart2004 het recht op passieve openbaarheid betrekking heeft op bestuursdocumenten; dat op grond van deze bepaling elke instantie in principe verplicht is aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in,  uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten;


Overwegende dat de openbaarmaking slechts kan geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingsgronden, zoals gestipuleerd in de artikelen 11 tot en met 15 van het decreet van 26 maart 2004;



Overwegende dat de beroeper een afschrift vraagt van het advies van het advocatenkantoor xxx aan de gemeente Sint-Katelijne-Waver inzake de overeenkomst die de gemeente heeft afgesloten met xxx aangaande het woonproject Maenhoevevelden;



Overwegende dat de gemeente Sint-Katelijne-Waver in haar weigeringsbeslissing dd. 15 mei 2014 daaromtrent argumenteerde dat het gevraagde document een advies betreft van het advocatenkantoor xxx en dat op grond van artikel 6, §2, 2° van de Wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur dat bepaalt dat een niet-federale overheid de vraag

om openbaarmaking van een bestuursdocument dient af te wijzen wanneer de openbaarmaking van dit document afbreuk doet aan een bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting, het niet mogelijk is om verzoeker een kopie van het advies te bezorgen;


Overwegende dat de beroepsinstantie hierbij inderdaad dient te verwijzen naar de toepassing van artikel 12 van het openbaarheidsdecreet; dat bijgevolg conform artikel 6, §2, 2° van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, een federale of niet-federale administratieve overheid de vraag om inzage, uitleg of mededeling in afschrift van een bestuursdocument, die met toepassing van deze wet is gedaan, kan afwijzen wanneer de openbaarmaking van het  bestuursdocument afbreuk doet aan een bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting;



Overwegende dat inderdaad dient te worden vastgesteld dat artikel 458 van het Strafwetboek stipuleert dat alle “personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij beroepen worden om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken” strafrechtelijk

zullen worden gesanctioneerd;


Overwegende dat voormeld artikel uit het Strafwetboek dus wel degelijk van toepassing is ten

aanzien van advocaten en het betreft hier dan ook de wettelijke verankering van het beroepsgeheim voor advocaten; 
Overwegende dat de beroepsinstantie hierbij onmogelijk aan de vaststelling omheen kan dat het belang van voornoemd beroepsgeheim van advocaten t.a.v. het principe van de openbaarheid van bestuur nog expliciet werd bevestigd in het arrest nr. 202.966 van de Raad van State dd. 15 april 2010; dat in dit arrest de Raad van State de toepassing van artikel 6, §2, 2° van de Wet van 11 april 1994 heel expliciet heeft bijgetreden;

Overwegende dat de Raad van State in het aangehaalde arrest heeft gesteld dat de geheimhoudingsverplichting er op gericht is om het iedereen mogelijk te maken op de best mogelijke manier bijstand te krijgen van een advocaat, door de waarborg dat alles wat wordt besproken, vertrouwelijk blijft, en niet ter kennis kan komen van derden; dat het beroepsgeheim er is om de vertrouwelijkheid te beschermen, en niet omgekeerd; dat de beroepsinstantie zich dan ook niet kan of mag afvragen of een bestuursinstantie afbreuk zou doen aan het beroepsgeheim van haar raadsman, en of zij de vertrouwensrelatie met deze zou schenden; dat de beroepsinstantie daarentegen moet nagaan of de vertrouwelijkheid, waar een bestuursinstantie kan van genieten in haar overleg met een advocaat, moet wijken voor het beginsel van de openbaarheid van bestuur; dat de Raad van State daarover zegt dat de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur daar op het eerste gezicht ontkennend op antwoordt;


Overwegende dat de beroepsinstantie van oordeel is dat deze bescherming van het beroepsgeheim niet enkel wordt geboden voor adviezen of documenten die verband houden met een gerechtelijke procedure; dat de Raad van State heeft gesteld dat de geheimhoudingsverplichting er op gericht is om het iedereen mogelijk te maken op de best mogelijke manier bijstand te krijgen van een advocaat;



Overwegende dat de gemeente Sint-Katelijne-Waver aan de beroepsinstantie nadere uitleg heeft verschaft over het advies; dat de gemeente op 30 juli 2009 met xxx een overeenkomst heeft afgesloten voor de ontwikkeling van het woonproject “Maenhoevevelden”; dat de overeenkomst tussen het gemeentebestuur en xxx volgens art. 1 van die overeenkomst is gesteund op een  gemeentelijk uitvoeringsplan dat voorlopig werd vastgesteld op 8 juni 2009;

dat het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan echter op 3 januari 2012 door de Raad van State werd vernietigd, waardoor het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan terug in voege is met een grotere taakstelling ‘stedelijk gebied Mechelen’; dat in het college van 27 februari 2012 werd beslist om de opmaak van een nieuw gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan op te starten ; dat het werk nog niet is aangevangen; dat de gemeente in het voorjaar 2012 juridisch advies heeft ingewonnen bij de voornoemde advocatenassociatie xxx inzake de geldigheid van genoemde overeenkomst;


Overwegende dat dan ook moet geconcludeerd worden dat een advies betreffende onderzoek naar de geldigheid van de afgesloten overeenkomst tussen de gemeente Sint-Katelijne-Waver en xxx evenzeer onder de hiervoor aangehaalde wettelijke geheimhoudingsverplichting komt te vallen;



Overwegende dat de Raad van State in voormeld arrest voorts ter ondersteuning aanhaalt dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen trouwens ook voorrang geeft aan de vertrouwelijkheid van de briefwisseling tussen advocaat en cliënt op het recht van de Commissie om de overlegging te eisen van alle documenten die zij noodzakelijk acht om 4 overtredingen op de verdragsbepalingen betreffende mededinging op te sporen; dat de eerbiediging van het recht van verdediging - en daarom van de vertrouwelijke aard van deze briefwisseling - immers zwaarder weegt (HvJ 155/79, AM&S; Europe Ltd., Jur. 1982, 1575); 

Overwegende dat het Grondwettelijk Hof in dezelfde zin heeft geoordeeld; dat zij immers van oordeel is dat de regel van het beroepsgeheim van een advocaat niet moet wijken voor de noodzaak van toezicht op misbruiken van het stelsel van collectieve schuldregeling (GwH 3 mei 2000, nr. 46/2000, R.W. 2000-01, 506, noot E. DIRIX; GwH 14 juni 2006, nr. 100/2006), voor de handhaving van de absolute onpartijdigheid van de curator (GwH 24 maart 2004, nr. 50/2004, R.W. 2004-05, 218) of voor de bestrijding van het "witwassen" (GwH 23 januari 2008, nr. 10/2008, R.W. 2008-09, 109, noot J. STEVENS);


Overwegende dat daaruit dan ook moet worden afgeleid dat het beroepsgeheim van advocaten dient beschermd te worden; dat het inderdaad een toepassing uitmaakt van de uitzondering op grond van een bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting, zoals voorzien in artikel 6,§2, 2° van de federale openbaarheidswetgeving, zodat deze dan ook primeert op de regels inzake de openbaarheid van bestuur;



Overwegende dat er voor zoveel als nodig ook nog op gewezen wordt dat de beroepsinstantie tot de toepassing van voornoemde uitzondering uit artikel 6, §2, 2° van de wet van 11 april 1994 kan besluiten, zonder dat de beroepsinstantie zelf inzage heeft kunnen verkrijgen in het opgevraagde document; dat de Raad van State hierover in voormeld arrest nr.202.966 dd. 15 april 2010 heeft gesteld dat artikel 6, §2, 2° van de wet van 11 april 1994 een absolute uitzondering vormt op de openbaarheid van bestuur, en dat die bepaling een bestuursinstantie en ook de beroepsinstantie er toe verplicht de vraag tot inzage of afschrift af te wijzen; dat de beroepsinstantie daarom het beroep van verzoeker hoe dan ook moet verwerpen, zodat er geen enkele reden bestaat waarom zij zelf wel inzage of een afschrift van de vertrouwelijke briefwisseling met het advocatenkantoor moest krijgen; dat de documenten immers op geen enkele manier dienstig zijn voor de beroepsprocedure, nu het verzoek tot het bekomen van een afschrift zonder meer kan worden afgewezen op grond van het beroepsgeheim t.a.v. de relatie tussen een advocaat en zijn cliënt, zoals geformuleerd als uitzonderingsgrond op de openbaarheid van bestuur;



Overwegende dat zelfs als er toch een reden zou zijn waarom de beroepsinstantie wel inzage moest krijgen in de opgevraagde documenten, dan nog had ze niet kunnen beslissen om ook een afschrift ervan te verlenen aan verzoeker, zo stelde de Raad van State nog in haar arrest; 

Overwegende dat, gelet op wat hiervoor werd uiteengezet, het ingestelde beroep dan ook als ongegrond moet worden beschouwd;


Na beraadslaging,



BESLUIT:



Het beroepschrift van xxx dd. 19 mei 2014 tegen de weigeringsbeslissing van de gemeente Sint-Katelijne-Waver wordt als ontvankelijk doch ongegrond beschouwd'.


Referentie: Beroepsinstantie inbzake openbaarheid van bestuur 13 juni 2014, nr. OVB/2014/98

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale besturen, Openbaarheid van bestuur
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/12/2011

De auteursrechtelijke bescherming van bouwplannen

Bouwplannen zijn in beginsel auteursrechtelijk beschermd. Zo oordeelde de Vlaamse Beroepsinstantie inzake de Openbaarheid van Bestuur op 20 mei 2005 dat een gemeente op grond van de openbaarheidsreglementering een aanvraagdossier voor een stedenbouwkundige vergunning moet overmaken, maar met uitzondering van de bouwplannnen aangezien deze auteursrechtelijk beschermd zijn.

In een arrest van 3 mei 2011 oordeelde het hof van beroep te Brussel dat, minstens in het kader van een geschil, de auteursrechtelijke bescherming niet kan ingeroepen worden om inzage in bouwplannen te weigeren:

"Op de zitting van 4 april 2011 verklaart de raadsman van P. M. en H. F. dat de raadsman van S. W. de plannen niet kon ontvangen van de stad H. om auteursrechtelijke redenen.

Het hof ziet geen auteursrechtelijke redenen voor de stad om geen kopie van de vergunning en de plannen af te leveren. De eventuele aanwending van de plannen voor de bewijsvoering vormt geen gebruik in de zin van artikel 1 van de Wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, en op het te wijzen arrest, een officiële akte van de overheid, bestaat overeenkomstig artikel 8 §2 van dezelfde wet geen auteursrecht. 

Voor zoveel als nodig merkt het hof op dat de vergunning en de plannen bestuursdocumenten zijn in de zin van artikel 2 van het Vlaams Decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur, en in beginsel voorwerp zijn van passieve openbaarheid. Het blijkt niet a priori dat een van de uitzonderingen van artikelen 11 tot en met 15 aan de orde is. 

Een en ander is overigens zonder belang, gelet op de uitvoerbaarheid van huidige toepassing van artikel 878 van het Gerechtelijk Wetboek."

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Intellectuele rechten, Openbaarheid van bestuur, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags