25/01/2017

Omgevingsvergunning van start op 23 februari 2017. Of toch niet helemaal?

De plenaire vergadering van het Vlaams parlement besliste - door het aannemen van een spoeddecreet - op 25 januari 2017 defintief over de (uitgestelde) implementatie van de omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning treedt op 23 februari a.s. en dit op alle niveaus.

Gemeentes kunnen evenwel (om praktische redenen) vragen om de inwerkingtreding uit te stellen én dit uiterlijk tot 1 juni 2017. Indien het uitstel wordt toegekend, blijven de bestaande vergunningsprocedures van toepassing. De (milieu)vergunningen die evenwel worden afgeleverd na 23 februari 2017 zullen wel steeds een onbepaalde duur hebben.

Nog dit. Vergunningsaanvragen die worden ingediend met medewerking van een architect, zullen niet langer op papier kunnen ingediend worden, maar moeten steeds digitaal worden ingediend. Ook indien aan het betrokken bestuur een uitstel werd toegekend. 

Bij vergunningsaanvragen die zonder architect worden ingediend, zal dus per provincie, stad of gemeente moeten nagegaan worden in welke mate de (digitale) omgevingsvergunningsprocedure van toepassing is. 

U vindt hier de parlementaire documenten van het spoeddecreet.

Bijkomende informatie over de uitgestelde implementatie vindt u ook op de website van VVSG.  

23/02/2016

Omgevingsvergunning een feit vanaf 23 februari 2017

In het Belgisch Staatsblad van vandaag, 23 februari 2016 (Editie 1), wordt het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning gepubliceerd.

Het decreet en het uitvoeringsbesluit treden in werking één jaar na de bekendmaking in het Staatsblad.

Vanaf 23 februari 2017 vervangt de omgevingsvergunning dan ook de stedenbouwkundige en de milieuvergunning.  
27/11/2015

Langdurig onbruik constructie staat ‘vermoeden van vergunning’ niet in de weg

Een deputatie had eerder een stedenbouwkundige vergunning verleend voor het verbouwen van een bestaande woning, gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied.  De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar kon zich hier niet in vinden en tekende beroep aan bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb). Problematisch zou zijn dat de woning al een hele poos bleek leeg te staan.

De RvVb oordeelde in het arrest nr. A/2014/0697 van 7 oktober 2014 als volgt:

3. Zelfs als met de tussenkomende partij wordt aangenomen dat haar grootvader in het gebouw gewoond heeft tijdens de tweede wereldoorlog, en dat de afwezigheid van een huisnummer en inschrijvingen in het bevolkingsregister niet per definitie aantonen dat een gebouw geen woning is of meer is, dan nog dient te worden vastgesteld dat er een zeer lange periode is verstreken gedurende welke geen bewijs van effectieve bewoning voorligt. Anders dan de tussenkomende partij voorhoudt, kan een gebouw met een bepaalde bestemming door langdurig onbruik zijn bestemming verliezen en gewoon geen bestemming meer hebben. In het licht van de lange duur van niet bewoning, gebrek aan huisnummer en inschrijvingen in het bevolkingsregister, kwam het aan de tussenkomende partij toe door andere elementen, zoals rekeningen van nutsvoorzieningen, facturen voor onderhoudswerken en dergelijke, aan te tonen dat het gebouw zijn woonfunctie behouden had. Uit de schaarse gegevens die de tussenkomende partij heeft bijgebracht, kan hoogstens worden afgeleid dat het gebouw occasioneel in gebruik was als buitenverblijf, niet voor permanente bewoning. Het blijkt niet dat de constructie vergund of vergund geacht is wat de functie betreft.

Aangezien de vergunning voor het verbouwen van een koeienstal tot paardenstal en het omheinen van weiden een geheel uitmaakt met de vergunning voor het verbouwen van een woning, dient de bestreden beslissing in haar geheel vernietigd te worden. Het middel is in de aangegeven mate gegrond.
[…]’
[eigen aanduiding]

De verkrijger van de vergunning meende dat hierdoor het onweerlegbaar vermoeden van vergunning voor constructies die dateren van vóór 22 april 1962 (ex artikel 4.2.14, §1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) werd geschonden en ging verhaal zoeken bij de Raad van State in zijn hoedanigheid als cassatierechter.

Middels arrest nr. 232.590 van 16 oktober 2015, oordeelde de Raad van State anders:

‘[…]
8. Art. 4.2.14, § 1, VCRO luidt als volgt:

'§ 1. Bestaande constructies waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden vóór 22 april 1962, worden voor de toepassing van deze codex te allen tijde geacht te zijn vergund.”

9. Het vermoeden van vergunning geldt “te allen tijde”. Het voorwerp van het vermoeden van vergunning slaat op de constructie, meer bepaald zowel de oprichting ervan als de bestemming waarvoor het werd opgericht. Het vermoeden van vergunning houdt volgens deze decretale bepaling niet op te gelden door “langdurig onbruik” van de opgerichte constructie.

10. Het bestreden arrest schendt artikel 4.2.14 § 1, VCRO door aan te nemen dat “een gebouw met een bepaalde bestemming door langdurig onbruik zijn bestemming [kan] verliezen en gewoon geen bestemming meer [kan] hebben” en door na de vaststelling “dat er een zeer lange periode is verstreken gedurende welke geen bewijs van effectieve bewoning voorligt”, te besluiten dat niet “blijkt […] dat de constructie vergund of vergund geacht is wat de functie betreft.

11. Het middel is gegrond'.
23/11/2015

Update: aangepaste lijst met handelingen van algemeen belang gepubliceerd en inmiddels in werking getreden

In ons bericht van dinsdag 13 oktober 2015 deelden wij mee dat de lijst met handelingen van algemeen belang werd aangepast naar aanleiding van het vernietigingsarrest nr. 229.800 van de Raad van State door middel van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2012.

Inmiddels - op 12 november 2015 - werd dit besluit gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Het trad in werking op 22 november 2015, waardoor alle vergunningsaanvragen vanaf die datum rekening dienen te houden met de gewijzigde lijst. Volledigheidshalve sommen wij hieronder nog enkele interessante aanpassingen op. Volgende handelingen worden beschouwd als gewijzigde handelingen die steeds een beperkte ruimtelijke impact hebben:
  • de aanleg van gemeentelijke verkeerswegen met maximaal 2 rijstroken die over een lengte van maximaal 1 km afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften
  • de wijziging of uitbreiding van gemeentelijke verkeerswegen tot maximaal 2 rijstroken
  • de aanleg, wijziging of uitbreiding van telecommunicatienetwerken, zoals voor telefoonverkeer, televisie en internet, en de aanhorigheden met het oog op de exploitatie, zoals masten, voedings- en schakelkasten, en pylonen, op voorwaarde dat de pylonen een hoogte van 20 meter niet overschrijden
  • de aanleg, wijziging of uitbreiding van ondergrondse waterleidingen die bedoeld zijn voor het openbaar distributienet, en de aanhorigheden met het oog op de exploitatie, zoals pompen (niet: watertorens, die schuiven op naar de groep van handelingen die mogelijks een beperkte ruimtelijke impact hebben)
  • de aanleg, wijziging of uitbreiding van ondergrondse leidingen die voor het openbaar net bedoeld zijn, en voorzieningen voor het verzamelen en afvoeren van hemel-, oppervlakte- en afvalwater en de bijbehorende kleinschalige infrastructuur, zoals controlepunten, pomp- en overslagstations (niet: rietvelden en waterzuiveringsinstallaties met een maximale capaciteit van 1000 inwonersequivalenten
Onderstaande groep handelingen kunnen een beperkte impact hebben:
  • openbare park-and-rideparkings en carpoolparkings
  • pylonen van meer dan 20 meter hoog
  • bufferbekkens met een oppervlakte van minder dan 1 hectare, overstromingsgebieden van minder dan 5 hectare
  • het opheffen van vismigratieknelpunten
  • de wijziging of uitbreiding van watertorens
  • de aanleg, wijziging of uitbreiding van rietvelden en waterzuiveringsinstallaties met een maximale capaciteit van 1.000 inwonerequivalenten
  • het bouwen, verbouwen of uitbreidingen van jeugdlokalen
De mogelijkheid om af te wijken van de stedenbouwkundige en verkavelingsvoorschriften geldt niet meer voor bebossingsprojecten, bos- en natuurcompensatieprojecten, en scholenbouwprojecten.

We lichten kort nog even het specifieke geval van het bouwen, verbouwen of uitbreidingen van jeugdlokalen toe

Het bouwen, verbouwen of uitbreiden van gebouwen waar op regelmatige basis aan jeugdwerk wordt gedaan, valt voortaan wél onder het regime van de handelingen die mogelijks een beperkte ruimtelijke impact hebben. Hiertoe dient aan een drietal voorwaarden voldaan te zijn, met name:
  • het jeugdwerk wordt georganiseerd door een lokaal jeugdwerkinitiatief
  • het lokaal jeugdwerkinitiatief aangesloten is bij een erkende landelijk georganiseerde jeugdvereniging
  • het jeugdwerk voornamelijk georganiseerd wordt voor jongeren tot en met 16 jaar
Wanneer de bouw, het verbouwen of uitbreiden van jeugdlokalen onder het regime van handelingen van algemeen belang valt, worden dergelijke vergunningsaanvragen vanaf 22 november 2015 behandeld en afgehandeld door de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar. Het staat buiten kijf dat de mening en de invloed van de gemeenten hierin uiterst belangrijk zal zijn. Na de inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet zal het opnieuw de gemeente zijn die over dergelijke vergunningsaanvragen beslist. 
In ons bericht van dinsdag 13 oktober 2015 deelden wij mee dat de lijst met handelingen van algemeen belang werd aangepast naar aanleiding van het vernietigingsarrest nr. 229.800 van de Raad van State door middel van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2012.

Inmiddels - op 12 november 2015 - werd dit besluit gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Het treedt in werking op 22 november 2015, waardoor alle vergunningsaanvragen vanaf die datum rekening dienen te houden met de gewijzigde lijst.

Volledigheidshalve sommen wij hieronder nog enkele interessante aanpassingen op.

Volgende handelingen worden beschouwd als gewijzigde handelingen die steeds een beperkte ruimtelijke impact hebben:
  •  de aanleg van gemeentelijke verkeerswegen met maximaal 2 rijstroken die over een lengte van maximaal 1 km afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften
  • de wijziging of uitbreiding van gemeentelijke verkeerswegen tot maximaal 2 rijstroken
  • de aanleg, wijziging of uitbreiding van telecommunicatienetwerken, zoals voor telefoonverkeer, televisie en internet, en de aanhorigheden met het oog op de exploitatie, zoals masten, voedings- en schakelkasten, en pylonen, op voorwaarde dat de pylonen een hoogte van 20 meter niet overschrijden
  • de aanleg, wijziging of uitbreiding van ondergrondse waterleidingen die bedoeld zijn voor het openbaar distributienet, en de aanhorigheden met het oog op de exploitatie, zoals pompen (niet: watertorens, die schuiven op naar de groep van handelingen die mogelijks een beperkte ruimtelijke impact hebben)
  • de aanleg, wijziging of uitbreiding van ondergrondse leidingen die voor het openbaar net bedoeld zijn, en voorzieningen voor het verzamelen en afvoeren van hemel-, oppervlakte- en afvalwater en de bijbehorende kleinschalige infrastructuur, zoals controlepunten, pomp- en overslagstations (niet: rietvelden en waterzuiveringsinstallaties met een maximale capaciteit van 1000 inwonersequivalenten)
Onderstaande groep handelingen kunnen een beperkte impact hebben:
  • openbare park-and-rideparkings en carpoolparkings
  • pylonen van meer dan 20 meter hoog
  • bufferbekkens met een oppervlakte van minder dan 1 hectare, overstromingsgebieden van minder dan 5 hectare
  • het opheffen van vismigratieknelpunten
  • de wijziging of uitbreiding van watertorens
  • de aanleg, wijziging of uitbreiding van rietvelden en waterzuiveringsinstallaties met een maximale capaciteit van 1.000 inwonerequivalenten
  • het bouwen, verbouwen of uitbreidingen van jeugdlokalen 
De mogelijkheid om af te wijken van de stedenbouwkundige en verkavelingsvoorschriften geldt niet meer voor bebossingsprojecten, bos- en natuurcompensatieprojecten, en scholenbouwprojecten.

We lichten kort nog even het specifieke geval van het bouwen, verbouwen of uitbreidingen van jeugdlokalen toe

Het bouwen, verbouwen of uitbreiden van gebouwen waar op regelmatige basis aan jeugdwerk wordt gedaan, valt voortaan wél onder het regime van de handelingen die mogelijks een beperkte ruimtelijke impact hebben. Hiertoe dient aan een drietal voorwaarden voldaan te zijn, met name:
  • het jeugdwerk wordt georganiseerd door een lokaal jeugdwerkinitiatief
  • het lokaal jeugdwerkinitiatief aangesloten is bij een erkende landelijk georganiseerde jeugdvereniging
  • het jeugdwerk voornamelijk georganiseerd wordt voor jongeren tot en met 16 jaar
Wanneer de bouw, het verbouwen of uitbreiden van jeugdlokalen onder het regime van handelingen van algemeen belang valt, worden dergelijke vergunningsaanvragen vanaf 22 november 2015 behandeld en afgehandeld door de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar. Het staat buiten kijf dat de mening en de invloed van de gemeenten hierin uiterst belangrijk zal zijn. Na de inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet zal het opnieuw de gemeente zijn die over dergelijke vergunningsaanvragen beslist.
30/01/2013

Onoverkomelijke rechtsdwaling bij bouwwerken met vernietigde/onwettig verklaarde vergunning?

Elke rechter, ook de strafrechter en de herstelrechter, is verplicht bij toepassing van artikel 159 Gw. onwettige stedenbouwkundige vergunningen buiten toepassing te verklaren.  Impliceert dit dan automatisch een strafrechtelijke veroordeling en /of een veroordeling tot herstel in de vorige staat?  Hiernavolgend arrest van het Hof van Cassatie kan misschien soelaas bieden voor de betrokkenen:

 'Het arrest wordt verweten dat het de eiser het misdrijf ten laste legt ondanks de dwaling die het opzettelijk karakter eraan ontnomen heeft.

Dwaling is een rechtvaardigingsgrond als ieder redelijk en voorzichtig persoon die dwaling had kunnen begaan indien hij in dezelfde situatie zou hebben verkeerd als die waarin de beklaagde zich bevond.
Onoverkomelijke dwaling komt de pleger van het misdrijf ten goede op voorwaarde dat zij betrekking heeft op één van de bestanddelen van het misdrijf.
Een machtiging die door de bevoegde overheid is verleend en die regelmatig lijkt ofschoon zij dat niet is, kan, niettegenstaande het vermoeden dat de wet gekend is, de verkeerde overtuiging doen ontstaan dat er gehandeld is in overeenstemming met de wet. De in dergelijke voorwaarden gestelde handeling is dan niet strafbaar.
Artikel 159 Grondwet bepaalt dat de hoven en rechtbanken de toepassing van een onwettige verordenende of administratieve akte moeten weigeren. Het is hun daarom nog niet verboden om de handelende persoon bij wie die akte rechten heeft doen ontstaan, het voordeel van de onoverkomelijke dwaling toe te kennen.

De eiser werd vervolgd wegens het optrekken en instandhouden van een loods zonder stedenbouwkundige vergunning.Het arrest stelt vast dat de eiser een vergunning heeft gekregen van de gemeente maar dat die administratieve akte onwettig is, enerzijds, omdat zij werd verleend zonder de gemachtigd ambtenaar te raadplegen en, anderzijds, omdat zij in strijd is met het gemeentelijk stedenbouwkundig reglement op het vlak van de materialen voor buitenbekleding en dakbedekking.
De appelrechters verwerpen eisers verweermiddel, volgens hetwelk die vergunning een onoverkomelijke dwaling heeft doen ontstaan. Het arrest verklaart dit met name op grond van het feit dat de eiser, die een gepensioneerd aannemer van openbare werken is, onmogelijk niet op de hoogte kon zijn zowel van de decretale voorschriften betreffende de verplichting voor de administratie om het advies van de gemachtigd ambtenaar in te winnen, als van de regels die in een landbouwzone toepasselijk zijn op de bouw.
Het arrest wijst er eveneens op dat de eiser geen plan van een architect heeft ingediend tot staving van zijn vergunningsaanvraag, zodat de door hem ingezette procedure van bij de aanvang gebrekkig was, en dat hij dit diende te weten.
De hierboven samengevatte overwegingen verantwoorden de beslissing niet naar recht.
Het verlenen van een vergunning nadat de raadplegingsprocedure en het stedenbouwkundig reglement zijn nageleefd, behoort tot de bevoegdheid van de administratie, zodat de houder van de vergunning niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor de fouten die zij heeft begaan.
Artikel 159 Grondwet heeft geen gevolgen voor het antwoord op de vraag of de dwaling die door de onwettige administratieve akte is veroorzaakt onoverkomelijk was.
Het vermoeden dat de wet gekend is, wettigt de bewering niet dat elke normaal redelijke en voorzichtige persoon de onwettigheden van de vergunning die aan de administratie te wijten zijn, zou hebben opgemerkt.
Het arrest stelt niet vast dat de akte dermate onregelmatig was dat de eiser ze redelijkerwijs als onbestaande had moeten beschouwen.
Het middel is gegrond'.

Cass. 28/3/2012, P.11.2083.F
Tags