11/11/2018

Procedure voor Raad van State heeft altijd verjaringsstuitende werking (ook bij verwerping van de vordering)

Het Grondwettelijk Hof moest in het arrest nr. 148/2018 van 8 november 2018 oordelen over hiernavolgende prejudiciële vraag:

'Is artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek in overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het enkel aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die tot een arrest van nietigverklaring leiden, een verjaringsstuitende werking verleent en dezelfde verjaringsstuitende werking niet verleent aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die niet tot een arrest van nietigverklaring leiden en/of aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die leiden tot een arrest waarbij een verlies van belang wordt vastgesteld dat tot de verwerping van het beroep leidt?'

Het Hof besliste:

'Artikel 2244, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 juli 2008 'tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State', schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het geen verjaringstuitende werking toekent aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die niet tot een vernietigingsarrest leiden'.

Dit is de argumentatie:

'B.9. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over het verschil in behandeling dat ontstaat doordat enkel de door de Raad van State gewezen vernietigingsarresten een verjaringsstuitende werking hebben, en niet de arresten waarbij het beroep wordt verworpen wegens het verlies van belang van de verzoeker.

B.10.1. De Ministerraad, die daarin wordt bijgetreden door de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, voert in zijn memorie aan dat rekening moet worden gehouden met de samenhang van de tekst zelf, in het bijzonder met de bewoordingen 'voor de toepassing van deze afdeling » in artikel 2244, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 2247 van hetzelfde Wetboek, dat deel uitmaakt van die afdeling, bepaalt evenwel dat, « indien de eiser afstand doet van zijn eis, of indien zijn eis wordt afgewezen, [...] de stuiting voor niet bestaande [wordt] gehouden'.

Volgens de Ministerraad en de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, zou de wetgever ten opzichte van de door de Raad van State geformuleerde opmerkingen een standpunt hebben ingenomen door te beslissen om de voor het beroep tot nietigverklaring bedoelde regeling af te stemmen op de voor de dagvaarding bedoelde regeling. Aldus zou hij, net zoals artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek voor de dagvaarding, hebben beslist dat het beroep tot nietigverklaring niet gepaard zou gaan met een verjaringsstuitende werking indien de handeling, aan het einde van de procedure voor de Raad van State, niet nietig werd verklaard.

B.10.2. De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, besluit daaruit dat, teneinde het eventueel discriminerende karakter van de in het geding zijnde bepaling te beoordelen, niet twee categorieën van rechtzoekenden bij de Raad van State met elkaar zouden moeten worden vergeleken, zoals het verwijzende rechtscollege doet, maar dat de situatie van de rechtzoekenden die zich tot de Raad van State wenden en een verwerpingsarrest verkrijgen, zou moeten worden vergeleken met die van de rechtzoekenden die zich tot de burgerlijke rechtbanken wenden en die een verwerpend vonnis of een verwerpingsarrest verkrijgen.

B.11. Het staat niet aan de partijen om de inhoud van de prejudiciële vragen te wijzigen of te laten wijzigen.

B.12.1. De redenen waarom de Raad van State een beroep tot nietigverklaring kan verwerpen zonder de grond van de zaak te hebben onderzocht, kunnen talrijk zijn. Zulks geldt met name wanneer de verzoeker, om redenen buiten zijn wil, zijn belang om in rechte te treden verliest tijdens het geding voor het hoge administratieve rechtscollege, zoals dat het geval is in de aan het verwijzende rechtscollege voorgelegde zaak. De termijn die is verstreken tussen de datum van het instellen van het beroep en de datum waarop de Raad van State zijn arrest wijst, kan bijzonder lang zijn en eveneens voortvloeien uit omstandigheden buiten de wil van de verzoeker, zoals dat het geval is in de aan de
verwijzende rechter voorgelegde zaak, zodat de termijn waarin is voorzien om een burgerlijke vordering tot schadevergoeding in te stellen, intussen is verstreken.

B.12.2. Zoals de appellant voor het verwijzende rechtscollege beklemtoont, kan de verzoeker, op het ogenblik van het instellen van zijn beroep bij de Raad van State, niet de omstandigheden voorzien die ertoe kunnen leiden dat een verwerpingsarrest zal worden gewezen, noch de termijn voorzien waarbinnen de Raad van State uitspraak zal doen. Indien de procedure voor de Raad van State meer dan vijf jaar duurt, zal de ontstentenis van een verjaringsstuitende werking die, in geval van een verwerpingsarrest, uit de in het geding zijnde bepaling voortvloeit, tot gevolg hebben dat aan de rechtzoekende elke mogelijkheid wordt ontzegd om bij de burgerlijke rechter tijdig een vordering tot schadevergoeding in te stellen tegen de administratieve overheid.

Het enige middel waarover de verzoeker beschikt om zijn rechten te vrijwaren, is het instellen van een vordering bij de burgerlijke rechter, naast het instellen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State, hetgeen echter de doelstelling van proceseconomie zou tenietdoen, die precies door de wetgever wordt nagestreefd.

B.12.3. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad beweert, zou de ontstentenis van een verjaringstuitende werking met betrekking tot een door de Raad van State gewezen verwerpingsarrest niet kunnen worden verantwoord door de bekommernis om de in het geding zijnde regeling te harmoniseren met de in artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde regeling inzake de dagvaarding voor het gerecht.

Zoals in B.2 is vermeld, verwijst artikel 101 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit naar de regels van het gemeen recht voor de stuiting van de verjaring, namelijk die welke worden voorgeschreven in afdeling I van hoofdstuk IV, titel XX, boek III, van het Burgerlijk Wetboek, onder de artikelen 2242 tot 2250 van het Wetboek. Hoewel artikel 2244 van dat Wetboek naar de regels van die afdeling verwijst, met inbegrip van de in artikel 2247 bedoelde regel, dient te worden opgemerkt dat, wanneer de rechtzoekende een dagvaardinginstelt voor de burgerlijke rechter, laatstgenoemde zich dient uit te spreken over de zaak in het kader van één en dezelfde procedure met betrekking tot subjectieve rechten tijdens welke de rechtzoekende al zijn argumenten zal hebben kunnen doen gelden. De omstandigheid dat de stuiting van de verjaring, door de toepassing van artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek, voor niet-bestaande wordt gehouden in geval van verwerping van de rechtsvordering op inhoudelijke of vormelijke gronden, zal het onderzoek van de gegrondheid van de vordering niet hebben aangetast. In een dergelijk geval zal de rechtzoekende op geen enkele manier het slachtoffer kunnen zijn geweest van een achterstand bij het burgerlijke rechtscollege waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, aangezien hij precies die rechter is die uitspraak doet met een stuiting van de verjaringstermijn zolang de beslissing niet is gewezen.

B.12.4. Daarentegen kan ten aanzien van de rechtzoekende die bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring instelt, in het objectieve contentieux, dat beroep worden verworpen om een reden die niets te maken heeft met de grond van de zaak. Hij moet een nieuwe procedure, ditmaal in het subjectieve contentieux, instellen voor de burgerlijke rechtscolleges teneinde een schadevergoeding te verkrijgen, indien hij de onwettigheid van de betwiste bestuurshandeling aantoont, hetgeen een onderzoek van de grond van de zaak door de burgerlijke rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, vereist.

Een dergelijk beroep wordt hem evenwel ontzegd indien de procedure voor de Raad van State meer dan vijf jaar duurt, zodat ingevolge de toepassing van artikel 2244, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 100 en 101 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, de termijn om zijn vordering tot schadevergoeding in te stellen voor de burgerlijke rechter zal zijn verstreken.B.13. Uit het voorgaande vloeit voort dat de in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij enkel aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die tot een vernietigingsarrest leiden, een verjaringsstuitende werking verleent, niet relevant is ten opzichte van de in B.7 en B.8
vermelde doelstellingen, aangezien zij de rechtzoekende die ervoor kiest om een bestuurshandeling aan te vechten voor de Raad van State nog steeds ertoe verplicht om tevens ten bewarende titel een vordering tot schadevergoeding in te stellen voor de burgerlijke rechter, teneinde de verjaring van zijn vordering te voorkomen'.

 

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof, Raad van State, Verjaring
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/12/2016

Het Hof van Cassatie bevestigt de onverjaarbaarheid van het gewoontemisdrijf

In de zaak beslecht met arrest nr. C.15.0434.N/1 door het Hof van Cassatie op 18 november 2016 werd door de beroeper betoogd dat het uitvoeren en het voortzetten van daden van strijdig gebruik , zoals bij het gewoontemisdrijf, aflopende misdrijven zijn, onder verwijzing naar de schijnbaar contradictorische arresten van het Hof van Cassatie van 2 mei 2006 (P.06.0100.1), 6 december 2011 (P.11.0599.N) en 14 oktober 2014 (P.13.0209.N).

Het Hof van Cassatie verwierp het middel:

‘Krachtens artikel 6.1.1., eerste lid, 1° VCRO wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een geldboete van 26 euro tot 400.000 euro of met één van deze straffen alleen, de persoon die de bij de artikelen 4.2.1 en 4.2.15 bepaalde handelingen hetzij zonder voorafgaande vergunning, hetzij in strijd met de vergunning, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de vergunning, hetzij in geval van schorsing van de vergunning, uitvoert, voortzet of in stand houdt.

Onder het ‘instandhouden’ in de zin van de voormelde bepaling wordt verstaan het schuldig verzuim om aan het bestaan van de door het stedenbouwmisdrijf ontstane wederrechtelijke toestand een einde te maken.

Het middel, dat in zijn geheel uitgaat van de onjuiste rechtsopvatting dat een aanhoudend identiek gebruik dat volgt op het ogenblikkelijk misdrijf van de oprichting van een wederrechtelijk opgerichte constructie, zoals in voorliggend geval het gewoonlijk gebruik van de wederrechtelijk aangelegde parking, ongeacht of dit gebruik op zichzelf al dan niet vergunningsplichtig is, niet als een opeenvolging van afzonderlijke daden van gebruik kan worden beschouwd, maar moet worden beschouwd als een in stand houden van een toestand door middel vaneen aanhoudend gebruik, faalt naar recht’.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Handhaving stedenbouw, Verjaring
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
01/07/2015

De leer van de verzwaring van de schade hoort niet thuis in het stedenbouwhandhavingsrecht

Tot deze conclusie komt het hof van beroep te Gent in een niet gepubliceerd arrest van 12 juni 2015 waarin de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur nog maar eens een proefballonetje opliet en meer in het bijzonder de leer van de verzwaring van de schade zoals bedoeld in artikel 2262 bis, §1, lid 2 BW inriep om stednebouwinbreuken ‘onverjaarbaar’ te maken.

Het hof reageerde als volgt:

‘Verzwaring van de schade’ zoals bedoeld bij art. 2262 bis, §1, lid 2 B.W. onderstelt één feit/fout dat schade veroorzaakt, waarbij de schade veroorzaakt door dat feit/deze fout na verloop van tijd toeneemt. In onderhavig geval blijkt niet dat de schade aan de ruimtelijke ordening, veroorzaakt door het feit/de fout gepleegd in de periode 1994-1995 naderhand verzwaard zou zijn; de GSI roept integendeel nieuwe feiten in, enerzijds gepleegd op en omstreeks 15 maart 2004 (nl. de oprichting van de constructie (2)) en anderzijds gepleegd na laatstgenoemde datum (m.n. de oprichting van constructies (3) en (4)), die op hun beurt van aard zijn geweest (bijkomende) schade aan de plaatselijke ruimtelijke ordening te berokkenen. Daarbij is het (zoals gezegd) zo dat de GSI zich niet beroept en kan beroepen op (strafrechtelijke) samenloop (in de zin van art. 65 S.V.) tussen het feit uit 1994-95 en de nieuwe feiten vastgesteld bij P.V. van 15 maart 2004 enerzijds en bij P.V. van 24 juli 2009 anderzijds; het bepaalde in art. 2262bis, §1, lid 2 BW is niet van aard om in een soort civiele samenloop te voorzien van verschillende van elkaar te onderscheiden feiten (die nb. In onderhavig geval zelfs niet alle door dezelfde personen zijn gepleegd), van aard om het aanvangstijdstip van de verjaring voor al deze feiten uit te stellen tot aan de kennisname door de schadelijder (hier de GSI) van de door het laatste feit verwekte schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon of personen. Daaraan doet geen afbreuk dat kan worden gesteld dat de schade die elk van de feiten heeft veroorzaakt de goede ruimtelijke ordening zoals zij zich op eenzelfde perceel voordoet (bijkomend) aantast.’

Gent, 12 juni 2015, AR 2012/AR/331, ng. (Pub502101-1)

Tags