06/02/2013

Sinksenfoorarrest Raad van State: plan-MER-screening moet rekening houden met de juridische bestemming, niet met de feitelijke bestemming

De Raad van State is overgegaan tot schorsing van het RUP dat de Sinkenfoor wou verzekeren.

De Raad van State zelf vat het arrest nr. 222.344 van 1 februari 2013 als volgt samen:

'Op de Gedempte Zuiderdokken in Antwerpen worden de Sinksenfoor en andere openluchtevenementen georganiseerd. In het gewestplan hebben de Gedempte Zuiderdokken de bestemming parkgebied.
De stad Antwerpen stelt een ruimtelijk uitvoeringsplan vast waardoor onder meer de Gedempte Zuiderdokken tot zone voor openbaar nut bestemd worden. Omwonenden stellen hiertegen schorsings- en annulatieberoep in bij de Raad van State. Bij arrest nr. 222.344 van 1 februari 2013 doet de Raad van State uitspraak over de vordering tot schorsing.
De stad Antwerpen werpt op dat de verzoekers geen belang hebben omdat ook zonder het uitvoeringsplan de Sinksenfoor kan doorgaan. Het arrest aanvaardt  dat de verzoekers wel  belang hebben bij hun beroep. Door het uitvoeringsplan wordt immers een ruimtelijk kwetsbaar gebied (parkgebied) omgezet in een niet-kwetsbaar gebied (zone voor openbaar nut), zodat het gemakkelijker wordt om voor installaties van openluchtevenementen een (vrijstelling van) vergunning te geven.
De verzoekers bekritiseren het "screeningsrapport" op grond waarvan de dienst Milieueffectenrapportage geoordeeld heeft dat het uitvoeringsplan geen aanzienlijke milieugevolgen heeft. De Raad van State oordeelt dat in het "screeningsrapport" de oude bestemming (ruimtelijk kwetsbaar gebied) vergeleken diende te worden met de nieuwe bestemming (niet-kwetsbaar gebied). Aangezien een plan een reglementair karakter heeft is de huidige feitelijke bestemming van het gebied daarbij niet relevant. De Raad van State stelt vast dat in het "screeningsrapport" op het eerste gezicht ten onrechte is aangenomen dat de omzetting van parkgebied naar zone voor openbaar nut geen wijziging inhield en daarom geen aanzienlijke milieugevolgen heeft.
Het arrest gaat niet in op het verzoek van de stad Antwerpen om na het afwegen van de belangen van de partijen het bestreden uitvoeringsplan niet gedeeltelijk te schorsen. De Raad van State oordeelt dat de stad Antwerpen niet aantoont dat het in het algemeen belang is om de "zone voor publiek domein" in het bestreden uitvoeringsplan, spijts de vastgestelde waarschijnlijke onwettigheid en het vastgesteld moeilijk te herstellen ernstig nadeel, onmiddellijk ten uitvoer te leggen. Het arrest vervolgt dan dat de onmiddellijke uitvoering van een besluit dat binnenkort lijkt te zullen worden vernietigd, bezwaarlijk het algemeen belang kan dienen. De Raad van State wijst er tot slot op dat hij bij gebrek aan enige wetsbepaling niet kan afzien van de vernietiging van het bestreden uitvoeringsplan op grond van een belangenafweging wanneer hij heeft vastgesteld dat in een ontvankelijk annulatieberoep een gegrond middel wordt aangevoerd.
Het arrest beveelt de schorsing van de bestemmingszone voor de Gedempte Zuiderdokken. Deze schorsing heeft geen gevolgen voor de andere zones van het uitvoeringsplan'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags MER
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
26/07/2012

Opheffing van Brusselse bijzondere bestemmingsplannen mag niet categoriek uitgesloten worden van milieueffectenbeoordeling

In arrest nr. 95/2012 van 19 juli 2012 vernietigt het Grondwettelijk Hof de artikelen 25 en 26 van de Ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 14 mei 2009 tot wijziging van de Ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 13 mei 2004 houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO). Beide bepalingen hadden betrekking op de mogelijkheid tot gehele of gedeeltelijke opheffing van een bijzonder bestemmingsplan. De opheffingsprocedure voorzag niet in de opstelling van een milieueffectenrapport in de zin van de plan-mer-richtlijn 2001/42/EG.
In antwoord op een prejudiciële vraag gesteld vanwege het Grondwettelijk Hof aan het Hof van Justitie, heeft het Hof van Justitie in arrest C-567/10 van 22 maart 2012 geoordeeld dat ook de intrekking van plannen of programma’s aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en dus een milieueffectenbeoordeling kunnen vereisen in de zin van de plan-mer-richtlijn 2001/42/EG.
In navolging van dit prejudicieel arrest van het Hof van Justitie oordeelt het Grondwettelijk Hof nu dat het BWRO, zoals gewijzigd door de Ordonnantie van 14 mei 2009, dat nooit een milieueffectenrapport vereist voor de gehele of gedeeltelijke opheffing van een bijzonder bestemmingsplan, in strijd is met de plan-mer-richtlijn 2001/42/EG:
 B.8.1. De procedure voor de opheffing van een BBP, zoals zij wordt beschreven in de artikelen 58 tot en met 63 van het BWRO, voorziet niet in het opstellen van een milieurapport.

De opheffing van een BBP met toepassing van de artikelen 58 en 59 van het BWRO, zoals zij zijn gewijzigd bij de artikelen 25 en 26 van de ordonnantie van 14 mei 2009, maakt dus niet het voorwerp uit van een milieubeoordeling in overeenstemming met de artikelen 3 tot 6 van de richtlijn van 27 juni 2001.
B.8.2. Die vaststelling volstaat echter niet om te besluiten dat de bestreden bepalingen onverenigbaar zouden zijn met die richtlijn.

De opheffing van een BBP zou immers slechts betrekking kunnen hebben op een « klein gebied op lokaal niveau » in de zin van artikel 3, lid 3, van de richtlijn van 27 juni 2001 of slechts als « klein » kunnen worden beschouwd in de zin van diezelfde bepaling. In die gevallen zou het kunnen dat de opheffing van een BBP niet dient te worden onderworpen aan een milieubeoordeling in de zin van die richtlijn, voor zover het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bepaalt dat een dergelijke opheffing geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben.

Daartoe zou het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ofwel een « onderzoek per geval » moeten voeren, ofwel « soorten » BBP’s moeten specificeren ofwel beide werkwijzen moeten combineren. In de drie gevallen zou het Gewest rekening moeten houden met de relevante criteria van bijlage II van de richtlijn (artikel 3, lid 5, van de richtlijn van 27 juni 2001), en de instanties moeten raadplegen die, rekening houdend met hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied, met de milieueffecten van die opheffing te maken kunnen krijgen (artikel 3, lid 6, van de richtlijn van 27 juni 2001, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 3, van dezelfde richtlijn).

B.8.3. Alleen de regels met betrekking tot het opstellen en het wijzigen van een BBP bieden de bevoegde instanties van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest evenwel de mogelijkheid om na te gaan of een dergelijk plan aanzienlijke gevolgen voor het milieu kan hebben (artikelen 43 en 44 van het BWRO, respectievelijk gewijzigd bij de artikelen 19 en 20 van de ordonnantie van 14 mei 2009; artikel 52, tweede lid, van het BWRO; artikelen 55 en 56, tweede lid, van het BWRO).

In een dergelijke toetsing is niet voorzien voor de opheffing van een BBP.

B.8.4. Uit het voorgaande volgt dat de artikelen 25 en 26 van de ordonnantie van 14 mei 2009 onverenigbaar zijn met de artikelen 3 tot 6 van de richtlijn van 27 juni 2001 in zoverre zij elke opheffing van een BBP uitsluiten van een milieubeoordeling in de zin van artikel 2, onder b), van die richtlijn.
Overigens meent het Hof in hetzelfde arrest dat de procedure voor de aanneming van een plan voor erfgoedbeheer, zoals ingevoegd in het BWRO door de Ordonnantie van 14 mei 2009, dat evenmin voorziet in de opstelling van een milieueffectenrapport, de plan-mer-richtlijn 2001/42/EG niet schendt:
B.11.2. De artikelen 98, § 2/2, en 206, 10°, van het BWRO beschrijven de procedure voor de aanneming van het plan voor erfgoedbeheer.
Die procedure voorziet niet erin dat die aanneming wordt voorafgegaan door het opstellen van een milieueffectenrapport en a fortiori door een openbaar onderzoek met betrekking tot een dergelijk rapport.
B.11.3.1. Uit artikel 98, § 2/2, eerste, tweede, vijfde, zesde, achttiende, negentiende, eenentwintigste en drieëntwintigste tot vijfentwintigste lid, van het BWRO, alsook uit artikel 206, 10°, van hetzelfde Wetboek blijkt dat een plan voor erfgoedbeheer een beheerplan is voor een welbepaald onroerend goed of voor een welbepaalde groep van onroerende goederen die zijn beschermd of op de bewaarlijst zijn ingeschreven en de uit te voeren instandhoudingswerken en de eventuele fasering ervan bepaalt. De door het plan toegestane handelingen en werken kunnen worden uitgevoerd zonder dat daarvoor telkens een afzonderlijke vergunning of het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen is vereist.
Een dergelijk plan, dat veeleer de kenmerken heeft van een vergunning voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden ter bewaring van de historische, archeologische, artistieke, esthetische, wetenschappelijke, sociale, technische of volkskundige waarde van de betrokken onroerende goederen, kan niet worden gelijkgesteld met de plannen en programma’s bedoeld in Richtlijn 2001/42/EG. Die plannen en programma’s worden door de bevoegde overheden opgesteld die hun beleid op een aantal domeinen vaststellen. Wanneer zij worden uitgevoerd, kunnen zij aanleiding geven tot aanzienlijke milieueffecten, tot de realisatie van projecten zoals opgesomd in de bijlagen I of II van Richtlijn 85/337/EEG of tot het optreden van negatieve effecten op gebieden als bedoeld in Richtlijn 92/43/EEG (artikel 3 van Richtlijn 2001/42/EG). Een plan voor erfgoedbeheer is niet een dergelijk beleidsplan en de uitvoering ervan zal in de regel niet zulke gevolgen hebben.
B.11.3.2. Indien evenwel een bepaald plan voor erfgoedbeheer, bij de voorbereiding ervan, een plan of een programma blijkt te zijn als bedoeld in artikel 3 van Richtlijn 2001/42/EG, dan zal dat plan worden onderworpen aan een milieubeoordeling in de zin van artikel 2, onder b), van bedoelde richtlijn (artikel 3, lid 1, van de richtlijn).
De ordonnantie van 18 maart 2004 beoogt, volgens artikel 2 ervan, de omzetting van die richtlijn. Zij « is van toepassing op alle plannen en programma’s die door geen enkel wettelijk, verordenend of bestuursrechtelijk instrument aan een voorafgaande beoordeling van hun milieueffecten worden onderworpen die vergelijkbaar is met die waarin door de artikelen 4 tot 16 [van die ordonnantie] wordt voorzien » (artikel 17, § 2, tweede lid).
B.11.4. De omstandigheid dat het plan voor erfgoedbeheer in de regel niet onderworpen wordt aan een milieubeoordeling in de zin van artikel 2, onder b), van de richtlijn 2001/42/EG, is derhalve niet onbestaanbaar met de in het middel aangevoerde bepalingen.

Gepost door Roel Meeus

Tags Brussels omgevingsrecht, MER, Roel Meeus, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
10/05/2012

Wijzigiging van milieueffectenrapportage in milieuvergunningsdecreet, DABM en VCRO

Met het decreet van 23 maart 2012 houdende wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dat in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd op 20 april 2012 worden deze decreten en Codex inzake de milieueffectenrapportage gewijzigd.

Meer informatie kan u vinden op onze respectievelijke blogs VLAREM en VCRO.

Gepost door Meindert Gees

Blog Lokale Besturen
Tags Lokale besturen, MER, Meindert Gees, Milieurecht, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
26/04/2012

Regeling milieueffectenrapportage in VCRO gewijzigd

Door het decreet van 23 maart 2012 houdende wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dat in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd op 20 april 2012, wordt de VCRO gewijzigd.

Die wijziging is het gevolg van recente rechtspraak van het Hof van Justitie over de richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. In het arrest van 24 maart 2011 heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de Vlaamse regelgeving niet in overeenstemming is met een aantal bepalingen van richtlijn 85/337/EEG.

Het arrest heeft tot gevolg dat bepaalde aspecten van de Vlaamse regelgeving op het gebied van milieueffectbeoordeling van projecten moesten worden herzien zodat voor alle projecten die opgesomd zijn in bijlage II van de richtlijn, geval per geval beslist wordt of er al dan niet aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn ten gevolge van het concrete project. Bij die beslissing moet er rekening gehouden worden met de criteria, vermeld in bijlage III van de richtlijn.

Concreet worden de artikelen 4.7.14 en 4.7.26 VCRO gewijzigd en worden artikel 4.7.14/1 en 4.7.26/1 VCRO ingevoegd.

Zo zal het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek, bedoeld in artikel 4.7.14 VCRO, aan de aanvrager verstuurd worden binnen een ordetermijn van 30 dagen, waar vroeger sprake was van 14 dagen.

In artikel 4.7.26 VCRO worden de bewoordingen “milieueffectenrapportage, of in aanmerking komt voor een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van deze verplichting” vervangen. Artikel 4.7.26, §1, 1° VCRO schrijft thans met betrekking de bijzondere procedure voor dat een vergunning wordt afgeleverd door “hetzij de Vlaamse Regering of de gedelegeerde stedenbouwkundige ambtenaar, voor zover het aangevraagde onderworpen is aan de verplichting tot het opmaken van een milieueffectrapport”.

Daarnaast wordt ook de ordetermijn van 14 dagen, bedoeld in artikel 4.7.26 VCRO, waarbinnen het resultaat van het ontvankelijksheids- en volledigheidsonderzoek dient te worden verstuurd aan de aanvrager, verlengd naar 30 dagen.

Het nieuwe artikel 4.7.14/1 VCRO luidt als volgt:

“§ 1. Als de vergunningsaanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota als vermeld in artikel 4.3.3, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, omvat, onderzoekt de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, zijn gemachtigde of de gemeentelijke administratie, die nota en neemt een beslissing of er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld.

§ 2. Er hoeft geen milieueffectrapport over het project te worden opgesteld als de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, zijn gemachtigde of de gemeentelijke administratie oordeelt dat: 1) een toetsing aan de criteria van bijlage II van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu; of 2) vroeger al een project-MER werd goedgekeurd betreffende een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is, en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of aanvullende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten.

§ 3. De beslissing dat een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld, heeft van rechtswege de onvolledigheid van de vergunningsaanvraag tot gevolg.

De aanvrager kan in dat geval een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage overeenkomstig de procedure vermeld in artikel 4.3.3, § 3 tot en met § 9, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.”

Het nieuwe artikel 4.7.26/1 VCRO luidt op zijn beurt als volgt:

“§ 1. Als de vergunningsaanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota als vermeld in artikel 4.3.3, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, omvat, onderzoekt het vergunningverlenende bestuursorgaan of zijn gemachtigde, die nota en neemt een beslissing of er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld.

§ 2. Er hoeft geen milieueffectrapport over het project te worden opgesteld als het vergunningverlenende bestuursorgaan of zijn gemachtigde oordeelt dat : 1) een toetsing aan de criteria van bijlage II van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu; of 2) vroeger al een project-MER werd goedgekeurd betreffende een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is, en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of aanvullende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten.

§ 3. De beslissing dat een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld, heeft van rechtswege de onvolledigheid van de vergunningsaanvraag tot gevolg.

De aanvrager kan in dat geval een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 4.3.3, § 3 tot en met § 9, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.”

Deze wijziging en invoeging van deze artikelen treedt in werking op 30 april 2012.

De vraag stelt zich hoe onze rechtbanken zullen oordelen over de oude situatie en de overgangssituatie.  Lees alvast dit recente arrest nr. 218.458 van 14 maart 2012 van de Raad van State..

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags MER, VCRO
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
04/04/2012

Onderscheid effectenstudie-effectenverslag in Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening schendt gelijkheidsbeginsel en project-MER-richtlijn

In een arrest van 15 maart 2012 (nr. 46/2012) heeft het Grondwettelijk Hof bij wege van prejudiciële beslissing de artikelen 127, 128 en 142 tot 148 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO), vóór de wijziging ervan bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 30 september 2010 tot wijziging van de ordonnantie van 13 mei 2004 houdende ratificatie van het BWRO (B.S. 6 oktober 2010), strijdig verklaard met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 1 tot 6 van de project-MER-richtlijn 85/337/EEG.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat het bestaande onderscheid in het BWRO tussen enerzijds projecten opgenomen in Bijlage A van het BWRO die onweerlegbaar worden onderworpen aan een (uitgebreide) effectenstudie en anderzijds projecten opgenomen in Bijlage B van het BWRO die onderworpen zijn aan een effectenverslag (een mini-effectenstudie) en slechts in tweede instantie onderworpen zijn aan een uitgebreide effectenstudie wanneer na analyse van het effectenverslag komt vast te staan dat deze projecten aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, het gelijkheidsbeginsel schendt, samen gelezen met de artikelen 1 tot 6 van de project-MER-richtlijn 85/337/EEG.

Het Grondwettelijk Hof stelt hierover het volgende:

B.9. De ordonnantiegever vermocht rechtmatig te oordelen dat het onmogelijk was een exhaustieve lijst op te stellen van de projecten die ambtshalve het voorwerp van een effectenstudie moeten uitmaken. Dat is de reden waarom hij, zoals blijkt uit de in B.5.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding, heeft willen voorzien in een procedure die het mogelijk maakt projecten die, bij analyse, door de bevoegde overheid werden geacht belangrijke gevolgen voor het leefmilieu te kunnen hebben, aan een dergelijke studie te onderwerpen.

B.10. Zoals blijkt uit de in B.4.2 vermelde rechtspraak van het Hof van Justitie, moet elk project dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben, het voorwerp van een procedure van milieueffectbeoordeling uitmaken.

Op straffe van schending van het gelijkheidsbeginsel zou niet kunnen worden verantwoord dat dergelijke projecten aan twee verschillende categorieën van procedures worden onderworpen waarvan de ene geen waarborgen inzake raadpleging en onpartijdigheid biedt die vergelijkbaar zijn met die van de andere, terwijl het gaat om projecten waarvan is gebleken dat zij even belangrijke gevolgen voor het leefmilieu kunnen hebben.

B.11. De ordonnantiegever heeft weliswaar erin voorzien, met de bedoeling zich te gedragen naar de richtlijn 85/337/EEG, dat de projecten die van rechtswege niet aan een effectenstudie worden onderworpen, het voorwerp kunnen uitmaken van een voor elk geval afzonderlijke analyse teneinde te beoordelen of zij aan een dergelijke studie moeten worden onderworpen.

Bij gebrek aan criteria die in overeenstemming zijn met de richtlijn, zoals het Hof van Justitie heeft vastgesteld, die het mogelijk maken de aard te bepalen van de projecten die ambtshalve aan een studie moeten worden onderworpen, alsook bij gebrek aan preciseringen over wat moet worden verstaan onder « uitzonderlijke omstandigheden » die kunnen verantwoorden dat daarvan gebruik wordt gemaakt, is het echter niet mogelijk vooraf te bepalen welke van de in bijlage B van de ordonnantie bedoelde projecten belangrijke gevolgen voor het leefmilieu kunnen hebben om aan een effectenstudie te worden onderworpen. Daaruit vloeit voort dat sommige van de in de genoemde bijlage bedoelde projecten die belangrijke gevolgen voor het leefmilieu kunnen hebben, zouden kunnen ontsnappen aan de procedure die een effectenstudie vereist, om te worden onderworpen aan die welke een effectenverslag, dat niet dezelfde waarborgen biedt, vereist.

Er wordt derhalve afbreuk gedaan aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 1 tot 6 van de richtlijn, in zoverre de in het geding zijnde bepalingen tot gevolg kunnen hebben dat in bijlage B bedoelde projecten die belangrijke gevolgen voor het leefmilieu hebben, aan een effectenstudie ontsnappen, terwijl projecten van een dergelijke aard krachtens de richtlijn aan een dergelijke studie moeten worden onderworpen.


In 2011 werd België nog veroordeeld door het Hof van Justitie, omdat de Vlaamse en Brusselse omzettingsregelingen van de project-MER-richtlijn 85/337/EEG ontoereikend waren (zie arrest HvJ 24 maart 2011, Europese Commissie t. Koninkrijk België, C-435/09).

Het is overigens hoogst twijfelachtig of het BWRO sinds de wijzigingen aangebracht door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 30 september 2010 wél verenigbaar is met de bepalingen van de project-MER-richtlijn 85/337/EEG. Bijlagen A en B van het BWRO zijn immers zo goed als onveranderd gebleven, terwijl artikel 148, § 1 van het BWRO nog altijd bepaalt dat “[i]n uitzonderlijke omstandigheden [...] de overlegcommissie in een bijzonder met redenen omkleed advies, de Regering [kan] aanbevelen een effectenstudie te laten verrichten”.

Gepost door Roel Meeus

Tags Brussels omgevingsrecht, MER, Roel Meeus, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags