13/08/2019

Decreet Gemeentewegen gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad

Op 12 augustus 2019 werd het Decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. 

Dit decreet heft de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen op en voorziet in een harmonisatie van de regelgeving met betrekking tot alle gemeentewegen.

Zo heeft de gemeenteraad voortaan de exclusieve bevoegdheid voor de aanleg, wijziging, verplaatsing en opheffing van alle gemeentewegen. De gemeenteraad kan, los van een andere procedure, beslissen over de aanleg, wijziging, verplaatsing en opheffing van alle gemeentewegen. Daarnaast wordt ook voorzien in een integratie van deze beslissing van de gemeenteraad in een ruimtelijke planningsinitiatief of de procedure van de omgevingsvergunning.

Tegen de beslissing van de gemeenteraad kan nu ook administratief beroep worden ingesteld bij de Vlaamse Regering.

Verder bevat het decreet regels over de realisatie van gemeentewegen, de afpaling en het beheer ervan, de verjaring en de voorwaarden voor een vergoeding voor waardevermindering of waardevermeerdering van de gronden waarop de gemeenteweg gesitueerd is.

Het decreet voorziet tot slot in uitgebreide handhavingsmogelijkheden voor de gemeente waaronder de last tot herstel, de bestuursdwang en dwangsommen.

Op 1 september 2019 treedt het decreet nu in werking.

De aangenomen tekst vindt u hier.

Gepost door Merlijn De Rechter

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Lokale besturen, Merlijn De Rechter, Omgevingsvergunning, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/07/2019

Uitzonderingen op de omgevingsvergunningsplicht zijn strikt te interpreteren (2). Over artikel 2 §3 van het Functiewijzigingenbesluit

Het hof van beroep te Antwerpen heeft zich in het arrest van 26 juni 2019 (zie ook vorig blogbericht) uitgesproken over artikel 2, §3 van het besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen, dat bepaalt:

‘Vrijgesteld van deze omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is het in een woongebouw uitoefenen van functies, complementair aan het wonen, zoals kantoorfunctie, dienstverlening en vrije beroepen, verblijfsrecreatie, detailhandel, restaurant, café en bedrijvigheid, mits aan alle van de volgende vereisten voldaan is:

1° het woongebouw is gelegen in een woongebied of in een daarmee vergelijkbaar gebied
2° de woonfunctie blijft behouden als hoofdfunctie
3° de complementaire functie bestaat uit een geringere oppervlakte dan de woonfunctie met een totale maximale vloeroppervlakte van 100 m²
4° de complementaire functie is niet strijdig met de voorschriften van stedenbouwkundige verordeningen, bouwverordeningen, verkavelingsverordeningen, ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg, verkavelingsvergunningen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden’.

Het hof van beroep te Antwerpen spreekt tegen dat in het aan haar voorgelegde geval sprake was van ‘een woongebouw’:

Ook al gaat het met zekerheid over één gebouw, even zeker is, zoals uit de foto’s blijkt, nochtans dat de schuur fysiek afscheidbaar is van het woongedeelte van hetzelfde gebouw en is omgevormd tot feestzaal. De schuur is nooit voor wonen bestemd of gebruikt geweest, nu zij als opslagplaats en garage is gebruikt’.

De uitzonderingsregel kan dus niet gebruikt worden om in een schuur, aansluitend van het woongedeelte, een feestzaal in te richten.

Boeiend is ook de uitspraak van het hof in verband met de berekening van de oppervlakte van 100 m². De exploitant van de feestzaal had een landmeter uitgenodigd om oppervlakkige metingen te doen en als bij toeval bedroeg de feestzaal 99 m².

Het hof stelt zich vragen over het gedeelte van de schuur dat met een houten wand werd dichtgemaakt. Uit de foto’s kan niet met zekerheid worden afgeleid dat deze houten wand kan opengemaakt worden. In ieder geval stelt het hof dat de landmeter ten onrechte de inkomsas met een oppervlakte van 1,7 m² heeft uitgesloten van zijn berekening, ‘terwijl de inkom van de feestzaal zonder twijfel wel deel uitmaakt van de feestzaal’.

Nog frappanter is dat het hof opmerkt dat uit niets blijkt ‘dat de opmetingen van de landmeter rekening hebben gehouden met het terras’. Hieruit kan afgeleid worden dat bij de berekening van de 100 m²-drempel niet enkel rekening moet gehouden worden met de functiewijziging binnen in als met de functiewijziging in open lucht. Het terras werd immers ook door de feestzaal gebruikt.

Referentie: Antwerpen, 26 juni 2019, nr. 2019/6383, ng. (Pub506703-1)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/07/2019

Uitzonderingen op de omgevingsvergunningsplicht zijn strikt te interpreteren (1): Over artikel 7.3 van het Vrijstellingenbesluit

Het hof van beroep te Antwerpen heeft zich in een arrest van 26 juni 2019 uitgesproken over artikel 7.3 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 tot bepaling van de stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is:

‘Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor een tijdelijke wijziging van de hoofdfunctie van een bestaand, hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw, als de tijdelijke functiewijziging een maximale duur van 4 periodes van 30 aaneen gesloten dagen per kalenderjaar niet overschrijdt. Op de eerste dag van de functiewijziging begint de periode van 30 dagen te lopen ongeacht of de functiewijziging de volle 30 dagen gebeurt. De periodes van 30 dagen kunnen aaneengesloten zijn, maar overlappen elkaar niet’.

Het hof van beroep besliste:

‘Uit de stukken, foto’s en aanvragen tot het bekomen van een vergunning uitgaande van mevrouw M. zelf, blijkt dat er van enige tijdelijkheid geen sprake is. De omvorming van de schuur naar feestzaal is definitief en de uitbating van de feestzaal is meer dan tijdelijk, namelijk niet slechts voor 4 maal 30 dagen per jaar. Deze uitzondering op de vergunningsplicht is aldus niet van toepassing’.

De uitspraak van het hof is meer dan interessant. Het blijkt dat artikel 7.3 van het Vrijstellingenbesluit niet kan gebruikt worden om een constructie duurzaam in te richten voor een bepaalde stedenbouwkundige functie, zelfs niet indien de uitbating minder bedraagt dan 4 maal 30 dagen per jaar.

Referentie: Antwerpen, 26 juni 2019, nr. 2019/6383, ng. (Pub506703-1).

 

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
25/02/2019

Vanaf 7 maart 2019 is het mogelijk om stedenbouwkundige voorschriften van (verouderde) APA's, BPA's en gemeentelijke RUP's te herzien of op te heffen zonder een nieuw RUP

De codextrein van 8 december 2017 lanceerde een aantal initiatieven om een aantal procedures om het ruimtelijk rendement te verhogen te versoepelen.

Eén van deze initiatieven was het invoeren van een artikel 7.4.4/1 in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening dat het mogelijk maakt om verouderde inrichtingsvoorschriften van BPA's, APA's en gemeentelijke RUP's te herzien of te wijzigen. Voorheen kon dit enkel via de opmaak van een nieuw RUP. 

Het gaat om volgende types voorschriften:

  • de perceelsafmetingen;
  • de afmetingen en de inplanting van constructies;
  • de dakvorm en de gebruikte materialen;
  • de maximaal mogelijke vloerterreinindex;
  • het aantal bouwlagen;
  • de voortuinstroken, de tuinzones met inbegrip van tuinconstructies, de binnenplaatsen, de afsluitingen, de buitenaanleg rond gebouwen met inbegrip van verhardingen, de bouwvrije stroken en de bufferstroken;
  • het aantal toegelaten woongelegenheden of bedrijfseenheden per kavel;
  • de toegelaten functies in bebouwbare zones of van bebouwde onroerende goederen; (niet voor RUP's) 
  • de parkeergelegenheden.

Het besluit van de Vlaamse regering van 11 januari 2019 inzake de herziening of de opheffing van stedenbouwkundige voorschriften van algemene en bijzondere plannen van aanleg en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, met toepassing van artikel 7.4.4/1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals vandaag gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, bepaalt de procedure tot herziening of opheffing en regelt de inwerkingtreding van artikel 7.4.4/1 VCRO. 

Het heet dat artikel 101 van de Codextrein van 8 december 2017 dat artikel 7.4.4/1 VCRO invoegt in werking op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit, zodat artikel 7.4.4/1 VCRO 7 maart a.s. in voege treedt.  

Lees hier de integrale tekst van het besluit van de Vlaamse regering van 11 januari 2019.

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Leandra Decuyper, Procedure, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, VCRO, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
17/12/2018

Ontwikkelingsmogelijkheden voor woonreservegebieden: voorontwerp wijzigingsdecreet Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening

In een eerdere blog werd reeds aangegeven dat de Vlaamse Regering werkt aan een nieuwe regelgeving over de woonreservegebieden. De inhoud van het eerste ontwerp werd in die blog ook reeds kort toegelicht. 

De Vlaamse Regering hechtte, na advies van de SARO, de Minaraad en de SERV, op 14 december 2018 opnieuw haar principiële goedkeuring aan het voorontwerp van decreet dat de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening wijzigt, wat betreft de ontwikkelingsmogelijkheden voor woonreservegebieden.

De regeling helpt de lokale besturen en de Vlaamse Regering de doelstelling realiseren om slecht gelegen juridisch woonaanbod te neutraliseren en zo het ritme van bijkomend ruimtebeslag af te remmen.

De adviezen vindt u hier

Het decreet wordt andermaal gevoegd. De bijhorende memorie vindt u dan weer hier

Over dit voorontwerp van wijzigingsdecreet wordt nu het advies ingewonnen van de Raad van State.

Wij houden u op de hoogte. 

Tags