12/01/2018

Uitvoeringsbesluit Onteigeningsdecreet vandaag in het Belgisch Staatsblad!

Het uitvoeringsbesluit bij het Onteigeningsdecreet werd vandaag in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd!

Hierdoor treedt de langverwachte nieuwe regelgeving eindelijk (retroactief) in werking. 

De inwerkingtreding van het digitaal onteigeningsplatform is wel uitgesteld tot een latere datum. 

U vindt de gepubliceerde tekst van het besluit hier.

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Lokale Besturen
Tags Leandra Decuyper, Lokale besturen, Onteigeningen, Vastgoed
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
10/11/2017

Uitvoeringsbesluit van het Vlaamse Onteigeningsdecreet goedgekeurd!

Op 1 januari 2018 treedt de nieuwe procedure rond onteigeningen in werking. Het Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 zorgt voor een eenvormige, proactieve en efficiënte onteigeningsprocedure voor alle onteigeningen binnen het Vlaams Gewest. Het decreet past ook op consequente wijze het subsidiariteitsprincipe toe. De lokale besturen kunnen voortaan autonoom beslissen of ze een onteigening uitvoeren en de democratisch gelegitimeerde lokale autoriteiten oefenen hun toezichtsrol uit op lokale instanties die onteigenen.  Er wordt hiervoor verwezen naar onze eerdere blogs.

Met het uitvoeringsbesluit van 27 oktober 2017 zijn nu ook een aantal praktische modaliteiten bepaald.

U vindt het goedgekeurd uitvoeringsbesluit, met bijhorend verslag van de Vlaamse Regering, hier.

Het digitaal platform is nog in ontwikkeling en treedt pas later in werking.

Meer informatie kunt u ook altijd hier vinden.

Gepost door Merlijn De Rechter

Blog Lokale Besturen
Tags Merlijn De Rechter, Onteigeningen, Vastgoed
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
04/02/2016

Als monument geklasseerde woningen en bedrijfsruimten moeten wat leegstandsheffingen betreft, op dezelfde wijze behandeld worden

Zo oordeelt het Grondwettelijk Hof in een arrest nr. 17/2016 van 3 februari 2016:

'B.6.2. Het Hof dient evenwel te onderzoeken wat zou kunnen verantwoorden dat de
houders van zakelijke rechten op gebouwen of woningen beschermd als monument slechts op
tijdelijke en voorwaardelijke wijze konden worden vrijgesteld van de leegstandsheffing
terwijl de eigenaars van bedrijfsruimten beschermd als monument toen nooit aan de
leegstandsheffing werden onderworpen.

De reden aangegeven door de Vlaamse Regering, namelijk dat het Decreet
Bedrijfsruimten slechts van toepassing is op « grote en pure bedrijven », waarbij de eigenaar,
in geval van bescherming van de bedrijfsruimte als monument, met de leegstand wordt
« geconfronteerd » en vanwege de bescherming als monument zeer moeilijk herbestemming
kan vinden, kan geen voldoende verantwoording bieden voor het verschil in behandeling.

Uit het bepaalde in artikel 24, 6°, van het decreet van 22 december 1995 volgt immers dat
elk onroerend goed of deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een
gezin of alleenstaande, als een « woning » dient te worden beschouwd, zodat grote
onroerende goederen waarin geen economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt,
minstens ten dele als « woning » in de zin van dat decreet kunnen worden beschouwd. Ook de
houders van zakelijke rechten op woningen beschermd als monument kunnen dus, vanwege
de grootte en oppervlakte, de specifieke aard, de ligging en, in het bijzonder, de bescherming
als monument, dezelfde problemen ondervinden bij de herbestemming van onroerende
goederen.

Tevens volgt uit het bepaalde in artikel 24, 2°, van het decreet van 22 december 1995 dat
elk onroerend goed dat geen bedrijfsgebouw is en niet hoofdzakelijk is bestemd voor
huisvesting, als een « gebouw » dient te worden beschouwd, zodat grote onroerende goederen
waarin geen economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt als « gebouw » in de
zin van dat decreet worden beschouwd. Ook de houders van zakelijke rechten op gebouwen
beschermd als monument kunnen dus, vanwege de grootte en oppervlakte, de specifieke aard,
de ligging en, in het bijzonder, de bescherming als monument, dezelfde problemen
ondervinden bij de herbestemming van onroerende goederen.

B.7. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de decreetgever de twee vermelde categorieën van
belastingplichtigen zonder redelijke verantwoording verschillend heeft behandeld'.
Zo oordeelt het Grondwettelijk Hof in een arrest nr. 17/2016 van 3 februari 2016:

'B.6.2. Het Hof dient evenwel te onderzoeken wat zou kunnen verantwoorden dat de houders van  zakelijke rechten op gebouwen of woningen beschermd als monument slechts op tijdelijke en voorwaardelijke wijze konden worden vrijgesteld van de leegstandsheffing terwijl de eigenaars van bedrijfsruimten beschermd als monument toen nooit aan de leegstandsheffing werden onderworpen.

De reden aangegeven door de Vlaamse Regering, namelijk dat het Decreet Bedrijfsruimten slechts van toepassing is op « grote en pure bedrijven », waarbij de eigenaar, in geval van bescherming van de bedrijfsruimte als monument, met de leegstand wordt « geconfronteerd » en vanwege de bescherming als monument zeer moeilijk herbestemming kan vinden, kan geen voldoende verantwoording bieden voor het verschil in behandeling.

Uit het bepaalde in artikel 24, 6°, van het decreet van 22 december 1995 volgt immers dat elk onroerend goed of deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande, als een « woning » dient te worden beschouwd, zodat grote onroerende goederen waarin geen economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt, minstens ten dele als « woning » in de zin van dat decreet kunnen worden beschouwd. Ook de houders van zakelijke rechten op woningen  beschermd als monument kunnen dus, vanwege de grootte en oppervlakte, de specifieke aard, de ligging en, in het bijzonder, de bescherming als monument, dezelfde problemen ondervinden bij de herbestemming van onroerende goederen.

Tevens volgt uit het bepaalde in artikel 24, 2°, van het decreet van 22 december 1995 dat elk onroerend goed dat geen bedrijfsgebouw is en niet hoofdzakelijk is bestemd voor huisvesting, als een «  gebouw » dient te worden beschouwd, zodat grote onroerende goederen waarin geen economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt als « gebouw » in de zin van dat decreet worden beschouwd. Ook de houders van zakelijke rechten op gebouwen beschermd als monument kunnen dus, vanwege de grootte en oppervlakte, de specifieke aard,de ligging en, in het bijzonder, de bescherming als monument, dezelfde problemen ondervinden bij de herbestemming van onroerende goederen.

B.7. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de decreetgever de twee vermelde categorieën van belastingplichtigen zonder redelijke verantwoording verschillend heeft behandeld'.
31/01/2014

Bouwverbod op grond van een Brussels beschermingsbesluit zonder regeling van de vergoeding van de waardevermindering schendt het eigendomsrecht

In een prejudicieel arrest van 23 januari 2014 heeft het Grondwettelijk Hof voor recht gezegd dat de artikelen 232 en 240 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO) het eigendomsrecht schenden zoals beschermd door artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), doordat zij geen regeling organiseren inzake de vergoeding van de schade geleden door een bouwverbod als gevolg van een beschermingsmaatregel die kadert in de bescherming van het Brussels onroerend erfgoed.

De overwegingen van het Grondwettelijk Hof zijn als volgt:

B.10.2. Hoewel de betrokken eigenaars, in het geval van een bouwverbod als gevolg van een beschermingsmaatregel, niet zijn onteigend, zijn zij niettemin fundamenteel geraakt in hun eigendomsrecht dat betrekking heeft op een terrein dat bestemd is om te worden bebouwd, met name wanneer, zoals te dezen, voordien een verkavelingsvergunning is uitgereikt.

Hoewel een dergelijke verkavelingsvergunning aan de houder ervan geen enkel onvoorwaardelijk of onveranderlijk recht om te bouwen verleent, wegens mogelijke wijzigingen van het vastgoedbeleid, kan zij niettemin een gewettigde verwachting het goed te kunnen gebruiken overeenkomstig die bestemming doen ontstaan.

B.10.3.Bovendien dient te worden onderstreept dat de ordonnantiegever ervoor heeft gekozen een subsidiëringsmechanisme in te stellen indien werken tot behoud moeten worden uitgevoerd aan een beschermd goed dat tot het onroerende erfgoed behoort (in het geding zijnde artikel 240 van het BWRO).

Terwijl die subsidieregeling de uitdrukking is van de zorg de gemeenschap te doen bijdragen in de kosten die inherent zijn aan het behoud van het beschermde onroerende erfgoed, en bijgevolg de lasten die in het algemeen belang aan de betrokken eigenaars zijn opgelegd te verlichten, is het des te minder verantwoord elke schadevergoeding te weigeren wanneer de last die door de beschermingsmaatregel aan de betrokken eigenaars is opgelegd, bestaat in een bouwverbod.
 
De verzoekende partijen voerden ook een schending aan van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet nu een schadevergoedingsregeling wel is voorzien in artikel 81 BWRO indien het bouwverbod voortvloeit uit een bestemmingsplan met bindende kracht. Afgezien van de overweging dat het bestaan van andere schadevergoedingsregelingen niet meebrengt dat een bouwverbod altijd het voorwerp moet uitmaken van een schadeloosstelling, is het Hof niet ingegaan op de vermeende schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Het Hof achtte het niet nodig om de artikelen 232 en 240 BWRO ook te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, nu het Hof toch al besloten had tot een schending van artikel 16 van de Grondwet.

Gepost door Roel Meeus

Blog Lokale Besturen
Tags Brussels omgevingsrecht, Roel Meeus, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vastgoed
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
18/10/2013

Onroerend Erfgoeddecreet gepubliceerd in Belgisch Staatsblad

Gisteren werd het nieuwe Onroerend Erfgoeddecreet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Het nieuwe Onroerend Erfgoeddecreet bevat een nieuwe, integrale benadering van het onroerend erfgoed. Het vervangt de drie bestaande decreten (monumentendecreet van 1976, archeologiedecreet van 1993 en landschapsdecreet van 1996) en een wet uit 1931 op het behoud van monumenten en landschappen.

De belangrijkste nieuwigheden in het decreet zijn, aldus minister Bourgeois zelf op zijn website

- Gemeenten kunnen erkend worden  als onroerend erfgoedgemeente. Zo’n onroerend erfgoedgemeente kan dan zelf beslissingen nemen over het al dan niet toelaten van werken aan monumenten waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning vereist is 
- Er komt een zorgplicht voor overheden voor items die opgenomen zijn op de vastgestelde erfgoedinventarissen 
- De verschillende inventarissen (bouwkundig erfgoed, archeologische zones, landschapsatlas, houtige beplantingen met erfgoedwaarde en historische tuinen en parken) zullen gedigitaliseerd worden. Informatie over lopende openbare onderzoeken, bijvoorbeeld in het kader van een beschermingsprocedure, zal op de website van de administratie en de gemeentebesturen te vinden zijn 
- De voorschriften inzake archeologie worden aangepast. Er komen oppervlaktecriteria zodat iedere bouwheer weet of hij een archeologietraject moet volgen of niet. Ook komt er een nieuwe procedure waardoor, aldus minister Bourgeois, 'archeologie op tijd in het bouwproject wordt betrokken en vertraging vermeden kan worden'. De mogelijkheid om een solidariteitsfonds op te richten is in het decreet ingebouwd, en er komt een archeologiepremie voor de eenmalige en particuliere bouwer als de kosten voor archeologie enorm hoog oplopen.
- Het bindend karakter van de adviezen van de administratie Onroerend Erfgoed bij stedenbouwkundige vergunningen wordt afgeschaft. Die adviezen moeten voortaan geïntegreerd worden in de stedenbouwkundige vergunning of vergunningen in het kader van de milieu -, bos – en natuurregelgeving.

De Vlaamse regering moet de datum van inwerkingtreding bepalen.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Erfgoed, Lokale besturen, Vastgoed
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags